Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5415

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
SHE 14/2320
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening omdat de voorzieningenrechter geen reden ziet om aan te nemen dat het bestreden besluit na heroverweging in bezwaar geen stand zal houden.

De voorzieningenrechter gaat uit van het Activiteitenbesluit als relevant beoordelingskader. Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een overtreding. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat aan het onderzoek van de Omgevingsdienst zodanige gebreken kleven, dat verweerder zich bij zijn besluitvorming, niet hierop heeft mogen baseren. Gelet hierop heeft verweerder op goede gronden het verzoek van verzoekers om handhavend op te treden ter zake van geluidsoverlast afgewezen. De omstandigheid dat verzoekers stellen ernstige hinder te ondervinden, maakt dat niet anders.

Wetsverwijzingen
Activiteitenbesluit milieubeheer, geldigheid: 2014-09-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/2320

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster], te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. W. Krijger)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden, verweerder

(gemachtigden mr. E. Dans, J.A. Hamers en ing. M. de Ruiter).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijfsnaam], te [vestigingsplaats] (gemachtigde mr. F.A. Pommer).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verzoeken van verzoekers om handhavend op te treden tegen geluidoverlast afkomstig van het bedrijf [bedrijfsnaam] aan de [adres 1] afgewezen.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2014. Verzoekster [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers en vergezeld door ir. H.P. Greten, geluidsdeskundige. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen vertegenwoordigd door [persoon 1] en[persoon 2], bijgestaan door de gemachtigde en vergezeld door [persoon 3] en ir. E.H.J. Philippens, geluidsdeskundige.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Verzoekers zijn woonachtig op het perceel [adres 2] in een bedrijfswoning. Deze woning is gelegen op een niet-gezoneerd industrieterrein. Verzoekers hebben verweerder op 17 juni 2014 en 20 juni 2014 verzocht handhavend op te treden tegen gestelde geluidsoverlast, veroorzaakt door de activiteiten van [bedrijfsnaam] aan de [adres 3]. [bedrijfsnaam] is een metaalbewerkingsbedrijf dat zich sinds 1990 bezighoudt met het produceren van allerlei metaalproducten De achtergevel van de woning van verzoekers is gelegen op circa 10 m van de inrichtingsgrens van het bedrijf. Op 26 maart 2002 heeft verweerder aan [bedrijfsnaam] een milieuvergunning verleend aan [bedrijfsnaam] voor een metaalbedrijf gelegen aan de [adres 4]. Op 17 augustus 2009 is een melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedaan voor het uitbreiden van het bedrijf met een hal voor plaatbewerking, een kantoor en kantine en het verplaatsen van een container voor metaalafval. Bij deze melding is een akoestisch rapport van Cauberg-Huygen Raadgevende ingenieurs BV te Amsterdam gevoegd. De melding is op 15 november 2006 geaccepteerd. Op 16 januari 2008 is een melding volgens het Activiteitenbesluit ingediend. Deze melding is op 29 mei 2008 geaccepteerd.

2.

Verzoekers stellen dat zij al jarenlang geluidsoverlast in hun woning hebben van [bedrijfsnaam]. Het bedrijf was aanvankelijk kleinschalig van opzet maar is in de loop der jaren uitgegroeid tot een bedrijf met 105 medewerkers. Vanaf najaar 2013 maakt [bedrijfsnaam] gebruik van een nieuwe stansmachine en vanaf voorjaar 2014 van een afzuiging met ringsysteem. Sinds die tijd is volgens verzoekers de geluidsoverlast aanzienlijk toegenomen.

3.

Bij het bestreden besluit van 26 juni 2014 heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden vanwege geluidsoverlast afgewezen. Daaraan is - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat [bedrijfsnaam] sinds 2008 valt onder de regels van het Activiteitenbesluit en dat er geen overschrijdingen van de geldende geluidgrenswaarden zijn geconstateerd. Verweerder heeft gesteld dat voor de nieuwe machine - een gecombineerde lasersnij-/ponsmachine Trumpf TruMatic 7000 - geen melding is vereist. Voorts heeft verweerder aangegeven dat hij naar aanleiding van klachten in 2013 - in overleg met verzoekers - een trillings- en geluidsonderzoek heeft laten uitvoeren door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (hierna: de Omgevingsdienst). Daarbij is in de periode 19 november tot en met 1 februari 2014 continu gemeten op het perceel van verzoekers. Tijdens die metingen was de nieuwe machine soms hoorbaar/herkenbaar. Er zijn echter geen overschrijdingen van de toepasselijke grenswaarden van het Activiteitenbesluit geconstateerd, ook niet tijdens de door verzoekers aangegeven momenten.

4.

[bedrijfsnaam] stelt dat wordt voldaan aan alle eisen. De geluidproductie wordt gemonitord door een interne geluidsdeskundige. Voorts stelt [bedrijfsnaam] dat de afzuiging reeds bestond en alleen is verplaatst en onderhouden. Volgens [bedrijfsnaam] is de nieuwe lasersnij-/ponsmachine, mede door alle maatregelen, juist stiller dan de vorige machine.

5.

Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun verzoek om handhavend optreden een akoestisch onderzoek van 6 juni 2014 van Greten Raadgevend Ingenieurs (hierna: Greten) bij verweerder ingediend. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat dit onderzoek in grote lijnen overeenkomt met het onderzoek van de Omgevingsdienst. De gemeten geluidsniveaus blijven binnen de geluidnormen uit tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit, zijnde 55, 50 en 45 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. De door verzoekers gestelde overschrijding op 5 juni 2014 van 8 tot 10 dB(A) vindt geen steun in de onderzoeken, maar zijn aannamen, aldus verweerder. Het geluid van de afzuiging is meegenomen in het eerder uitgevoerde onderzoek, waaruit volgde dat werd voldaan aan de geluidnormen. Dit leidt verweerder tot de conclusie dat aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit is voldaan en is het verzoek om handhaving afgewezen. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat hij de klachten van verzoekers serieus neemt, dat hij hun gegevens bij de klachtencentrale van het Omgevingsdienst op de lijst van urgentieregime heeft laten plaatsen hetgeen betekent dat de Omgevingsdienst direct zal worden gereageerd op gemelde klachten en ter plaatse waarnemingen en dan ter plaatse zal komen voor een waarneming. Als de resultaten van deze waarnemingen daartoe aanleiding geven zal alsnog tot handhaving worden overgegaan. Verweerder geeft verzoekers in overweging om in overleg te treden met [bedrijfsnaam] over de mogelijke bereidheid tot aankoop van hun perceel door [bedrijfsnaam].

6.

Verzoekers voeren aan dat de milieuvergunning zoals die op 26 maart 2002 is verleend met de daarin vastgestelde geluidsruimte, zijnde 50, 45 en 40 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode) nog steeds geldend is. Gezien de omvang van [bedrijfsnaam] en de bedrijfsprocessen wordt volgens verzoekers voldaan aan meerdere criteria van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en is de inrichting vergunningplichtig (onder meer vanwege de opslagtanks voor stikstof en zuurstof en vanwege het walsen op een productieoppervlakte van meer dan 2.000 m2, genoemd in categorie 12.2, onder b en c van onderdeel C, van Bijlage I bij het Bor). Als er geluidreducerende maatregelen getroffen moeten worden om aan de normen te voldoen, wordt het bedrijf daarmee volgens verzoekers eveneens vergunningplichtig.

7.

Verzoekers voeren voorts aan dat voor zover het Activiteitenbesluit al van toepassing is, dat noch in 2008 toen door [bedrijfsnaam] een melding is gedaan, noch in 2013 toen de lasersnij-/ponsmachine, noch in 2014 toen de afzuiging met ringsysteem in gebruik zijn genomen, werd voldaan aan het Activiteitenbesluit. De melding van 29 mei 2008 voldoet niet volgens verzoekers aan de daarvoor geldende eisen. Gelet hierop kan niet gesteld worden dat [bedrijfsnaam] onder het Activiteitenbesluit is komen te vallen, aldus verzoekers. Voor de lasersnij-ponsmachine en de luchtafzuiginstallatie is in het geheel geen melding gedaan, terwijl dit wel had gemoeten en mogelijk zelfs sprake is van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). Alleen al gelet op het feit dat de inrichting niet conform de milieuvergunning c.q. met de vereiste melding in werking is, betekent volgens verzoekers dat handhavend dient te worden opgetreden.

8.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat verweerder wordt opgedragen om in afwachting van de beslissing op bezwaar het gebruik van de lasersnij-/ponsmachine en de afzuiging met ringsysteem, welke installaties volgens verzoekers als veroorzaker van de geluidsoverlast zijn aan te merken en zonder vergunning c.q. melding aanwezig zijn, stil te leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom voor elke dag dat die overtreding wordt voortgezet. Tevens is verzocht verweerder op te dragen om op zo kort mogelijke termijn een beslissing op bezwaar te nemen. Ter onderbouwing stellen verzoekers dat uit de door Greten uitgevoerde geluidmetingen blijkt dat overschrijdingen van de geluidnormen aan de orde zijn van 3 tot 5 dB(A) in de avond en 8 tot 10 dB(A) in de nachtperiode (na toetsing aan het Activiteitenbesluit). Bij toetsing aan de volgens verzoekers nog steeds geldende milieuvergunning van 26 maart 2002 is de overschrijding in de avond- en nachtperiode nog 5 dB(A) hoger. Volgens verzoekers is daarom van een verantwoord woon- en leefklimaat geen sprake meer voor hen en hun twee kinderen.

9.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [bedrijfsnaam] sinds 1 januari 2008 valt onder de regels van het Activiteitenbesluit. Omdat [bedrijfsnaam] op een bedrijventerrein is gevestigd gelden ingevolge artikel 2.17, derde lid, van het Activiteitenbesluit de geluidgrenswaarden, zoals opgenomen in tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (Lar, LT) op gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein bedraagt 55, 50 en 45 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit is de milieuvergunning van 26 maart 2002 van rechtswege vervallen. Er zijn nadien geen maatwerkvoorschriften gesteld. De in de milieuvergunning opgenomen geluidnormen zijn daarom voor de hier te verrichten beoordeling niet (meer) relevant.

10.

De voorzieningenrechter ziet op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding voor het oordeel dat de inrichting valt onder een andere categorie dan categorie 12.1 van onderdeel C van Bijlage I bij het Bor, zoals door verweerder betoogd. Niet gebleken is dat door verzoekers genoemde stoffen in die mate aanwezig zijn dat daarmee de grenswaarden van het Besluit externe veiligheid inrichtingen en het Besluit risico’s zware ongevallen worden overschreden. De niet nader onderbouwde stelling van verzoekers dat er in de inrichting metaal wordt gewalst op een productieoppervlakte van meer dan 2.000 m2 is gemotiveerd weersproken door [bedrijfsnaam] en is, gelet op de totale oppervlakte van de inrichting en de zich daarbinnen bevindende functies, zoals ter zitting door [bedrijfsnaam] nader toegelicht, niet aannemelijk. Hierbij is voorts van belang dat, voor zover er al activiteiten plaatsvinden die als vergunningplichtig moeten worden aangemerkt, dit niet onmiddellijk zal leiden tot strengere geluidnormen dan in het Activiteitenbesluit zijn gesteld. In die situatie kan, anders dan verzoekers kennelijk menen, niet zonder meer worden uitgegaan van de geluidnormen uit de milieuvergunning van 26 maart 2002. Of alsdan handhavend zal moeten worden opgetreden, is daarom thans niet te zeggen.

11.

De voorzieningenrechter volgt niet het betoog van verzoekers dat verweerder handhavend dient op te treden omdat voor het in bedrijf nemen van de lasersnij/ponsmachine en het luchtbehandelingssysteem een melding onder het Activiteitenbesluit ingediend had moeten worden. Verweerder heeft gesteld dat een melding niet nodig is omdat met deze installaties de aard en de omvang van de activiteiten en processen binnen de inrichting niet is gewijzigd. Deze stelling is door verzoekers niet onderbouwd weerlegd. Daarnaast geldt dat onafhankelijk van de melding, de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit op de inrichting van toepassing zijn. Ter zitting is gebleken dat [bedrijfsnaam] zekerheidshalve alsnog een melding heeft ingediend.

12.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in het rapport van de Omgevingsdienst van 15 mei 2014 wordt geconcludeerd dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau exclusief het wegverkeerslawaai ter plaatse van de woning van verzoekers gedurende de dag-, avond-, en nachtperiode ten hoogste 55, 48 en 44 dB(A) bedraagt. Daarbij geldt dat de lasersnij-/ponsmachine niet in werking is of niet (spectraal) herkenbaar is geweest. Daarmee worden de te realiseren grenswaarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau exclusief het in werking zijn van de lasersnij-/ponsmachine gerealiseerd. Op 13 december 2013 is in de avondperiode het geluidniveau vastgesteld tijdens het in werking zijn van de pons-/lasermachine. Deze situatie is beschouwd als worst-case situatie. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van het in werking zijn van de ponsmachine tijdens de avondperiode bedraagt (rekening houdend met de bedrijfscorrectie en toeslag intermitterend geluid, afgerond) 48 dB(A). Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A). Weliswaar is in het rapport vermeld dat indien dezelfde activiteit zou worden uitgevoerd in de nachtperiode de grenswaarde van 45 dB(A) met 3 dB(A) zou worden overschreden, ter zitting is door [bedrijfsnaam] toegelicht dat zij de pons- en laseractiviteiten, door rekening te houden met de aard van het materiaal de plaatdikte en het soort bewerking, zo inricht dat in de avond- en nachtperiode minder geluid wordt geproduceerd dan overdag. Ook uit de metingen die de Omgevingsdienst op 24 juni en op 1 juli 2014 heeft verricht, waarbij bij de laatste meting is uitgegaan van het worst-case scenario dat de lasersnij-/ponsmachine de gehele avondperiode onafgebroken in gebruik zou zijn, blijkt niet dat de geluidgrenswaarden worden overschreden.

13.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat aan het onderzoek van de Omgevingsdienst zodanige gebreken kleven dat verweerder zich bij zijn besluitvorming niet hierop heeft mogen baseren. Gelet op de duur van de geluidsmetingen van de Omgevingsdienst, meer dan tien weken gedurende de gehele dag-, avond- en nachtperiode, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de metingen hebben plaatsgevonden in de representatieve bedrijfssituatie, hoewel het niet controleerbaar is of verweerder - zoals ter zitting gesteld - over voldoende gegevens beschikt om zich hiervan te vergewissen, nu een duidelijke beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie van [bedrijfsnaam] ontbreekt. De bevindingen van Greten, die zijn gebaseerd op metingen gedurende 20 seconden, geven naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er, in tegenstelling tot de metingen van de Omgevingsdienst, sprake is van een overschrijding van de geldende geluidgrenswaarden. Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een overtreding. Gelet hierop heeft verweerder op goede gronden het verzoek van verzoekers om handhavend op te treden ter zake van geluidsoverlast afgewezen. De omstandigheid dat verzoekers stellen ernstige hinder te ondervinden, maakt dat niet anders.

14.

De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit na heroverweging in bezwaar geen stand zal houden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter acht wel het aangewezen dat verweerder bij het nemen van de beslissing op bezwaar een inzichtelijke beschrijving geeft van de representatieve bedrijfssituatie.

15.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.