Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:527

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
C/01/265765
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Contradictoir. Vraag of een erfdienstbaarheid van overpad is komen te vervallen als eigenaar na verkoop een persoonlijk recht van gebruik verkrijgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/265765 / HA ZA 13-509

Vonnis van [12 februari] 2014

in de zaak van

1 [X],

wonende te [plaats],

2. [Y],

wonende te [plaats],

eisers,

advocaat mr. M.J.A. Verhagen te Eindhoven,

tegen

[Z],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.P. van den Bogart te Boxmeer.

Partijen zullen hierna [X], [Y] en [Z] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 september 2013 en de daarin genoemde stukken

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 december 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[X] en [Y] zijn met elkaar gehuwd. Zij wonen op het adres [straat] 1a te [plaats].

2.2.

[Y] is een nicht van [Z]. [Z], geboren in het jaar 1938, woont samen met zijn broer [Q], geboren in het jaar 1928, op het adres [straat] 1 te [plaats]. Beide broers wonen al sinds hun jeugd op dit adres. Bezien vanuit de openbare weg betreft het voorste gedeelte van het pand aan [straat] 1 een schuur/boerderij met aan de achterzijde een woonhuis.

2.3.

Van 1995 tot 2006 hebben [Z] en [Y] gezamenlijk een agrarisch bedrijf gedreven vanuit het adres [straat] 1 te [plaats], laatstelijk in de vorm van een vennootschap onder firma.

2.4.

In een notariële akte van levering van 18 oktober 2002 heeft [Z] als verkoper onder andere het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], [[...]], overgedragen aan [X] en [Y]. Op dit kadastrale perceel, plaatselijk bekend als [straat] 1a te [plaats], bevindt `zich het woonhuis van [X] en [Y].

2.5.

De kadastrale grens tussen [straat] 1 en [straat] 1a loopt in het midden van een weg tussen beide percelen. In de akte van levering (zie 2.4) is over en weer een erfdienstbaarheid van weg gevestigd om te komen en gaan naar de openbare weg [straat] te [plaats] conform de bestaande situatie en zoals aangegeven in het gearceerde deel van de navolgende situatietekening:

2.6.

In 2006 heeft [Y] het agrarisch bedrijf alleen voortgezet. [Y] en [Z] hebben gesproken over de voorwaarden waaronder het bedrijf zou worden voortgezet. Tijdens deze gesprekken is de verhouding tussen partijen verslechterd.

2.7.

De overname van het agrarisch bedrijf door [Y] is vastgelegd in een notariële akte van 20 juni 2006. De onroerende zaken van de vennootschap onder firma zijn aan [Y] toegedeeld, inclusief [straat] 1 te [plaats] (o.a. het woonhuis van [Z] en zijn broer [Q]). In de notariële akte staat onder meer opgenomen:

“(…)

De comparanten sub 1 en 2 ([Z] resp. [Y], toev. rechtbank) verklaarden:

- dat de comparanten sub 1 en 2 met ingang van een januari negentienhonderd vijfennegentig voor gezamenlijke rekening en risico een rundveebedrijf in maatschapsverband hebben uitgeoefend te [plaats] aan [straat] 1;

(…)

- dat van de tot het bedrijf behorende registergoederen door de comparant sub 1 het economisch belang casu quo het gebruik en genot was ingebracht in de maatschap/vennootschap.

(…)

VESTIGING VAN DE BEPERKTE RECHTEN VAN GEBRUIK EN BEWONING

Ter effectuering van de voorbehouden rechten van gebruik en bewoning heeft verkrijger ([Y], toev. rechtbank) aan vervreemder ([Z], toev. rechtbank) en onder opschortende voorwaarden van overleving aan de comparant sub 3 ([Q], toev. rechtbank), die zulks – voor wat betreft comparant sub 3 onder opschortende voorwaarde van overleving van de comparant sub 1 – hebben aanvaard, het recht van gebruik en het recht van bewoning van het bij deze aan comparant sub 2 geleverde woonhuis met verdere aanhorigheden, ondergrond en tuin, aan [straat] 1, 5421 ZK [plaats] (…) met recht van toegang naar het woonhuis, op de voet van artikel 3:226 van het Burgerlijk Wetboek. (…)

(…)”

2.8.

[Z] maakt ook na de levering van 20 juni 2006 gebruik van de weg die voor die tijd de erfgrens tussen de percelen was. Via die weg komt [Z] uit bij de achterzijde van het woonhuis [straat] 1 te [plaats]. Ook aan de voorzijde van dit woonhuis bevindt zich een toegangsweg. De achterdeur van [straat] 1 te [plaats] kan ook worden bereikt via deze weg en vervolgens over een voetpad dat om dit woonhuis heen ligt.

3 Het geschil

3.1.

[X] en [Y] vorderen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    een verklaring voor recht dat het recht van erfdienstbaarheid van weg, zoals gevestigd bij akte van 18 oktober 2002 is komen te vervallen door vermenging;

  • -

    [Z] te verbieden om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis nog gebruik te (laten) maken van de inrit die voorheen was belast met het recht van erfdienstbaarheid, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per overtreding van dit verbod, met een maximum van € 10.000,-;

  • -

    veroordeling van [Z] om aan [X] en [Y] de buitengerechtelijke incassokosten te voldoen;

  • -

    veroordeling van [Z] in de proceskosten alsmede de nakosten.

3.2.

[X] en [Y] leggen onder meer het volgende aan hun vorderingen ten grondslag:

3.2.1.

De gesprekken over de overname van de onderneming in 2006 hebben tot spanning tussen partijen geleid. Direct na de overname in 2006 is een geschil ontstaan tussen [X] en [Z]. Ondanks diverse bemiddelingspogingen is een oplossing voor dit geschil niet in zicht. [X] en [Y] hebben [Z] verzocht om voortaan via de voorzijde naar zijn huis te gaan om zodoende verdere confrontaties tussen partijen te voorkomen. Die weg is bovendien beter geschikt als inrit van de woning [straat] 1 dan de inrit waar voorheen een erfdienstbaarheid op rustte. [Z] blijft echter gebruik maken van deze inrit.

3.2.2.

De erfdienstbaarheid van weg is tenietgegaan door vermenging ex artikel 3:81 lid 2, sub e BW. Van vermenging is sprake indien het heersende en dienende erf in één hand komen en vanaf 20 juni 2006 is dat het geval. [Z] kan niet worden beschouwd als een derde in de zin van artikel 5:83 BW. Ook [Q] is geen derde in de zin van dit artikel, aangezien [Q] een recht van gebruik en bewoning onder opschortende voorwaarde heeft verkregen.

3.2.3.

[Z] handelt voorts onrechtmatig jegens [X] en [Y] door – voor het geval de erfdienstbaarheid niet teniet zou zijn gegaan – gebruik te maken van de inrit op een wijze die voor [X] en [Y] het meest belastend is. [X] en [Y] kunnen hun woning slechts via deze weg bereiken, terwijl [Z] gebruik kan maken van de inrit aan de voorzijde van zijn woning.

3.3.

[Z] voert tot zijn verweer onder andere het volgende aan.

3.3.1.

De gesprekken over de bedrijfsoverdracht in 2006 zijn niet goed gelopen. [Z] heeft het gevoel dat hij uit het bedrijf werd gezet en nu niet meer op de boerderij mag komen, maar heeft vrede met de huidige situatie. [Z] gebruikt de inrit aan de achterzijde van de woning uit gewoonte. Sinds de inrit er ligt, maakt [Z] daar gebruik van. Zijn fiets staat achter in de woning en met die fiets kan [Z] ook moeilijk de draai maken over het pad naar de inrit aan de voorzijde van de woning.

3.3.2.

Op basis van de akte van 20 juni 2006 (zie 2.7) heeft [Z] een persoonlijk recht van gebruik en bewoning. Dit persoonlijk recht leidt ertoe dat [Z] een derde is in de zin van artikel 5:83 BW. De erfdienstbaarheid van weg is om die reden niet komen te vervallen.

3.3.3.

Het enkele gebruiken van een weg waarop nog steeds een erfdienstbaarheid rust, kan er volgens [Z] niet toe leiden dat hij onrechtmatig handelt.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De eerste en belangrijkste vraag die in deze procedure moet worden beantwoord is of de erfdienstbaarheid van weg, zoals gevestigd bij notariële akte van 18 oktober 2002, is tenietgegaan door vermenging.

4.2.

[Z] heeft een rundveebedrijf geëxploiteerd vanaf [straat] 1 te [plaats]. Vanaf 1995 is dit bedrijf geëxploiteerd door hem in samenwerking met [Y]. [Z] is daarbij steeds juridisch eigenaar gebleven van de percelen waarover de boerderij beschikt. In 2002 heeft [Y] met haar echtgenoot [X] een perceel grond verworven van [Z], waarop hun woning staat. Partijen hebben toen de erfgrens tussen hun percelen bepaald op het midden van een reeds bestaande weg. Om die reden hebben zij in 2002 ten laste van de eigendom van de in deze procedure betrokken percelen een erfdienstbaarheid gevestigd, waarbij beide percelen zowel als het heersende als het dienende erf kunnen worden beschouwd (zie de situatieschets onder 2.5).

Een erfdienstbaarheid is een beperkt recht. Op grond van artikel 3:81 lid 2 sub e BW gaat een beperkt recht onder meer teniet door vermenging.

In artikel 5:83 BW is ten aanzien van een erfdienstbaarheid specifiek bepaald: “Indien op het tijdstip waarop het heersende en het dienende erf één eigenaar verkrijgen, een derde een der erven in huur of pacht of uit hoofde van een ander persoonlijk recht in gebruik heeft, gaat de erfdienstbaarheid pas door vermenging teniet bij het einde van dit gebruiksrecht.”

4.3.

Op 20 juni 2006 heeft [Y], die in gemeenschap van goederen is gehuwd met [X], de eigendom verkregen van [straat] 1 te [plaats]. Vanaf die datum zijn [X] en [Y] zodoende zowel eigenaar van [straat] 1a als [straat] 1. De heersende en dienende erven hebben op die datum derhalve één eigenaar verkregen.

4.4.

Tot 20 juni 2006 was [Z] eigenaar van [straat] 1 te [plaats]. Als eigenaar had [Z] het meest omvattende recht op [straat] 1, een recht dat mede omvat het (exclusief) recht van gebruik (artikel 5:1 lid 2 BW) van [straat] 1. Als eigenaar van [straat] 1 mocht [Z] tevens gebruik maken van de weg tussen [straat] 1 en [straat] 1a, voor de helft van deze weg op grond van het recht van eigendom en voor de andere helft vanwege de in 2002 gevestigde erfdienstbaarheid.

In 2006 heeft [Y] de agrarische onderneming alleen voortgezet. In de akte van levering is onder meer opgenomen dat als onderdeel van de verdeling van de vennootschap de registergoederen, waarvan [Z] juridisch eigenaar was, worden overgedragen aan [Y] (zie 2.7). De akte van levering van 20 juni 2006 heeft dus tot gevolg dat het recht van gebruik, zoals voortvloeit uit het eigendomsrecht, overgaat van [Z] naar [Y]. De akte heeft echter gelijktijdig tot gevolg dat [Z] een persoonlijk recht van gebruik ten aanzien van de woning aan [straat] 1 verkrijgt.

In deze concrete situatie leidt dit er toe dat het persoonlijk recht van gebruik zoals opgenomen in de notariële akte van 20 juni 2006 een afgeleide en (gedeeltelijk) een voortzetting is van het recht dat [Z] voordien had op grond van artikel 5:1 lid 2 BW. De rechtbank is om die reden van oordeel dat [Z] – in dit geval – kwalificeert als een derde die één der erven uit hoofde van een persoonlijk recht in gebruik heeft als bedoeld in artikel 5:83 BW.

4.5.

Gelet op dit oordeel kan onbesproken blijven of ook [Q] kwalificeert als een derde met een persoonlijk recht van gebruik als bedoeld in artikel 5:83 BW.

4.6.

[X] en [Y] hebben slechts gesteld dat [Z] door gebruik te maken van de inrit waar de erfdienstbaarheid op ziet, inbreuk maakt op hun persoonlijke levenssfeer. Het recht van gebruik en bewoning als bedoeld in de akte van 20 juni 2006 omvat het recht van bewoning van het woonhuis [straat] 1 te [plaats], met recht van toegang naar de woning. Nu de erfdienstbaarheid van weg niet is tenietgegaan mag [Z] van de erfdienstbaarheid gebruik maken, zodat geen sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [X] en [Y]. Dat wordt niet anders indien [Z] een mogelijkheid heeft om zijn woning via een andere inrit te bereiken, al zou het gelet op de persoonlijke verhoudingen wel verstandig zijn indien [Z] zoveel als mogelijk de gezamenlijke inrit zou mijden. Het enkele gebruik van de inrit door [Z] kan er echter niet toe leiden dat sprake is van onrechtmatig handelen door [Z].

4.7.

De slotsom is dat de vorderingen van [X] en [Y] niet voor toewijzing in aanmerking komen. [X] en [Y] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Z] worden begroot op:

- griffierecht € 274,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.178,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [X] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [Z] tot op heden begroot op € 1.178,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen en in het openbaar uitgesproken op [12 februari] 2014.