Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5298

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
01/845174-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1596, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. Voorwaardelijk opzet. Steken met een mes in de buikstreek. Pleegplaats Uden, pleegdatum maart 2014. Geen voorbedachte rade.

Volledig toerekeningsvatbaar.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden (o.a. een therapie bij GGZ).

Aan de benadeelde partij dient schade te worden vergoed. Ten dele is de benadeelde niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845174-14

Datum uitspraak: 17 september 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 juni 2014 en 3 september 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 mei 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 maart 2014 te Uden ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk,[slachtoffer] van het leven te beroven en/of zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, althans met dat opzet, een of meerma(a)l(en) met een mes, althans met

een scherp en/of puntig voorwerp in de buik(streek) van het lichaam van die

[slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

Ten gevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan staat in de derde regel tussen het woord opzettelijk en de letters [letters][letters]de letter [letter] vermeld in plaats [letter]. De rechtbank herstelt deze schrijffout en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs. 1

Inleiding.

Op 11 maart 2014 kwam verdachte aan de deur bij[slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]) wiens woning is gelegen aan de [adres] te Uden. [slachtoffer] hoorde verdachte zeggen dat hij nog € 800,-- van hem kreeg. Vervolgens ging [slachtoffer] naar buiten. Eenmaal buiten zag hij dat verdachte opeens een mes uit zijn rechterachterzak pakte. Verdachte stak vervolgens één keer met voornoemd mes in de buik van die [slachtoffer]. 2 Verdachte heeft dat ook bekend.3 Uit de medische informatie van het Bernhove Ziekenhuis te Uden blijkt dat [slachtoffer], naar aanleiding van een steekincident dat op 11 maart 2014 heeft plaatsgevonden, een steekwond in zijn buik heeft opgelopen ten gevolge waarvan diens darm beschadigd was en waarvoor een operatie voor darmresectie nodig was. 4 [slachtoffer] heeft op 13 maart 2014 verklaard dat er drie gaten in zijn darm zaten, waardoor er ontlasting in zijn buik terecht is gekomen. 5

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de impliciet ten laste gelegde poging tot doodslag. Zij acht niet bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat van de tenlastegelegde poging tot moord moet worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van poging tot moord en poging tot doodslag. De raadsman heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van zowel de direct betrokken partijen, als de getuigen, op details uiteenlopen en die verschillende verklaringen niet door objectieve bewijsmiddelen worden gestaafd. Gelet op vorenstaande kan niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat er zich op 11 maart 2014 op de [adres] te Uden heeft voorgedaan. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat door met een mes in de buik van het slachtoffer te steken niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bestond en dat verdachte deze kans, zo die al bestaat, niet heeft aanvaard.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er bij verdachte sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer.

Verdachte heeft aangever met een mes diep in de buikstreek gestoken. Nu de darmen van het slachtoffer waren geperforeerd, kan het niet anders dan dat verdachte met kracht heeft gestoken. De buikstreek is een plek waar zich enkele centimeters onder de huid vitale lichaamsdelen zoals darmen en (andere) interne organen bevinden. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand als gevolg van het steken met een mes in de buikstreek komt te overlijden aanmerkelijk, indien ten gevolge van het steken orgaanletsel ontstaat. Het met een mes krachtig steken in de buikstreek is naar de uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als zodanig gericht op het beschadigen van vitale organen dat bij verdachte het opzet op het toebrengen van dodelijk letsel bestond.

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman voorbedachte raad niet bewezen, zodat het voorgaande tot de conclusie leidt dat de impliciet ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend is bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 11 maart 2014 te Uden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk[slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet, eenmaal met een mes

in de buik(streek) van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 1 jaar gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals verwoord in het reclasseringsrapport d.d. 3 juni 2014. Teruggave van de in beslag genomen goederen vermeld onder nummer 1 en 2 van de beslaglijst aan [slachtoffer] en teruggave van de in beslag genomen goederen vermeld onder nummer 3 tot en met 8 van de beslaglijst aan verdachte. Voorts verzoekt de officier van justitie om onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen mes (nummer 9).

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Uit het rapport van de psycholoog drs. K. Bertens d.d. 17 juni 2014 blijkt dat verdachte dubbel kwetsbaar is. Nu heeft verdachte nog een goed netwerk waar hij op terug kan vallen, bij een langdurige gevangenisstraf kan hij dat kader verliezen. De verdediging verzoekt de rechtbank om bij bewezenverklaring een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan zoals geëist door de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is naar de woning van het slachtoffer gegaan om geld terug te eisen en heeft een wapen (mes) meegenomen omdat dit hem - naar eigen zeggen – “een stukje veiligheid” verschafte. Hij heeft dat mes onmiddellijk gebruikt toen het slachtoffer naar buiten kwam en stak het slachtoffer met een mes in diens buik. Dat de gevolgen voor het slachtoffer uiteindelijk beperkt zijn gebleven, is een omstandigheid die volkomen buiten verdachte ligt.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 augustus 2014 blijkt dat verdachte in het verleden niet eerder voor soortgelijke delicten werd veroordeeld. Voorts betrekt de rechtbank in haar oordeel dat verdachte het door hem gepleegde strafbare feit in een vroeg stadium van het onderzoek heeft toegegeven en ook verder zijn volledige medewerking aan dat onderzoek heeft verleend.

De rechtbank acht het aannemelijk dat er bij verdachte ten tijde van het door hem gepleegde feit sprake was van een stoornis. De rechtbank deelt op dit punt de bevindingen en conclusies uit het door drs. K. Bertens, klinisch psycholoog, omtrent de geestvermogens van verdachte op 17 juni 2014 uitgebracht rapport. Ook deelt de rechtbank de bevindingen en conclusies uit het door prof. dr. R.J. Verkes, psychiater en drs. C.G. Huisman, psychiater, op 12 juni 2014 uitgebracht rapport op dit punt. In beide rapporten wordt geconcludeerd dat bij verdachte kenmerken van ADD worden gezien en zeer grote cannabisafhankelijkheid. Er zijn anti sociale trekken en mogelijk is er – volgens drs. Bertens – sprake van een steeds aanwezige licht depressieve stoornis.

Voorts stellen de rapporteurs dat verdachte toerekeningsvatbaar is, aangezien de aanwezige stoornis niet heeft doorgewerkt in het delict. Gelet op de inhoud van voornoemde rapporten, gaat de rechtbank ervan uit dat het door verdachte gepleegde strafbare feit derhalve volledig aan hem kan worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

Uit het oogpunt van vergelding en beveiliging van de maatschappij acht de rechtbank vrijheidsbeneming op zijn plaats. De rechtbank zal deze gevangenisstraf deels voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Voorts zullen aan deze voorwaardelijke straf na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij[slachtoffer].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] voldoende onderbouwd en verzoekt de rechtbank om voornoemde vordering integraal toe te wijzen, alsmede toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De vordering komt de rechtbank niet onredelijk of ongegrond voor. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de materiële schade begroot op € 481,74, alsmede de immateriële schade begroot op € 3.000,--.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ter zake € 2.000,-- (immateriële schade). Van dit gedeelte van de vordering is zonder nadere onderbouwing niet vast te stellen of en hoe deze schade is ontstaan in directe relatie tot het bewezen verklaarde strafbare feit en de rechtbank is van oordeel dat het strafgeding onevenredig zou worden belast indien de benadeelde partij de gelegenheid tot nadere onderbouwing zou worden gegeven. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij eveneens niet ontvankelijk verklaren ter zake € 616,-- (kosten rechtsbijstand) nu de advocaat van de benadeelde partij niet ter terechtzitting is verschenen en zonder nadere onderbouwing, die een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, van daadwerkelijke kosten voor rechtsbijstand niet is gebleken. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan het slachtoffer [slachtoffer] nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke het feit is begaan en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 287.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslag.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden

gegeven door de reclassering;

- dat veroordeelde zich (telefonisch) binnen 48 uur na de uitspraak zal melden bij Novadic

Kentron, verslavingsreclassering op het adres Dr. Poletlaan 74-76 te Eindhoven,

telefoonnummer 040 - 2171200. Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd op door

Reclassering Nederland bepaalde perioden te blijven melden, zo frequent als Reclassering

Nederland deze perioden nodig acht;

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij GGZ

Momentum in de vorm van therapie gericht op zijn psychische problematiek en

softdruggebruik, of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de

reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het

kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden

gegeven;

- dat veroordeelde mee zal werken aan het begeleidingstraject via Jobcoach. Indien

veroordeelde afhaakt, dient veroordeelde mee te werken aan begeleiding vanuit een door

de reclassering geïndiceerde instantie op het gebied van onder andere werk dan wel

dagbesteding;

- waarbij de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6,

5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving

van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, aan[slachtoffer], [adres] te

Uden te weten:

- 1 paar witte sokken, goednummer 635060;

- 1 grijs vest, goednummer 625062.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, aan [verdachte], [adres] te Uden te

weten:

- 1 blauwe jeansbroek, merk Clockhouse, goednummer 625021;

- 1 paar witte sokken, goednummer 625028;

- 1 bruine trui, merk Angelo Litrico, goednummer 625029;

- 1 beige trui, goednummer 625023;

- 1 zwarte pet, merk Nike, goednummer 625024;

- 1 paar blauwe schoenen, merk Nike, goednummer 625025.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- 1 mes, merk Renno, goednummer 625026.

Maatregel van schadevergoeding van € 3.481,74 subsidiair 44 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer[slachtoffer] van een bedrag van € 3.481,74 (zegge: drieduizend vierhonderd eenentachtig euro en vierenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding en materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 3.481,74 (zegge: drieduizend vierhonderd eenentachtig euro en vierenzeventig eurocent). Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding en materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het deel ad € 2.000,-- (immateriële schade) van de vordering en in het deel ad € 616,-- (kosten rechtsbijstand) van de vordering niet ontvankelijk is omdat behandeling van de die onderdelen van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Bepaalt dat de benadeelde partij die onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M. Klinkenbijl, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. C.A. Mandemakers, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 17 september 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces- verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, genummerd PL21ZO-2014023919, opgemaakt en ondertekend d.d. 19 april 2014, aantal doorgenummerde pagina’s: 216.

2 Verklaring[slachtoffer], aangever, d.d. 13 maart 2014 p. 60 t/m 63

3 Verklaring verdachte [verdachte], ter terechtzitting d.d. 3 september 2014

4 Medische informatie d.d. 15 april 2014 Bernhove Ziekenhuis te Uden p. 64a

5 Verklaring [slachtoffer], aangever, d.d. 13 maart 2014 p. 60 t/m 63