Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5416

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
01/879223-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag (schieten met een pistool in de richting van iemands hoofd). Enkelvoudige fotoconfrontatie. DNA-match huls. Vrijspraak voorbedachte rade.

Vrijspraak voor poging zware mishandeling en het Opiumwetdelict.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf van 5 jaren.

De eis van de officier van justitie was een gevangenisstraf van 9 jaren, maar was gebaseerd op poging moord en het Opiumwetdelict.

Verdachte moet schade betalen aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879223-13

Datum uitspraak: 19 september 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

wonende te [adres 1],

thans gedetineerd in penitentiaire inrichting Limburg Zuid, “De Geerhorst” te Sittard.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 februari 2014, 9 mei 2014, 4 juli 2014 en 5 september 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 januari 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans een vuurwapen, (van korte afstand en/of dicht nabij en/of gericht) een kogel heeft afgevuurd op, althans in de richting van, het hoofd van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededader(s), althans alleen, - terwijl die [slachtoffer] op de grond was gelegen en/of zich in een kwetsbare positie bevond - die [slachtoffer] (meermalen) - al dan niet met een kettingslot - tegen diens hoofd en/of (overige delen van) diens lichaam heeft

geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Eindhoven met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [adres 2], althans op of aan een openbare weg, in elke geval ten aanschouwen van, althans zichtbaar voor, het publiek, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het tackelen en/of ten val brengen van die [slachtoffer] en/of het (meermalen) slaan en/of schoppen tegen het hoofd en/of (overige delen van) het lichaam van die [slachtoffer];

3.

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 22 september 2013 te Eindhoven (telkens) opzettelijk heeft vervoerd/verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [betrokkene 1], in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Tengevolge van een kennelijke verschrijving in de tenlastelegging is onder feit 2 als naam van aangever vermeld ‘[slachtoffer]’ in plaats van [slachtoffer]. De rechtbank herstelt deze omissie en leest telkens het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging voor het overige is vermeld ‘[slachtoffer]’ in plaats van [slachtoffer], is dit in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak feit 2.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder feit 2 tenlastegelegde. Het strafdossier bevat onvoldoende aanwijzingen dat verdachte, behalve het hem onder feit 1 tenlastegelegde, nog andere geweldshandelingen heeft verricht, of anderszins een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat door anderen tegen het slachtoffer [slachtoffer] is gepleegd.

Vrijspraak feit 3.

De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het hem onder feit 3 tenlastegelegde, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat hetgeen verdachte aan [betrokkene 1] heeft overhandigd daadwerkelijk cocaïne betrof. Verdachte verklaart dat hij op 22 september 2013 weed bij zich had en geen cocaïne. Er zijn bij verdachte geen drugs gevonden en onder hem zijn geen drugs inbeslaggenomen. Weliswaar blijkt uit het dossier dat getuigen ([betrokkene 2], [betrokkene 1] en aangever [slachtoffer]) verklaren dat verdachte een hoeveelheid cocaïne bij zich had, maar bewijs dat het ook echt (een middel bevattende) cocaïne was ontbreekt.

Bewijsoverwegingen feit 1.

Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is die door [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [slachtoffer] in hun verklaringen als de dealer wordt aangeduid. Het is ook verdachte die later die nacht door aangever [slachtoffer] is beroofd van zijn drugs. Dit volgt onder meer uit de eigen verklaring van verdachte ter zitting, de camerabeelden van het Esso tankstation waarop verdachte is te zien, de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en de telefoongegevens van verdachte, in onderling verband en samenhang bezien.

[slachtoffer] heeft verklaard dat de dealer hem later bij [adres 2] in Eindhoven achterna kwam en een vuurwapen tegen zijn hoofd zette. Hij voelde de loop langs zijn hoofd en hoorde een knal. De rechtbank begrijpt dat [slachtoffer] de dealer, en daarmee verdachte, aanwijst als de schutter.

De rechtbank vindt voor de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun in het dossier.

Naast de verklaring van [slachtoffer] heeft [getuige] bij de politie verdachte op een foto aangewezen als de schutter. Ze is aanwezig bij de schietpartij en herkent hem zonder twijfel aan zijn haardracht en snorretje. [getuige] noemt in haar verklaring ook nog de naam [alias], waarvan is gebleken, uit onder meer de verklaring van verdachte zelf, dat dit een bijnaam is van verdachte. De rechtbank acht deze verklaring van getuige [getuige] betrouwbaar, nu deze gedetailleerd is en steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier.

Dat de getuige later (bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 5 september 2014)

anders verklaart doet hier niet aan af. Deze verklaringen zijn niet consistent voor wat betreft de ontkenning van haar eerdere verklaring. Bij de rechter-commissaris stelt zij dat zij hetgeen zij bij de politie heeft verklaard niet zelf heeft waargenomen maar dat het haar door haar moeder is ingefluisterd. Ter zitting van 5 september 2014 verklaart zij ineens dat haar eerdere verklaring bij de politie is ingegeven door haar ex-vriend [persoon]. Zij geeft geen redengevende verklaring voor dit verschil en zij geeft geen antwoord op de vraag hoe zij bij de politie in staat was om een signalement van verdachte te geven en deze op een foto aan kon wijzen, als haar dit enkel zou zijn ingefluisterd.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat de enkelvoudige fotoconfrontatie met [getuige] niet bruikbaar is voor het bewijs omdat deze onvoldoende bewijskracht heeft. De rechtbank is van oordeel dat, nu de resultaten van deze fotoconfrontatie door de rechtbank slechts wordt gebezigd als ondersteunend bewijs, een enkelvoudige fotoconfrontatie, uitgevoerd op de wijze zoals beschreven in het dossier, in deze zaak wel kan bijdragen aan het bewijs.

Op de plaats van de schietpartij is een huls aangetroffen. Onderzoek wijst uit dat er een dna-match is voortgevloeid uit een eenmalige vergelijking van het dna-mengprofiel dat uit de bemonstering van de huls is gehaald, met alle profielen in de dna-databank. Daaruit zijn 46 matches naar voren gekomen, waarvan 1 met een NGM dna-profiel, toebehorend aan verdachte. De conclusie van de onderzoeker van het dna-materiaal is, dat het resultaat van het onderzoek iets waarschijnlijker is wanneerverdachte onder andere de donor is van het celmateriaal uit de bemonstering van de huls, dan wanneer het afkomstig is van onbekende donoren.

Ook zijn op de mouw van een onder verdachte inbeslaggenomen jas deeltjes aangetroffen, waardoor een vrijwel zekere relatie met een schietproces is aangetoond.

De rechtbank vindt het op grond van de camerabeelden van het Esso tankstation aannemelijk dat verdachte deze jas droeg op de avond van het schietincident.

Van belang is verder de verklaring van verdachte ter zitting waarin hij aangeeft dat hij na de beroving herhaaldelijk met [betrokkene 1] heeft gebeld om te achterhalen wie de persoon was die hem had beroofd. Toen hij vervolgens het telefoonnummer van [slachtoffer] had ontvangen heeft hij die een aantal malen gebeld, tot 1.55 uur, kort voor het incident dat rond 2.10 uur plaatsvond. Het voorgaande wordt ondersteund door de telefoongegevens van de telefoons van verdachte, [verdachte] en [slachtoffer].

De rechtbank vindt in deze bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte in de nacht van 22 september 2013 gericht op [slachtoffer] heeft geschoten.

Opzet op de dood en voorbedachte raad.

De gedragingen van verdachte, te weten met een pistool van korte afstand een kogel afvuren in de richting van het hoofd van [slachtoffer], kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm en de omstandigheden waaronder ze zijn begaan, niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dermate ernstig letsel zou toebrengen dat hij daardoor zou kunnen komen te overlijden. Het opzet op de dood van verdachte staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank vast.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer] te doden.

Uit het dossier blijkt niet wat de precieze bedoeling van verdachte was met zijn zoektocht naar [slachtoffer]. Ook volgt uit het dossier niet op welk moment verdachte de beschikking heeft gekregen over het pistool waarmee hij in de richting van het hoofd van [slachtoffer] heeft geschoten. Evenmin valt uit het dossier af te leiden dat verdachte met een vooropgezet plan direct op hem is afgelopen en hem heeft beschoten.

De rechtbank komt tot het oordeel dat voorbedachten rade niet kan worden bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

1.

op 22 september 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, met een pistool

van korte afstand een kogel heeft afgevuurd in de richting van het hoofd van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, te kwalificeren als poging tot moord, en het onder 3 tenlastegelegde (het handelen in, dan wel aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne). Zij vordert een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast vordert zij de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1120,00 (€ 1000,00 voor immateriële schade en € 120,00 voor materiële schade), met toepassing van de maatregel tot schadevergoeding. Voor het meer gevorderde dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard omdat de vordering in zoverre niet voldoende is onderbouwd. De inbeslaggenomen voorwerpen kunnen worden teruggegeven aan de beslagene(n).

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Hij heeft ’s nachts, op de openbare weg, waarneembaar voor en in de directe nabijheid van een aantal aldaar aanwezige personen, met een pistool in de richting van het hoofd van het slachtoffer geschoten. Verdachte is, nadat hij was beroofd van een hoeveelheid verdovende middelen, bewust op zoek gegaan naar degene die hem had beroofd. Hij heeft de confrontatie met het slachtoffer bewust opgezocht.

Het zeer gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken.

Verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor het slachtoffer in het leven geroepen. Dat het slachtoffer niet is gedood door verdachte, is aan puur geluk te danken.

Verdachte heeft aldus een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het door een vuurwapen beschoten worden en op het hoofd getroffen worden door een kogel, moet een grote indruk op het slachtoffer hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij/slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Een delict als het onderhavige veroorzaakt veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte in 2010 veroordeeld is voor mishandeling. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een psychiatrisch en psychologisch onderzoek en geeft aldus geen inzicht in zijn persoon.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De officier van justitie acht, anders dan de rechtbank, poging tot moord bewezen en heeft haar eis ook op bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde gebaseerd.

De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 1000,00 als vergoeding voor immateriële schade.

De recht acht eveneens toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 20,00 voor de Nike muts.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering dat ziet op materiële schade en voor zover de vordering een bedrag van € 1020,00 te boven gaat. Voor dat deel van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre schade is geleden in directe relatie tot het bewezen verklaarde strafbare feit, onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (22 september 2013) tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 45, 287.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 (ten eerste en ten tweede) en onder 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslag.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1:

Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van €1020,00 subsidiair 20 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], van een bedrag van € 1020,00 (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. Het bedrag betreft een vergoeding voor immateriële schade.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict

(22 september 2013) tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1020,00 (zegge: duizend euro), ter zake immateriële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (22 september 2013) tot aan de dag der algehele voldoening.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,

mr. H.H.E. Boomgaart en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 19 september 2014.