Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5265

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
C/01/282409/JE RK 14-1242
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing, inhoudende afwijzing van het verzoek van moeder om beëindiging van de uithuisplaatsing van haar 7-jarige zoon en afwijzing van het verzoek van moeder om uitbreiding van de contactregeling met haar zoon.

Naar het oordeel van de meervoudige kamer heeft BJZ de verzoeken terecht afgewezen.

Moeder heeft niet voldaan aan de door BJZ op goede gronden gestelde eisen aan terugplaatsing van de minderjarige. Het door moeder overgelegde rapport van de BIG-geregistreerde psycholoog voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. Er moet dus nieuw onderzoek van moeder plaatsvinden.

Als de resultaten daarvan en van het onderzoek van de minderjarige bekend zijn, kan bezien worden of uitbreiding van het contact tussen moeder en de minderjarige aangewezen is. Het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing is afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 259 ev, geldigheid: 2014-09-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/282409 / JE RK 14-1242

Uitspraak : 9 september 2014

Beschikking van de meervoudige kamer betreffende het verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing in de zaak van:

[verzoekster]

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen: (de) moeder,

advocaat mr. M. Erkens,

tegen

BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT,

gevestigd te Oss,

hierna te noemen: de stichting.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift (met bijlagen) van moeder, ingekomen ter griffie op 31 juli 2014;

  • -

    de brief (met bijlage) d.d. 13 augustus 2014 van mr. Erkens;

  • -

    de brief (met bijlagen) d.d. 22 augustus 2014 van mr. Erkens;

  • -

    de brief (met bijlage) d.d. 25 augustus 2014 van mr. Erkens;

  • -

    de brief d.d. 26 augustus 2014 van de stichting.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [vader] ook wel aan te duiden als: (de) vader.

Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 26 augustus 2014. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mevrouw [gemachtigde] en de heer [gemachtigde]namens de stichting, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. K. Coenders-El Dahri.

Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De feiten

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk tussen de moeder en de vader is de navolgende minderjarige geboren:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

De ouders hebben het gezag over voornoemde minderjarige.

Bij beschikking van 29 maart 2013 is voornoemde minderjarige onder toezicht gesteld van de stichting. De ondertoezichtstelling is nadien bij beschikking van 27 maart 2014 met ingang van 29 maart 2014 verlengd voor de duur van een jaar.

Bij beschikking van 10 april 2014 heeft de rechtbank een ten opzichte van de echtscheidingsbeschikking van 18 maart 2011 gewijzigde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld. Deze beslissing houdt – kort gezegd – in dat het contact tussen de minderjarige en de vader in eerste instantie begeleid wordt, nadien onbegeleid plaatsvindt en daarna steeds meer uitgebreid wordt.

Bij beschikking van 10 juni 2014 heeft de kinderrechter machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een verblijf accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs met ingang van 10 juni 2014 voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van 26 juni 2014, verbeterd bij beschikking van 30 juni 2014, is de beschikking van 10 juni 2014 bekrachtigd en is de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs met ingang van 8 juli 2014 verlengd voor de duur van zes maanden.

Het verzoek

De moeder heeft op 11 juli 2014 aan de stichting gevraagd de uithuisplaatsing van de minderjarige te beëindigen vanwege gewijzigde omstandigheden. Als de stichting daartoe niet bereid is, dan wil moeder een omgangsregeling die frequenter is dan de huidige regeling.

Moeder heeft zich op 31 juli 2014 tot de rechtbank gewend met het verzoek de machtiging uithuisplaatsing per direct te schorsen, de (fictieve weigering tot een) aanwijzing vervallen te verklaren en de (fictieve) afwijzing van het verzoek te vernietigen, primair de duur van de machtiging uithuisplaatsing te beperken tot datum schorsing, of uitspraak of een andere beperking in goede justitie, subsidiair een omgangsregeling vast te stellen conform voorstel of een andere regeling in goede justitie die ruimer is dan de huidige regeling, en meer subsidiair de stichting op te dragen binnen 1 week een schriftelijke aanwijzing omgang te geven.

Bij brief van 7 augustus 2014 heeft de stichting moeder medegedeeld dat er geen redenen zijn om de uithuisplaatsing te beëindigen en dat naar de omgangsregeling nog gekeken zal worden.

Bij beschikking van 11 augustus 2014 is het verzoek tot schorsing van de uithuisplaatsing afgewezen.

De kinderrechter zal het verzoek van moeder, op 31 juli 2014 bij de rechtbank ingekomen, verstaan als gericht tegen de aanwijzing van de stichting van 7 augustus 2014.

Standpunten moeder, de stichting en vader

De moeder is primair van mening dat de beslissing van de stichting de toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet kan doorstaan. Verder is zij van mening dat het sinds de uithuisplaatsing slecht gaat met de minderjarige. Hij heeft last van bloedneuzen en nachtmerries, hij plast in bed en hij is een bleek, gesloten, stil en teruggetrokken jongetje geworden. Hij woont als gezond kind tussen kinderen met gedragsproblemen en dat is niet goed voor hem. Moeder, die inmiddels haar huisvesting op orde heeft, heeft verder persoonlijkheidsonderzoek door een BIG-geregistreerde psycholoog laten verrichten en daaruit is naar voren gekomen dat zij geen persoonlijkheidsstoornis heeft, maar wel een trauma heeft opgelopen. Uit de door dezelfde psycholoog uitgevoerde quick scan blijkt dat de minderjarige geen trauma heeft. Al deze omstandigheden dienen er volgens de moeder toe te leiden dat de minderjarige naar huis komt. Vanuit de thuissituatie kan nadere observatie en eventuele behandeling plaatsvinden.

Als de uithuisplaatsing niet wordt beëindigd wil de moeder een ruimere omgangsregeling. Het contact verloopt goed, maar is te weinig frequent en de minderjarige mist zijn moeder enorm.

De stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is de uithuisplaatsing te beëindigen. Er zijn aan moeder voorwaarden gesteld voor thuisplaatsing van de minderjarige. Een persoonlijkheidsonderzoek is één van die voorwaarden. Het onderzoek door psycholoog [naam psycholoog] is kwalitatief niet aan de maat. Zo is de anamnese onvolledig, worden trauma’s eerst als oorzaak aangegeven en vervolgens als diagnose gesteld, heeft de psycholoog ten onrechte onderzocht wat een goede opvoedsituatie voor de minderjarige zou zijn in plaats van onderzoek te doen naar eventuele persoonlijkheidsproblematiek bij moeder en de doorwerking daarvan op de minderjarige, en haalt de psycholoog observaties van GGZ ten onrechte als onderzoeksresultaat aan. Aan de conclusie van de psycholoog [naam psycholoog] kan dan ook geen betekenis worden toegekend. De stichting is van mening dat moeder moet meewerken aan nieuw onderzoek dat door de stichting betaald zal worden. Verder moet moeder nu eens echt gaan samenwerken met de stichting en dat betekent dat moeder de stichting niet moet blijven bestoken met mails, waarin tijdslimieten worden gesteld en dwangsommen worden aangekondigd.

Er is op dit moment geen reden om bij voortzetting van de uithuisplaatsing het contact tussen moeder en de minderjarige, zijnde een begeleid contact van twee uur per week en twee keer per week een belcontact, uit te breiden.

Ter zitting heeft de stichting aangegeven dat de samenwerking met moeder beter moet lopen, de omgang met vader moet worden opgestart, en er een persoonlijkheidsonderzoek, traumaverwerking en behandeling voor moeder dient te worden gestart bij een erkende therapeut, die bijvoorbeeld werkzaam is bij de GGZ. Het contact tussen moeder en [minderjarige] dient voorlopig nog begeleid plaats te vinden omdat nog niet voldoende duidelijk is in hoeverre [minderjarige] wordt beïnvloed door moeder. [minderjarige] geeft bij moeder aan nachtmerries te hebben maar dit wordt niet gezien op de groep. De stichting geeft aan dat het met [minderjarige] op dit moment best goed gaat. Hij ontwikkelt zich goed op de [instelling]. Volgens de stichting is traumabehandeling van [minderjarige] nodig. Hiervoor dient wel eerst rust te ontstaan. [minderjarige] is aangemeld bij [instelling] voor onderzoek.

De vader is van mening dat het verzoek van moeder tot beëindiging van de uithuisplaatsing moet worden afgewezen. Het onderzoek door de psycholoog [naam psycholoog] deugt niet. De psycholoog woont in [buitenland] en het onderzoek is via Skype gedaan. Er is ook geen reden voor uitbreiding van het contact tussen moeder en de minderjarige. De moeder heeft een negatieve invloed op de minderjarige.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:259 BW kan de kinderrechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

De rechtbank stelt voorop dat zij niet het standpunt van moeder deelt dat de beslissing van de stichting tot niet-beëindiging van de uithuisplaatsing en niet-uitbreiding van de contactregeling de toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet kan doorstaan.

De rechtbank is verder van oordeel dat de stichting het verzoek om beëindiging van de uithuisplaatsing terecht heeft afgewezen. Niet alleen is de observatie van de minderjarige nog in volle gang, moeder heeft ook niet aan de voorwaarden voldaan die de stichting aan haar heeft gesteld - en naar het oordeel van de rechtbank heeft mogen stellen - om een terugplaatsing van de minderjarige of een observatie van de moeder en de minderjarige in een andere setting mogelijk te maken. Moeder heeft weliswaar onderzoek laten doen door een BIG-geregistreerde psycholoog, maar dit onderzoek voldoet niet aan de ter zake te stellen eisen. De rechtbank onderschrijft dienaangaande de kritiek van de stichting dat sprake is van een onvoldoende kritisch en objectief onderzoek en een rommelige verslaglegging die niet inzichtelijk maakt in welke volgorde de onderzoeken hebben plaatsgevonden en op welke wijze zij elkaar hebben beïnvloed. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de conclusie onvoldoende gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde onderzoeksresultaten. Daar komt bij – zulks staat vast – dat de onderzoeker uitsluitend via Skype met de moeder heeft gesproken. Van persoonlijk contact tussen de moeder en de onderzoeker is geen sprake geweest en dat had, waar het hier gaat om een persoonlijkheidsonderzoek in het kader van de vraag of de minderjarige weer naar huis kan, wel moeten plaatsvinden.

Het vorenstaande betekent dat er nieuw onderzoek van moeder zal moeten plaatsvinden. De stichting en moeder zullen moeten overleggen over de onderzoeksvragen en de persoon van de onderzoeker, met dien verstande dat de stichting als opdrachtgever het laatste woord heeft. Het komt de rechtbank geraden voor dat de onderzoeksresultaten bekend zijn op

18 december 2014, op welke datum ter zitting het aangehouden deel van het verzoek van

10 juni 2014 behandeld zal worden.

De rechtbank is verder van oordeel dat er thans geen redenen zijn om uitbreiding te geven aan het contact tussen moeder en de minderjarige. Eerst wanneer de resultaten van de onderzoeken van moeder en de minderjarige bekend zijn, kan bezien worden of uitbreiding aangewezen is.

De rechtbank merkt verder nog op dat moeders betrokkenheid zich uit in de vorm van vele telefoontjes en mails naar de gezinsvoogd en dat gebleken is dat dat vertragend werkt, hetgeen de rechtbank niet in het belang van de minderjarige acht.

Op grond van het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 7 augustus 2014 af.

Deze beschikking is gegevens door mr. J.W. Brunt, mr. P.P.M. van Reijsen en

mr. G.H. de Heer-Schotman, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.

Conc: jwb

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden,binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.