Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5418

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
01/855009-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tbs-maatregel verlengd met twee jaren.

Indexdelicten afpersing en diefstal met geweld (voortgezette handeling) en brandstichting.

TBS-maatregel is opgelegd in 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/855009-06

Uitspraakdatum: 19 september 2014.

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

verblijvende in [kliniek 1].

Het onderzoek van de zaak.

Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 juni 2008 is de [terbeschikkinggestelde] voornoemd (hierna: de terbeschikkinggestelde) ter beschikking gesteld.

Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst, bij beslissing van deze rechtbank van 5 december 2012 met twee jaar verlengd.

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 14 juli 2014, ingekomen op 15 juli 2014, strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaar.

Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 september 2014.

Hierbij zijn de officier van justitie, de deskundige mw. F.J.H. Verhees, de terbeschikking- gestelde en zijn raadsman gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

  • -

    het advies van de [kliniek 1], ondertekend op 18 juni 2014 door drs. E.P.T.M. Brouns, psychiater en (digitaal door) ir. J. Groeneweg, directeur algemene zaken en hoofd van de inrichting waar betrokkene verblijft;

  • -

    de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen, betreffende de periode van 19 september 2013 tot en met 8 april 2014;

- het rapport van psycholoog A.J. de Groot van 31 mei 2014, uitgebracht in het kader van

een 6-jaars verlengingsonderzoek;

- het rapport van psychiater I. Maksimovic van 21 juni 2014, uitgebracht in het kader van

een 6-jaars verlengingsonderzoek.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van:

- voortgezette handeling van afpersing en van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd

van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor

te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

- opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen

het opleggen van die maatregel eiste. De hiervoor genoemde misdrijven betreffen

misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het

lichaam van een of meer personen.

In voornoemd advies van het hoofd van de inrichting is onder meer het navolgende gesteld:

“Betrokkene is een thans 34-jarige man die in het kader van dwangverpleging sinds 8 juni 2009 in [kliniek 2] verbleef. De gehele behandeling aldaar heeft in het teken gestaan van stabilisatie van betrokkene. Vanwege onvoldoende inzicht in zijn psychopathologie weigerde betrokkene stelselmatig iedere vorm van therapie en er is sprake geweest van een veelvuldig aantal incidenten. Daar het recidiverisico nog als hoog wordt ingeschat, is het kader van dwangverpleging steeds verlengd. Vanwege deze behandelimpasse is betrokkene op 24 april 2013 in [kliniek 3] opgenomen. Echter wegens een ernstig incident op 14 juli 2013, (…), is betrokkene op 19 september 2013 vanuit [kliniek 3] overgeplaatst naar [kliniek 1].

(…) Gezien het problematische behandelverloop in de vorige klinieken hechten wij belang aan een zorgvuldig assessment om incidenten of een behandelimpasse verder te voorkomen. Er is vooralsnog onvoldoende zicht op de psychodiagnostiek en de kernproblematiek.

Dit heeft deels te maken met de beperkte belastbaarheid, de teruggetrokkenheid en veranderingen in het toestandsbeeld dat betrokkene laat zien. Betrokkene is tot op heden niet in staat gebleken een volledig dagprogramma te volgen. Na een aanvankelijk positieve start in de kliniek, is hetzelfde patroon als in de vorige kliniek zichtbaar geworden, in de vorm van een hoge mate van kwetsbaarheid, terugval in softdruggebruik, psychotische decompensatie, fors (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, afzondering en weigering van medicamenteuze ondersteuning. (…)

Concluderend functioneert betrokkene alleen stabiel binnen een zeer gestructureerd kader, zonder middelengebruik en met een minimaal programma. Bij beëindiging van de TBS met dwangverpleging wordt het risico op toekomstig gewelddadig gedrag nog als hoog ingeschat.

(…)

De behandeling in [kliniek 1] zal de komende periode in het

teken staan van stabilisatie. Betrokkene heeft veel ondersteuning en tijd nodig om aan behandelonderdelen te kunnen beginnen. Er zal in ieder geval nog geruime tijd controle, toezicht en ondersteuning nodig zijn binnen een gedwongen kader.

De inschatting is dat betrokkene middels het consequent aanbieden van een duidelijke structuur, in combinatie met abstinentie van middelengebruik en (dwang)medicatie redelijk

stabiel zou kunnen functioneren. Met het oog op stabilisatie en recidivepreventie blijft het gebruik van antipsychotica geïndiceerd.

Gezien bovenstaande adviseren wij u de maatregel van de terbeschikkingstelling voor betrokkene te verlengen met de duur van twee jaar.”

Het rapport van psychiater I. Maksimovic houdt onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende in:

“Er is sprake van inherent risico op destabilisatie vanuit betrokkenes chronisch psychotische stoornis (schizofrenie, dan wel schizo affectieve stoornis). Het recidiverisico is concreet afhankelijk van betrokkenes toestandsbeeld. Als betrokkene optimaal ingesteld is op medicatie, hij geen middelen gebruikt en hij voldoende steun en structuur krijgt, dan is het recidiverisico verlaagd. Het recidiverisico zou hoog zijn bij het wegvallen van het dwingende externe kader, omdat betrokkene zich in dat geval aan de behandeling zou onttrekken; dit vanwege het feit dat hij geen ziekte inzicht heeft. (...)

Betrokkene accepteert de nodige behandeling niet. Zolang dat het geval is, zal zijn

toestandsbeeld niet verbeteren en zal hij te instabiel en onbetrouwbaar zijn om de

resocialisatie te kunnen starten. (…)

In de komende periode dient het huidige niveau van de structurering en ondersteuning te worden voortgezet. Verder dient betrokkene te worden gemotiveerd voor het gebruik van de juiste psychofarmaca. De inschatting is, dat het zeker nodig zal zijn om de komende twee jaar het huidige TBS kader voort te zetten. (….)

Er wordt geadviseerd om de TBS te verlengen met twee jaar.

Er wordt geadviseerd om de verpleging te continueren.”

Het rapport van psycholoog A.J. de Groot houdt onder meer, zakelijk weergegeven, in

dat op grond van de stukken het beeld ontstaat dat er in psychodiagnostisch opzicht nog onduidelijkheid bestaat. Het belang van juiste diagnostiek is volgens de deskundige zeker in deze casus groot, omdat mogelijke psychiatrische aandoeningen verhinderen dat de behandeling op gang kan komen. De deskundige beoordeelt de behandeling of begeleiding en het risicomanagement van de kliniek als adequaat.

De vraag of de maatregel tot terbeschikkingstelling moet worden verlengd, kan door de deskundige niet beantwoord worden, bij gebrek aan eigenstandig onderzoek omdat betrokkene daaraan niet mee wilde meewerken.

De terbeschikkinggestelde heeft verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

Ik wil overgeplaatst worden naar een afdeling binnen de kliniek waar ook verlof voor mij kan worden aangevraagd. Het duurt allemaal veel te lang voordat ik overgeplaatst word naar een behandelafdeling. Ik zou graag meer progressie in mijn behandeling zien.

De reden dat ik nog niet adequaat behandeld wordt, zo legt men mij uit, ligt in het gegeven dat ik middelen gebruik en te weinig in contact sta met sociotherapie. Deze argumenten snijden geen hout want dat geldt ook voor andere patiënten. Het wordt me onterecht tegengeworpen. Ik geloof niet in de goede intenties van [kliniek 1]. Daarvoor is er te veel gebeurd.

De deskundige mw. F.J.H. Verhees, behandelcoördinator en GZ-psycholoog, optredend namens voormelde inrichting, heeft bij de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij voornoemd advies. Zij heeft voorts het navolgende verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

Er is gestart met dwangmedicatie en sedertdien is betrokkene rustiger geworden.

Het deelnemen aan een dagprogramma is gerealiseerd, maar is voor betrokkene nog moeilijk op te brengen en vol te houden. De huidige voorlopige diagnose is, dat er een actief schizofreen proces gaande is bij betrokkene.

Het eerste doel is stabilisatie. Daarna kunnen we pas een delict-analyse doen.

Onze conclusie is dat het recidive risico hoog is. Nu nog niet duidelijk is wat de exacte diagnose is, zijn zeker nog wel twee jaren verblijf in de kliniek nodig.

De officier van justitie heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Er is nog geen sprake van een effectieve behandeling, waardoor het recidiverisico erg hoog blijft. Ik persisteer bij de vordering.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie, die aan het proces-verbaal van de zitting is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De raadsman bepleit, verkort en zakelijk weergegeven, de verlenging van de maatregel te beperken tot één jaar en het onderzoek ten aanzien van de voortzetting van de verpleging van overheidswege te schorsen voor een onderzoek naar de mogelijkheden van voorwaardelijke beëindiging van die verpleging.

Subsidiair bepleit hij de beslissing op de vordering aan te houden om nader onderzoek te laten verrichten door middel van een contra-expertise door een psycholoog of een observatie in het Pieter Baan Centrum.

De officier van justitie concludeert dat er gelet op het verlengingsadvies en de conclusies van de beide externe deskundigen geen redenen zijn tot nader onderzoek in het Pieter Baan Centrum en het daartoe strekkende verzoek van de raadsman moet worden afgewezen.

De rechtbank verenigt zich met het advies van voornoemde inrichting, met de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank ook nu nog verlenging van de terbeschikking- stelling voor de duur van twee jaar vereist. Van disproportionaliteit is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu het tijdsverloop in de duur van de maatregel niet alleen moet worden beschouwd in het perspectief van de ernst van de delicten die ten grondslag liggen aan de maatregel, maar tevens in aanmerking moet worden genomen de aard van de stoornis en het actuele delictgevaar. Uit het advies van voornoemde inrichting komt naar voren dat meerdere onafhankelijke rapporteurs bij betrokkene een persoonlijkheidsstoornis hebben gediagnosticeerd, maar mogelijk toch meer sprake is van een procespsychose en dat er vooralsnog onvoldoende zicht is op de procesdiagnostiek en de kernproblematiek. Daardoor is een effectieve behandeling nog niet daadwerkelijk aangevangen. Ook is nog altijd sprake van een onverminderd recidiverisico.

De bevindingen van [kliniek 1] worden onderschreven door voornoemde rapportages van de gedragsdeskundigen A.J. de Groot en I. Maksimovic. Daaruit blijkt ook dat er nog geen eenduidigheid is over de diagnostiek, dat betrokkene niet wenst mee te werken aan psychodiagnostisch onderzoek en dat een gerichte behandeling en resocialisatie activiteiten

nog moeten plaatsvinden. Niet is te verwachten dat binnen een jaar al een situatie zal zijn bereikt waarbij recidivegevaarlijkheid voldoende verminderd is. Daarom dient de verlenging van de terbeschikkingstelling te geschieden voor een periode van twee jaar.

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen gronden aanwezig zijn om op dit moment een onderzoek te laten instellen naar de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Evenmin acht de rechtbank de noodzaak aanwezig om nader diagnostisch onderzoek, in het kader van een contra-expertise of observatie, te laten plaatsvinden. Vast staat dat op het moment van het begaan van de delicten die tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling hebben geleid, bij betrokkene sprake was van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens (verslaving) en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens (persoonlijkheidsstoornis). Ook op dit moment is daarvan nog sprake. Dat er diagnostisch gesproken nog geen eenduidigheid bestaat over de aard van de persoonlijkheidsstoornis maakt dat niet anders.

Gelet op het aanwezige delictgevaar, het feit dat de terbeschikkinggestelde nog langdurig zorg, structuur en begeleiding nodig heeft en gezien artikel 38d en 38e van het Wetboek van

Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel met een termijn van twee jaar vereist.

DE BESLISSING

De rechtbank:

verlengt de termijn gedurende welke [terbeschikkinggestelde] ter beschikking is gesteld met twee jaar.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2014.