Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5261

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
180181 / HA ZA 08-1715
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

huwelijksgoederengemeenschap

waardering intrinsieke aandelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: 180181 / HA ZA 08-1715

Vonnis van 10 september 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M.A.J. Kemps te Eindhoven,

tegen

1 [gedaagde sub 1]

wonende te [woonplaats]

gedaagde sub 1,

advocaat mr. M.L.A. van Opstal te ‘s-Hertogenbosch,

en tegen

2. de besloten vennootschap

[bedrijf] MANAGEMENT B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats]

gedaagde sub 2,

advocaat mr. M.L.A. van Opstal te ’s-Hertogenbosch,

en tegen

3 de besloten vennootschap [bedrijf] B.V.,

statutair gevestigd te [woonplaats]

gedaagde sub 3,

advocaat mr. M.L.A. van Opstal te ‘s-Hertogenbosch,

hierna te noemen [gedaagde sub 1], [bedrijf] Management en [bedrijf].

als vervolg op het tussenvonnis van 29 februari 2012.

1 De verdere procedure vanaf het vonnis van 17 augustus 2011

1.1.

Bij vonnis van 17 augustus 2011 heeft de rechtbank een deskundigenbericht bevolen, tot deskundige benoemd de heer[deskundige] en hem opgedragen om aan de rechtbank schriftelijk een met redenen omkleed bericht uit te brengen omtrent de hierna opgenomen vragen.

1.2.

Op 24 augustus 2011 heeft de bij vonnis van 28 juli 2010 bevolen comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt en bij welke gelegenheid zijdens [eiseres] is gesteld dat zij de vorderingen tegen [bedrijf] B.V., [bedrijf] B.V. [bedrijf] B.V. en [bedrijf] B.V. zal intrekken, nadat door die partijen daartoe toestemming is verleend.

1.3.

Bij rolbeslissing van 28 december 2011 heeft de rechtbank, naar aanleiding van de vraag van de deskundige over de door hem te hanteren waarderingsgrondslag, aangegeven dat het wenselijk is dat hij voortborduurt op de door de eerdere in deze zaak benoemde deskundige [deskundige] gehanteerde intrinsieke waarderingsgrondslag en partijen in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over de te hanteren waarderingsgrondslag.

1.4.

Bij vonnis van 29 februari 2012, aangevuld en verbeterd bij herstelvonnis van 2 mei 2012, heeft de rechtbank de vorderingen tegen [bedrijf] B.V., [bedrijf] B.V. [bedrijf] B.V. en [bedrijf] B.V. als ingetrokken beschouwd, [eiseres] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van die partijen en iedere verdere beslissing in de zaak van [eiseres] tegen [gedaagde sub 1], [bedrijf] Management en [bedrijf] aangehouden.

1.5.

Bij rolbeslissing van 14 maart 2012 heeft de rechtbank geoordeeld over de door partijen ingenomen standpunten over de door de benoemde deskundige te hanteren waarderingsgrondslag en beslist dat hij dient voort te borduren op de door de deskundige [deskundige] eerder gehanteerde intrinsieke waarderingsgrondslag.

1.6.

Op 5 september 2012 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt en bij welke gelegenheid onder meer de zijdens [eiseres] ingediende producties 73 tot en met 76 zijn besproken, uit welke producties volgens [eiseres] blijkt dat op de peildatum [gedaagde sub 1] een verlengd optierecht had op de resterende aandelen in

[bedrijf].

1.7.

Op 5 augustus 2013 heeft de deskundige de heer[deskundige] zijn bericht uitgebracht en gedeponeerd ter griffie van de rechtbank.

1.8.

[eiseres] heeft een conclusie na deskundigenbericht tevens akte wijziging en vermeerdering van de eis en de gronden tevens akte in het geding brengen productie genomen. Zij heeft de conclusies van de deskundige tot de hare gemaakt en op grond daarvan haar eis als volgt gewijzigd.

Wijziging eis.

1.9.

Zij vordert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) [gedaagde sub 1], [bedrijf] Management en [bedrijf] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseres] een bedrag te voldoen ad € 963.586,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2008;

2) te verklaren voor recht dat de intrensieke waarde van de aandelen [bedrijf] Management per 13 augustus 2007 € 1.388.506,00 bedraagt;

3) te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de door [eiseres] gemaakte beslagkosten en de kosten van gerechtelijke bewaring en dat [gedaagde sub 1] gehouden is om die kosten aan [eiseres] te vergoeden;

4) [gedaagde sub 1], [bedrijf] Management en, naar de rechtbank begrijpt, [bedrijf] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten met de bepaling dat zij de wettelijke rente over deze proceskosten verschuldigd zijn indien deze niet binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis aan [eiseres] zijn voldaan.

1.10.

[gedaagde sub 1] heeft een antwoordconclusie na deskundigenbericht tevens antwoordakte wijziging en vermeerdering van de eis en gronden genomen en niet alle conclusies die door de deskundige in zijn rapport zijn getrokken tot de zijne gemaakt. Volgens [gedaagde sub 1] heeft de deskundige een aantal nader te noemen fouten gemaakt, heeft hij uitgangspunten gehanteerd die slechts voortkomen uit giswerk en is hij niet volledig consequent in de toepassing van zijn berekenmethode voor de situatie ten tijde van de peildatum.

1.11.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna worden ingegaan.

1.12.

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank blijft bij het in haar vonnis van 28 juli 2010 opgenomen oordeel dat [gedaagde sub 1] een deel van de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management bewust heeft verzwegen en/of verborgen gehouden en dat gedeelte van de waarde daarom aan [eiseres] verbeurt. Ter vaststelling van de hoogte van het door [gedaagde sub 1] verbeurde aandeel heeft de deskundige, mede aan de hand van de door de rechtbank gestelde vragen, onderzoek gedaan naar de intrinsieke waarde van de aandelen in [bedrijf] Management per peildatum (13 augustus 2007). Daarbij is rekening gehouden met de omgeleide omzet en de deelnemingen van deze vennootschap in andere vennootschappen. Hij heeft zijn uitgangspunten, zienswijze en conclusies opgenomen in zijn rapport dat op 5 augustus 2013 ter griffie is gedeponeerd.

2.2.

De deskundige is voor het begrip intrinsieke waarde uitgegaan van de volgende definitie: “De actuele waarde van de totale bezittingen minus de actuele waarde van de totale schulden en voorzieningen”. Hierbij wordt, aldus de deskundige, als uitgangspunt het verschil tussen de boekwaarde van alle bezittingen en alle schulden genomen, zoals uit de jaarrekening blijkt (door middel van het zichtbaar eigen vermogen). De boekwaarde van de bezittingen en schulden wijkt in veel gevallen echter af van de actuele waarde. Het verschil tussen de actuele waarde en de boekwaarde wordt gedefinieerd als ‘stille reserve’.

2.3.

De deskundige heeft door gebruik te maken van verschillende informatiebronnen, zoals jaarrekeningen, de Kamer van Koophandel, aangiftes vennootschapsbelasting en [gedaagde sub 1] zelf, de juridische structuur per peildatum van de bij hem bekende entiteiten in relatie tot [gedaagde sub 1] vastgesteld. Volgens de deskundige neemt:

- [bedrijf] Management, telkens voor 50%, deel in [bedrijf] B.V., [bedrijf]

Investerigsmaatschappij B.V. en [bedrijf] en heeft

[bedrijf] Management een 100% economisch belang in [bedrijf];

- [bedrijf] voor 5% deel in [bedrijf];

- [bedrijf] voor 20% deel in [bedrijf] B.V. en voor 33,33% in [bedrijf] Investments B.V. (hierna:

[bedrijf] Investments);

- [bedrijf] Investments voor 34% deel in [bedrijf] B.V., voor 10% deel in [bedrijf] Holding B.V.,

voor 23,75% in [bedrijf] Holding B.V., voor 56,25% in [bedrijf], voor

16% in [bedrijf] B.V., voor 31,67% deel in [bedrijf],

voor 100% in [bedrijf] II B.V., voor 60% in [bedrijf] I B.V., voor 75% in

[bedrijf] Holding B.V. en voor 75% in [bedrijf] Investments B.V.

2.4.

De deskundige heeft in zijn rapport de resultaten van zijn onderzoek naar de intrinsieke waarde van ieder van voormelde vennootschappen opgenomen en op basis daarvan de vragen van de rechtbank als volgt beantwoord.

De door de rechtbank gestelde vragen en de antwoorden daarop van de deskundige.

2.4.1.

Door [gedaagde sub 1] is een omzet van resp. € 54.740,00 en € 513.628,13 omgeleid. In

welke mate is hierdoor de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management

beïnvloed? Met welk bedrag is deze omleiding de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management ten opzichte van de eerdere waardering zoals berekend naar aanleiding van vraag 13 verhoogd dan wel verlaagd?

Antwoord:

De mutatie op de intrinsieke waarde van [bedrijf] Management als gevolg van de

omgeleide omzet van € 54.740 en € 513.628 is bepaald in paragraaf 4.18. Uitgaande van een

gelijkmatig verloop van het resultaat gedurende 2007 zou de totale impact van de

omzetomleiding per 13-08-2007 € 271.076 bedragen. Het bedrag dat hierboven is berekend

betreft de totale aanpassing op de intrinsieke waarde van [bedrijf] Management. Hierbij is,

onder andere, reeds rekening gehouden met alle in vraag 13 genoemde deelnemingen, banksaldi

en overige vermogensbestandsdelen.

Naar aanleiding van het onderzoek voortvloeiend uit vraag 12 blijkt dat [bedrijf]

Management een optierecht heeft op de aandelen [bedrijf] waardoor bij uitoefening een

economisch belang ontstaat van 100%. De omleiding van de omzet via [bedrijf] heeft na

uitoefening van de optierechten geen effect op de waarde van [bedrijf] Management.

Omleiding naar [bedrijf] komt namelijk volledig ten goede aan [bedrijf] Management.

Uitsluitend de omgeleide omzet via [bedrijf] is dan nog relevant en bedraagt € 37.497 ( zie

4.18.3).

§ 31-12-2006 31-12-2007 13-8-2007

Mutatie intrinsieke waarde [bedrijf] als gevolg van omleiding omzet [ 4.18] 37.497 37.497 37.497

2.4.2.

Is de inhoud van de op 31 juli 2008 in beslag genomen gegevens en/of gegevensdragers van invloed op de waardering van de aandelen in [bedrijf] Management per 13 augustus 2007 en zo ja, wat is die invloed? Bevatten de gegevens en/of gegevensdragers informatie over vermogensbestanddelen van [gedaagde sub 1] en/of [bedrijf] Management, en zo ja, welke informatie en welke invloed heeft dat op de waarde van de aandelen van [gedaagde sub 1] in [bedrijf] Management en/of het vermogen van [gedaagde sub 1]? Wijken deze vermogensbestanddelen af van de door [gedaagde sub 1] opgestelde vermogensstaat wat samenstelling en waarde betreft? Indien er sprake is van afwijking, wilt u deze dan specificeren?

Antwoord:

In paragraaf 4.19 is nader ingegaan op de in beslag genomen gegevens en gegevensdragers.

Hierbij is een overzicht opgenomen van de gebruikte documenten die hierin zijn aangetroffen.

Op basis van één van deze documenten is de waarde van één van de deelnemingen van

[bedrijf] lnvestments aangepast. De impact hiervan op de waarde van [bedrijf] Management is

bepaald op € 247.893 per 13-08-2007.

§ 12/31/2006 12/31/2007 8/13/2007

Mutatie intrinsieke waarde [bedrijf] [4.19] 358,808 178,879 247,893

2.4.3.

Correspondeert de vaststellingsovereenkomst van [gedaagde sub 1] met de belastingdienst met

de door de belastingdienst opgelegde aanslagen Inkomstenbelasting 2002, 2003 en 2004? Zijn dit definitieve aanslagen en zijn deze aanslagen aangepast naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in paragraaf 4.8. Hieruit blijkt dat de aanslagen

inkomstenbelasting voor de jaren 2002 en 2003 gelijk zijn aan de bedragen in de

vaststellingsovereenkomst. Met betrekking tot het jaar 2004 is er sprake van een verschil van

€ 14.720.

Zijn dit definitieve aanslagen en zijn deze aanslagen aangepast naar aanleiding van de

vaststellingsovereenkomst?

De opgelegde aanslagen betreffen een ‘uitspraak op bezwaar’. In dit document wordt verwezen

naar eerdere opgelegde aanslagen. Dit suggereert dat er eerder sprake is geweest van aanslagen

inkomstenbelasting en dat deze zijn bijgesteld naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst.

2.4.4.

[gedaagde sub 1] heeft een vordering in privé op [bedrijf] van € 178.303,00. Wanneer en op welke wijze is deze vordering tot stand gekomen? Zijn er schriftelijke overeenkomsten die aan deze vordering ten grondslag liggen en zo ja welke?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in paragraaf 4.9. Uit onze analyse blijkt een

vordering van [gedaagde sub 1] in privé op [bedrijf] van € 178.303. Deze vordering is tot stand gekomen als

gevolg van een tweetal betalingen die bestemd waren voor [gedaagde sub 1] maar zijn voldaan aan [bedrijf].

Deze betalingen zijn gedaan eind februari 2005. Van [gedaagde sub 1] heb ik begrepen dat hier geen

schriftelijke overeenkomsten aan ten grondslag liggen.

2.4.5

[bedrijf] Management heeft een vordering op [bedrijf] B.V. van

€ 186.008,00. Wanneer en of op welke wijze is deze vordering tot stand gekomen? Zijn er

schriftelijke overeenkomsten die aan deze vordering ten grondslag liggen en zo ja welke?

Heeft er in het kader van deze vordering een fysieke geldstroom plaatsgevonden en zo ja, ter

hoogte van welk bedrag?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in paragraaf 4.10. Uit de analyse blijkt dat

[bedrijf] Management geen vordering van € 186.008 heeft op [bedrijf]. Het bedrag van

€ 186.008 is becijferd in één van de processtukken en betreft de netto impact op het privé

vermogen van [gedaagde sub 1] van een omgeleide omzet van € 522.605 middels [bedrijf] (zie ook

vraag 8). Er is geen sprake van schriftelijke overeenkomsten en/of een fysieke geldstroom.

2.4.6.

Is het juist dat [bedrijf] Management in 2004 een bedrag heeft betaald

aan de heer [naam] van circa € 100.500,00? Zijn er schriftelijke overeenkomsten die

aan deze betaling ten grondslag liggen? Is er door [naam] een tegenprestatie(s) geleverd, en

zo ja, om welke tegenprestatie(s) gaat het? Voor zoveel de door [naam] geleverde

tegenprestatie ziet op de levering van aandelen, zijn die aandelen doorgeleverd, en zo ja aan

wie? Heeft doorverkoop tegen een reële prijs plaatsgevonden en zo ja, tegen welke prijs?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in paragraaf 4.11. Uit een door [gedaagde sub 1]

toegezonden overeenkomst blijkt dat [bedrijf] Management in november 2004 de

vennootschap [bedrijf] Holding B.V. heeft overgenomen van de heer [naam] voor een koopsom

van € 100.000.

Voor zoveel de door [naam] geleverde tegenprestatie ziet op de levering van aandelen, zijn die

aandelen doorgeleverd, en zo ja aan wie? Heeft doorverkoop tegen een reële prijs

plaatsgevonden en zo ja, tegen welke prijs?

De aandelen [bedrijf] Holding B.V. zijn door [bedrijf] Management in eerste instantie

verkocht aan [bedrijf] B.V. en [bedrijf] BV. Deze vennootschappen hebben vervolgens [bedrijf]

Holding B.V. doorverkocht aan [bedrijf] lnvestments voor een bedrag van € 1. Op basis van de

beschikbare informatie kan geen sluitende conclusie worden getrokken met betrekking tot een

reële transactieprijs. Wel lijkt het erop dat [bedrijf] Management geen financieel risico

heeft gelopen bij de transactie omtrent [bedrijf] Holding BV., op basis waarvan een doorlevering

van € 1 niet opmerkelijk is.

2.4.7.

Wat is de waarde van de aandelen [bedrijf] per 13 augustus 2007 inclusief de omgeleide omzet van € 513.628,13 en exclusief die omgeleide omzet?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in paragraaf 4.12. Uit de analyse blijkt een

intrinsieke waarde van de aandelen [bedrijf] inclusief omgeleide omzet van € 384.414 per

13-08-2007. Exclusief omgeleide omzet is de intrinsieke waarde per 13-08-2007 bepaald op

€ 142.567.

§ 31-12-2006 31-12-2007 13-8-2007

Intrinsieke waarde aandelen [bedrijf] inclusief omgeleide omzet [4.12] 288.142 444.316 384.414

Intrinsieke waarde aandelen [bedrijf] exclusief omgeleide omzet 14.12] 46.295 202.469 142.567

Zoals is toegelicht bij vraag 1 blijkt dat door het bestaan van optierechten op aandelen[bedrijf]

[bedrijf] de omgeleide omzet via [bedrijf] niet leidt tot een waarde-effect voor [bedrijf]

Management. Met de optierechten heeft [bedrijf] Management immers een 100%

economisch belang in [bedrijf]. Omleiding van omzet via een 100% deelneming heeft geen

impact op de waarde.

2.4.8.

Kan de deskundige bezien of er met behulp [bedrijf] meer omzet is omgeleid dan hierboven is vermeld en zo ja, waar blijkt dat uit en om welk bedrag gaat het?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in paragraaf 4.13. Op basis van de

processtukken is het aannemelijk dat [gedaagde sub 1] met behulp van [bedrijf] niet de genoemde

€ 513.628 aan omzet heeft omgeleid, maar € 522.605. Dit bedrag wordt namelijk als zodanig

door [gedaagde sub 1] beschreven in de aantekeningen mondelinge behandeling/comparitie d.d.11-11-2009.

Zoals is toegelicht bij vraag 1 heeft de omgeleide omzet via [bedrijf] geen effect op de

waarde van [bedrijf] Management omdat zij vanwege haar optierechten een 100%

economisch belang heeft in [bedrijf].

2.4.9.

De aandelen in het kapitaal van [bedrijf] zijn op 30 november 2004 geleverd aan [bedrijf] B.V. en [bedrijf] Management. Geven de stukken met betrekking tot de aandelenoverdracht aanleiding tot vraagtekens over die overdracht en/of de financiële afwikkeling daarvan, waardoor de vermogensopstelling van de man onjuist of onvolledig is en zo ja, welke vraagtekens? De man dient ter beantwoording van die vraag de stukken zoals genoemd in het post alia proces-verbaal van 21 januari 2009 over te leggen.

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in paragraaf 4.14. De leveringsakte aandelen

[bedrijf] per 30-11-2004 leidt niet tot vraagtekens. Ik heb uit deze leveringsakte kunnen

herleiden dat [bedrijf] Management een vordering van nominaal € 501.852 heeft verkregen

voor een bedrag van € 1. Op het moment van de transactie was dit een reële prijs, het betrof

immers een lege vennootschap zonder activiteiten en zonder vermogen. Echter, door de

activiteiten (waaronder de omgeleide omzet) in [bedrijf] is deze vordering incasseerbaar

geworden en is er een voordeel ontstaan voor [bedrijf] Management. Dit voordeel is

meegenomen in de bepaling van de Intrinsieke waarde van [bedrijf] Management.

2.4.10.

Over welke boekjaren vanaf 2004 tot 13 augustus 2007 zijn er definitieve aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd aan [bedrijf]? Sluiten de aangiftes omzetbelasting aan bij de aangiftes vennootschapsbelasting?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in paragraaf 4.15. In het jaar 2004 was de

vennootschap niet actief en is er geen beschikking over aangiften vennootschapsbelasting en

omzetbelasting. Met betrekking tot de jaren 2005 en 2006 heb ik de omzetcijfers in de aangiften

vennootschapsbelasting en omzetbelasting vergeleken. Hieruit is een verschil gebleken van

€ 1.512 in 2005 en € 13.635 in 2006. In 2007 is de omzet in zowel de aangifte

vennootschapsbelasting als omzetbelasting € 0.

2.4.11.

Wat is de invloed van de [bedrijf] Investments en diens rechtsvoorganger(s) en/of rechtsopvolgers tot 13 augustus 2007 op de waarde van de aandelen [bedrijf] Management en/of [bedrijf] en/of [gedaagde sub 1]?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in paragraaf 4.16. Uit de analyse blijkt een impact

van [bedrijf] lnvestments op de intrinsieke waarde van [bedrijf] per 13-08-2007 van € 692.511. De

impact op de intrinsieke waarde [bedrijf] is eveneens € 692.511. Na aftrek van aanmerkelijk

belang belasting (25%) resteert een privé impact van € 519.383.

§ 12/31/2006 12/31/2007 8/13/2007

impact op intrinsieke waarde [bedrijf] [4.16] 594,952 753,213 692,511

impact op intrinsieke waardeTaxandriahof [4.16] 594,952 753,213 692,511

Impact op privé vermogen de heer [gedaagde sub 1] [4.16] 446,214 564,910 519,383

2.4.12.

Beschikte [gedaagde sub 1] en/of [bedrijf] Management en/of [bedrijf] en/of

[bedrijf] Investments B.V. en/of [bedrijf] B.V. per 13 augustus 2007 over opties op het verkrijgen van aandelen in een of meerdere vennootschappen? Wat is de waarde van die opties en welke invloed hebben deze opties?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in paragraaf 4.17. Uit de analyse blijkt dat [gedaagde sub 1]

per 13-08-2007 een optie bezit in relatie tot [bedrijf]. Ik heb met betrekking tot deze optie

verzocht om nadere informatie. Deze informatie heb ik op 24 april 2013 ontvangen van [gedaagde sub 1]. Uit

de ontvangen informatie leid ik af dat de waarde van deze optie nihil bedraagt.

Naast de eerder genoemde optie heb ik een optie-overeenkomst aangetroffen van [bedrijf] lnvestments met

betrekking tot de vennootschap [bedrijf] Holding. Uit de overeenkomst blijkt een geschatte

waarde van deze optie van € 1.500.000 per 18-07-2008. De optie dateert echter van 18-07-2008 en is

derhalve per 13-08-2007 niet in bezit van een van de genoemde partijen. Op basis van deze

overeenkomst is de waarde van het aandelenbelang van [bedrijf] lnvestments in [bedrijf] Holding

per de peildatum geschat op €1.000.000. Voorts beschikte [bedrijf] Management BV over een

optie-overeenkomst om alle uitstaande aandelen in [bedrijf] te verwerven voor €1. De optie-

overeenkomst liep af op 15 december 2006. Naast de optie-overeenkomst beschikte [bedrijf]

Management over een Addendum bij de optie-overeenkomst waardoor de overeenkomst verlengd

werd tot 15 december 2007. Voor de status van dit document wordt verwezen naar het Proces Verbaal

van de rechtbank van de zitting op 5-9-2012. Voor het deskundigenbericht wordt ervan uitgegaan dat

de authenticiteit van dit document niet ter discussie staat. Deze optie heeft ertoe geleid dat in de

berekeningen wordt uitgegaan van een 100% economisch belang van [bedrijf] Management in

[bedrijf].

2.4.13.

Wat is de totale waarde van de aandelen in de besloten vennootschap [bedrijf] Management per 10 augustus 2007, rekening houdend met alle op die peildatum bestaande deelnemingen van deze vennootschap, de banksaldi en alle antwoorden op bovengenoemde vragen?

Antwoord:

In antwoord op deze vraag ben ik net als bij de overige vragen er vanuit gegaan dat hier in plaats

van 10-08-2007 wordt bedoeld 13-08-2007. De impact van deze aanpassing is overigens nihil.

Het antwoord op deze vraag is nader uitgewerkt in de paragrafen 4.4 tot en met 4.7. De totale

waarde van de aandelen [bedrijf] Management is per 13-08-2007 bepaald op € 1.388.506

§ 12/31/2006 12/31/2007 8/13/2007

Intrinsieke waarde [bedrijf] Management [4.7] 1,312,823 1,435,597 1,388,506

2.4.14.

Wenst de deskundige eigener beweging nog nadere opmerkingen te maken?

Antwoord:

Voor de toepassing van de Intrinsieke Waarde ten behoeve van de waardering van [bedrijf]

Management en de onderliggende deelnemingen heb ik op basis van de ons ter beschikking

gestelde informatie schattingen gemaakt van eventuele stille reserves.

Daarbij is vooral aandacht besteed aan de balansposten “deelnemingen” en “vorderingen”. Voor

wat betreft de materiele vaste activa die gewaardeerd zijn tegen actuele waarde heb ik

verondersteld dat eventuele stille reserves besloten liggen in de betreffende boekwaarden.

Daarmee meen ik dat het belangrijkste deel van eventueel aanwezige stille reserves in mijn

onderzoek zijn betrokken. Voor de overige activa en passiva heb ik stille reserves niet aanwezig

verondersteld op basis van de mij ter beschikking gestelde informatie.

Op 12 februari 2013 heb ik een optie-overeenkomst ontvangen van [gedaagde sub 1] waaruit blijkt dat het

belang van 4,6875% in [bedrijf] op de peildatum in economische zin 100% bedroeg. De

materialiteit van eventuele stille reserves is daardoor veranderd. Op basis van de mij ter

beschikking gestelde informatie kom ik thans niet tot andere conclusies met betrekking tot de stille

reserves. Echter, indien de rechtbank het noodzakelijk acht, zou het onderzoek verder kunnen

worden uitgebreid om eventuele stille reserves in onderliggende vennootschappen zichtbaar te

maken. Dit overigens zonder garantie dat deze ook aanwezig zijn of dat informatie daarover per de

peildatum beschikbaar is.

2.5.

De rechtbank volgt, nu de door de deskundige in zijn rapport gebezigde motivering haar overtuigend voorkomt, de door de deskundige gehanteerde uitgangspunten en zijn zienswijze bij de beantwoording van de door rechtbank gestelde vragen, zoals hiervoor in 2.4.1 tot en met 2.4.14 weergegeven en maakt de conclusies waartoe de deskundige in zijn rapport is gekomen tot de hare. De zijdens [gedaagde sub 1] tegen het rapport aangevoerde bezwaren leiden op grond van de navolgende overwegingen niet tot een ander oordeel.

2.6.

Volgens [gedaagde sub 1] hanteert de deskundige een dubbeltelling, omdat het bedrag van

€ 54.740,00 aan via [bedrijf] omgeleide omzet al is meegenomen in het bedrag van

€ 517.624,00 aan via [bedrijf] omgeleide omzet. [gedaagde sub 1] heeft de deskundige in het bezit gesteld van factuur nr. 200501 van [bedrijf] aan [bedrijf] ten bedrage van € 109.908,00. De betreffende omzet is aanvankelijk op 30 september 2004 door [bedrijf] gedeclareerd aan [bedrijf] BV en vervolgens weer door [bedrijf] aan [bedrijf], naar de rechtbank begrijpt, als onderdeel van de factuur nr. 200501 ten bedrage van € 109.908,00. Het bedrag van € 54.740,00 is daarmee volgens [gedaagde sub 1] uiteindelijk in [bedrijf] terecht gekomen als onderdeel van de via [bedrijf] omgeleide omzet van € 517.624,00.

2.7.

De rechtbank overweegt dat zij in haar tussenvonnis heeft geoordeeld dat er via [bedrijf] B.V. een bedrag van € 54.740,00 is omgeleid. De deskundige heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij aan dit oordeel gebonden is en daarom de door [gedaagde sub 1] gewenste correctie niet kan aanbrengen.

2.8.

[gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat er een correctie op de intrinsieke waarde van [bedrijf] Investments B.V. (hierna: [bedrijf] Investments) met een bedrag van € 40.832,00 dient te worden aangebracht en voert daartoe het volgende aan.

2.8.1.

De deskundige heeft in antwoord op het bezwaar tegen de waardering van vorderingen aangegeven voor een pragmatische insteek te hebben gekozen. Voor een meer diepgaande analyse van de vorderingen is het volgens de deskundige noodzakelijk om de bedrijfsactiviteiten te beoordelen, inclusief de prognoses. In feite zegt de deskundige hier dat hij de waarde van de vorderingen niet kan beoordelen, wanneer hij geen diepgaand onderzoek doet. Het is dan de vraag hoe de deskundige is gekomen tot een opwaardering van de vordering van [bedrijf] Investments op [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]) van

€ 1,00 naar € 75.000,00.

2.8.2.

Het geconsolideerde vermogen van [bedrijf] bedroeg op het moment dat de vordering voor € 1 gekocht werd circa € 348.000,00 negatief. Het bedrijf had de jaren ervoor zware verliezen geleden, ook over 2007 was de kasstroom negatief, zodat er niet op de lening van [bedrijf] Investments van € 75.000,00 kon worden afgelost. Van de deelnemingen van [bedrijf] was er nog slechts één actief, te weten [bedrijf] B.V., die in 2010 failliet ging. Dit alles is de deskundige bekend.

2.8.3.

Na tijdsverloop bedraagt het eigen vermogen van [bedrijf] B.V. op de peildatum € 77.947 negatief. Uitgangspunt van de deskundige is dat bij het negatief vermogen de betreffende vordering op nul moet worden gesteld. Dat betekent dat ook volgens het eigen systeem van de deskundige de betreffende vordering op nul moet worden gesteld en dat de intrinsieke waarde van [bedrijf] Investments moet worden gecorrigeerd met een bedrag van € 40.832.

2.9.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

2.9.1.

De deskundige heeft in 5.2. van het rapport in antwoord op het bezwaar van [gedaagde sub 1] met betrekking tot de waardering van de vordering van [bedrijf] Investments op [bedrijf] op € 75.000 verwezen naar 4.2.3. van zijn rapport. Daarin is de waarderingsmethode van de vorderingen beschreven. Daaruit blijkt dat hij, zoals [gedaagde sub 1] ook stelt, gekozen heeft voor een pragmatische insteek (passend bij de gekozen methodiek van intrinsieke waarde) en bij een negatief eigen vermogen van de betreffende vennootschap de intrinsieke waarde inderdaad bepaalt door het negatieve vermogen te verrekenen met de nominale waarde van de vordering.

2.9.2.

In 4.4.8. van het rapport heeft de deskundige aangegeven waarom hij van een positief eigen vermogen van [bedrijf] is uitgegaan. Hij heeft bij het opstellen van de cijfers opgemerkt dat het eigen vermogen en het resultaat van de geconsolideerde jaarrekening niet aansluit bij het eigen vermogen en het resultaat uit de vennootschappelijke jaarrekening. Dit verschil wordt volgens hem verklaard door het negatieve eigen vermogen van een aantal van de deelnemingen van [bedrijf]. Voor zijn berekeningen heeft hij vervolgens aansluiting gezocht bij de (positieve, toevoeging rechtbank) vennootschappelijke cijfers.

2.9.3.

In 4.2.3. van het rapport heeft hij aangegeven dat het voor een meer diepgaande analyse van de vorderingen noodzakelijk is om de bedrijfsactiviteiten te beoordelen inclusief de prognoses en dat de door [gedaagde sub 1] bij zijn bezwaar bijgesloten brief van de Rabobank over [bedrijf] dateert van na de peildatum. Verder wordt, aldus de deskundige, in die brief van de Rabobank verwezen naar prognoses van 27 april 2007, die volgens het bestuur van [bedrijf] op 9 oktober 2007 nog steeds van kracht waren en heeft [gedaagde sub 1] er niet voor gekozen om hem de relevante informatie voor de beoordeling van de waarde van de vordering te verstrekken. De deskundige komt mede daarom niet tot een andere conclusie.

2.9.4.

[gedaagde sub 1] heeft in reactie hierop gesteld dat het de taak van de deskundige is om, indien er informatie zoals bijvoorbeeld voormelde prognose wordt gemist, door te vragen. De rechtbank kan [gedaagde sub 1] hierin niet volgen en is met de deskundige van oordeel dat het aan [gedaagde sub 1] is om bij zijn bezwaar meteen alle relevante informatie te verstrekken. Overigens valt niet in te zien hoe de betreffende prognose voor de deskundige tot een ander oordeel zou dienen te leiden, nu die prognose volgens [gedaagde sub 1] positief was. Daar kan niet aan af doen dat, zo begrijpt de rechtbank [gedaagde sub 1], de prognose ten behoeve van het overleg met de Rabobank niet de werkelijkheid weergaf.

2.9.5.

Op grond van al het vorenstaande acht de rechtbank het bezwaar van [gedaagde sub 1] ongegrond.

2.10.

[gedaagde sub 1] heeft de navolgende bezwaren tegen de waardering door de deskundige van de aandelen in [bedrijf] Holding B.V. (hierna: [bedrijf]).

2.10.1.

De vennootschap leed in 2006 en 2007 verliezen. Ook de rechtsvoorganger maakte verliezen. Alleen ten gevolge van de geactiveerde goodwill was het vermogen positief. Hieruit wordt volgens [gedaagde sub 1] duidelijk dat de activering van goodwill op de balans van [bedrijf] slechts heeft plaatsgevonden om optische redenen.

2.10.2.

In feite zijn de bedrijfsactiviteiten eenvoudigweg van het ene dochterbedrijf,[bedrijf] Nederland B.V., aan het andere, [bedrijf], verkocht, waardoor men zelf de waarde en de omvang van de te activeren goodwill kon bepalen; de overgang van het ene dochterbedrijf naar het andere maakte voor de holding toch geen verschil. Dit alles verklaart waarom

[bedrijf] Investments het belang in [bedrijf] kon kopen voor € 1,00. Er zat geen waarde in [bedrijf]. Een waardevermeerdering binnen twee jaar na deze aankoop van € 0,00 naar € 1.000.000,00 terwijl de onderneming voortdurend grote verliezen leed, is niet reëel.

2.10.3.

Uit de rapportage van de deskundige blijkt verder dat het minderheidsaandeel van [bedrijf] Investments in [bedrijf] is geruild voor een optie in [bedrijf] Investments B.V.. Op basis van de resultaten van laatstgenoemde vennootschap in 2008 heeft de accountant van

[bedrijf] Investments het belang in [bedrijf] gewaardeerd op € 250.000,00 zoals blijkt uit de jaarrekening 2009 van deze vennootschap. Ten onrechte heeft de deskundige dit niet overgenomen, hetgeen een correctie noodzakelijk maakt op de door de deskundige aangegeven waarde van [bedrijf] Investments met een bedrag van € 750.000,00.

2.11.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

2.11.1.

In 4.4.7. van het rapport heeft de deskundige toegelicht hoe hij is gekomen tot de waardering van het 23,75% belang van [bedrijf] Investments in [bedrijf] op € 1.000.000,00. Aanvankelijk ging hij uit van € 1.500.000,00, maar na bezwaar van [gedaagde sub 1] heeft hij dit bedrag bijgesteld naar € 1.000.000,00. Op basis van de van [gedaagde sub 1] ontvangen jaarrekeningen had hij de netto vermogenswaarde van [bedrijf] per 31 december 2007 bepaald op € 463.362,00. In het geval van [bedrijf] heeft er, aldus de deskundige, echter een transactie plaats gevonden waarbij het aandelenbelang van [bedrijf] B.V. (per 9 januari 2009 genaamd [bedrijf] Investments) voor € 1.500.000,00 is verkocht aan [bedrijf] & [bedrijf] Group B.V.. Daarbij is de koopprijs voldaan middels het geven van een optierecht op 2,5% van het aandelenkapitaal in [bedrijf] Investments B.V., aan te kopen tegen een uitoefenprijs van € 1.5000.000,00. Omdat deze transactie heeft plaatsgevonden binnen één jaar na het waarderingsmoment van 13 augustus 2007 is hij er vanuit gegaan dat deze transactieprijs het beste aanknopingspunt vormt voor de schatting van mogelijke stille reserves per de peildatum. Hij concludeert vervolgens als volgt over het bezwaar van [gedaagde sub 1] dat de in de verkoopovereenkomst genoemde waarde van € 1.500.000,00 een puur fictieve waarde zou betreffen.

2.11.2.

[bedrijf] Investments B.V. had op de peildatum een belang van 82,45% in [bedrijf]&[bedrijf] Group B.V.. Laatstgenoemde vennootschap had deelnemingen in diverse vennootschappen, waaronder [bedrijf] XB en [bedrijf] B.V., en is opgericht op 16 augustus 2008 en heeft genoemde deelnemingen per die datum verworven. De jaarrekening vermeldt dat de resultaten van de deelnemingen zijn opgenomen in de geconsolideerde cijfers vanaf het moment van overname (derhalve 16 augustus 2008). De geconsolideerde omzet over die periode (16 augustus 2008 tot en met 31december 2008) bedraagt

€ 45.000.000,00, het balanstotaal bedraagt € 62.000.000,00 en het gemiddelde aantal werknemers 424. De kasstroom uit bedrijfsoperaties bedraagt over die periode (minder dan een half jaar) € 4.655.278,00. Dat het verkoopbedrag, zoals [gedaagde sub 1] stelt, een puur fictieve waarde betreft, wordt om die redenen door de deskundige betwijfeld. Het ontgaat de deskundige ook waarom partijen een dergelijk hoog bedrag zouden opnemen in een overeenkomst indien de werkelijke waarde substantieel lager zou liggen. Hij wijst er verder op dat het aannemelijk is dat de waarde van [bedrijf] XB een jaar vóór de optie-overeenkomst lager was, dat de cijfers van deze vennootschap een verdere stijging laten zien van 2007 naar 2008 en dat de cijfers van [bedrijf] B.V. bijna een verdubbeling van het bruto-omzet resultaat laten zien van 2006 naar 2007. De deskundige wijst er wel op dat de door hem gehanteerde waarde van € 1.000.000 niet wetenschappelijk is onderbouwd, maar een schatting betreft. Het is volgens hem aannemelijk dat de waarde in die orde van grootte ligt, maar hij heeft onvoldoende informatie om dit verder te onderbouwen.

2.11.3.

De rechtbank acht op basis van deze door de deskundige gegeven onderbouwing, welke naar het oordeel van de rechtbank door [gedaagde sub 1] onvoldoende gemotiveerd is weersproken, voldoende aannemelijk dat er, voor wat betreft het 23,75% belang van [bedrijf] Investments in [bedrijf], op de peildatum van een bedrag van € 1.000.000,00 moet worden uit gegaan en dat de deskundige het bezwaar van [gedaagde sub 1] hiertegen terecht heeft gepasseerd. [gedaagde sub 1] heeft niet betwist, in ieder geval niet expliciet, dat er aanleiding is om rekening te houden met stille reserves. Dat er volgens [gedaagde sub 1] geen waarde zat in [bedrijf] op het moment dat [bedrijf] Investments het belang in [bedrijf] voor € 1,00 kon kopen en dat er verliezen werden geleden, laat onverlet al hetgeen de deskundige heeft aangevoerd met betrekking tot de cijfers van [bedrijf] & [bedrijf] Group B.V., zoals hiervoor in 2.11.2. weergegeven. Verder heeft [gedaagde sub 1] ook de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat er voor wat betreft het verkoopbedrag van

€ 1.500.000,00 van een gefingeerde waarde moet worden uit gegaan. De opmerking van [gedaagde sub 1] dat het de deskundige kennelijk niet duidelijk is hoe dit soort zaken er in de praktijk aan toe gaat, wordt door de rechtbank als niet serieuze stellingname gepasseerd.

2.11.4.

Ook het beroep op het door de accountant van [bedrijf] Investments opgemaakte financieel jaarverslag 2009, meer in het bijzonder de daarin opgenomen waardering van de calloptie [bedrijf] Investments B.V. voor een bedrag van € 250.000,00 kan [gedaagde sub 1] niet baten. Niet gesteld en evenmin gebleken is immers dat dit door [gedaagde sub 1] eerder als bezwaar bij de deskundige naar voren is gebracht. Verder ziet de rechtbank niet in dat aan dit door de eigen accountant, op basis van door de leiding van de onderneming verstrekte gegevens, gemaakte financieel jaarverslag 2009 de waarde kan worden gehecht die [gedaagde sub 1] er kennelijk aan hecht.

2.12.

Volgens [gedaagde sub 1] is voorts het rapport in rekenkundige zin onjuist, doordat de deskundige een onjuist uitgangspunt hanteert. De deskundige rekent immers, omdat [bedrijf] Management op de peildatum een optierecht had op aankoop van alle aandelen van [bedrijf] en daarom economisch eigenaar was van een 100% belang in die vennootschap, de waarde van de via [bedrijf] omgeleide omzet geheel toe aan de waarde van [bedrijf] Management. Zij heeft deze optie echter niet uitgeoefend, zodat de waarde van de omgeleide omzet slechts voor een gedeelte, gelijk aan de omvang van haar belang in [bedrijf], impact heeft op haar waarde. Het is de vraag of dit uiteindelijk voor de familierechtelijke afwikkeling van belang is; als de omzet in [bedrijf] Management was gerealiseerd, dan was die volledige omzet ten goede gekomen aan de waarde van [bedrijf] Management en dat is waar de deskundige nu ook van uitgaat. Dat neemt echter niet weg dat het betreffende uitgangspunt van de deskundige onjuist is en het rapport wat dat betreft dus ook in rekenkundige zin.

2.13.

De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] niet in zijn standpunt dat de deskundige een onjuist uitgangspunt heeft gekozen door van een economisch belang van 100% van [bedrijf] Management in [bedrijf] uit te gaan. Bij gelegenheid van de op 5 september 2012 gehouden comparitie van partijen zijn de door [eiseres] in het geding gebrachte

optieovereenkomst en bijbehorend addendum besproken, uit welke stukken volgens de deskundige voortvloeit dat [bedrijf] Management op de peildatum een 100% economisch belang in [bedrijf] heeft. Tijdens deze comparitie zijn zijdens [gedaagde sub 1] vraagtekens gezet bij de authenticiteit van het addendum. Hij is er evenwel in het debat tussen partijen niet meer op terug gekomen, zodat er van uit moet worden gegaan dat hij de authenticiteit niet langer ter discussie wil stellen. De rechtbank gaat er dan ook met de deskundige vanuit dat [bedrijf] Management op de peildatum een 100% economisch belang had in [bedrijf]. Daar kan niet aan af doen dat [bedrijf] Management dit optierecht niet heeft uitgeoefend. Bij dat oordeel is mede in aanmerking genomen dat, zoals [gedaagde sub 1] ter comparitie op 5 september 2012 heeft verklaard, hij naar aanleiding van de onderhavige procedure de aandelen in [bedrijf] inmiddels in privé heeft verworven. Dat hij de aandelen in privé heeft verworven betekent, naar het oordeel van de rechtbank, dat [gedaagde sub 1], hetzij via [bedrijf] Management hetzij in privé, een 100% belang in [bedrijf] wil hebben. Er kan dan ook, in aanmerking genomen dat deze vennootschap voor deze procedure vereenzelvigd kan worden met [gedaagde sub 1], niet de door [gedaagde sub 1] gewenste betekenis worden gehecht aan zijn stelling dat het optierecht door deze vennootschap niet is uitgeoefend.

Conclusies van partijen met betrekking tot het te verbeuren aandeel.

2.14.

[eiseres] concludeert, zakelijk weergegeven, als volgt.

2.14.1.

Zij stelt dat op basis van het rapport van de deskundige kan worden vastgesteld wat de invloed op de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management is van de vermogensbestanddelen die [gedaagde sub 1] aan het zicht van [eiseres] heeft onttrrokken. De totale impact van de omzetomleiding op de waarde bedraagt volgens de deskundige per peildatum € 271.076,00. Daar doet niet aan af dat, nadat achteraf is gebleken dat [bedrijf] de facto een 100% vennootschap is van [gedaagde sub 1], het omleiden van de omzet geen invloed heeft gehad op de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management. Feit is namelijk dat de waarde van die omzet (of die nu tot uitdrukking komt in de waarde van 100% deelneming [bedrijf] of de waarde van de aandelen [bedrijf]) door [gedaagde sub 1] is verbeurd.

2.14.2.

Nu [gedaagde sub 1] de deelneming in [bedrijf] heeft verzwegen, staat tevens vast dat de indirecte deelneming (namelijk via [bedrijf]) in [bedrijf] Investments óók door [gedaagde sub 1] is verzwegen. Uit 4.16 van het rapport blijkt dat de invloed op de waarde per eind 2006

€ 594.952,00 en per eind 2007 € 753.213,00 bedraagt. De waardestijging per dag is het verschil tussen beide bedragen gedeeld door 365. De peildatum 13 augustus 2007 is de 225-ste dag van het jaar. De waardestijging per dag vermenigvuldigd met 225 levert een bedrag op van afgerond € 692.510 en dat is de invloed van de indirecte deelneming in [bedrijf] Investments op de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management.

2.14.3.

De waarde van de verzwegen vermogensbestanddelen is daarmee € 271.076 +

€ 692.510= € 963.586. Dat resulteert erin, volgens [eiseres], dat zij op grond van het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW en 6:162 BW een geldvordering heeft op [gedaagde sub 1] ter hoogte van dit bedrag.

2.15.

[gedaagde sub 1] concludeert, zakelijk weergegeven, als volgt.

2.15.1.

In het tussenvonnis is bepaald dat [gedaagde sub 1] tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen heeft verzwegen. Daarbij is gedoeld op verzwijging van omgeleide omzet en op verzwijging van de deelneming in [bedrijf]. Uit het tussenvonnis vloeit derhalve, in de visie van de rechtbank, voort dat voor verbeurdverklaring in aanmerking zou kunnen komen een bedrag gelijk aan de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management met in achtneming van de omgeleide omzet en de deelneming in [bedrijf] minus de waarde van die aandelen zonder inachtneming daarvan. Met de in [bedrijf] ondergebrachte omzet is door deze vennootschap geïnvesteerd in deelnemingen, in dit geval in [bedrijf] Investments en verder weer de deelnemingen van die vennootschap. [eiseres] gaat er in haar conclusie na deskundigenbericht ten onrechte vanuit dat door de verzwijging van [gedaagde sub 1] zowel de waarde van de omgeleide omzet werd verzwegen als daarnaast de waarde van de deelneming van [bedrijf] in [bedrijf] Investments. Die deelneming werd door [bedrijf] verkregen met de omgeleide omzet, zodat die omgeleide omzet van de waarde van die deelneming deel uitmaakt. [eiseres] telt dan ook ter berekening van het te verbeuren bedrag die bedragen ten onrechte bij elkaar op.

2.15.2.

De deskundige stelt terecht in antwoord op vraag 11 dat de invloed van

[bedrijf] Investments op de waarde van de aandelen van [bedrijf] per peildatum € 692.511,00 bedraagt. Dit wil echter niet zeggen dat dit bedrag, doorgerekend voor het effect voor [gedaagde sub 1] privé, het te verbeuren bedrag vormt of kan vormen. Dit laatste blijkt namelijk al uit de beantwoording door de deskundige van vraag 7, waarin de deskundige aangeeft dat de totale waarde van de aandelen in [bedrijf] per peildatum, inclusief alle activa, waaronder de deelneming van die vennootschap in [bedrijf] Investments en alle daaronder hangende deelnemingen inclusief omgeleide omzet € 384.414,00 en exclusief omgeleide omzet

€ 142.567,00 bedraagt. De deskundige gaat ervan uit dat deze waarde van de aandelen [bedrijf] volledig toebehoort aan [bedrijf] Management, zodat die waarde weer is opgenomen in de door de deskundige bepaalde intrensieke waarde van die vennootschap. Dit betekent derhalve dat de impact van het verzwijgen van de omgeleide omzet op de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management bedraagt: € 384.414,00 - € 142.847,00 =

€ 241.847,00.

2.15.3.

De schijnbare verschillen in de antwoorden van de deskundige worden veroorzaakt door het feit dat [bedrijf] zonder de omgeleide omzet en zonder rekening te houden met de deelneming in [bedrijf] Investments een aanzienlijk negatief eigen vermogen had. Toen [bedrijf] Management de deelneming begin 2005 verkreeg, bedroeg het eigen vermogen min € 501.852. In verband met dit negatief eigen vermogen bedroeg de waarde van de aandelen in [bedrijf] begin 2005 € 0. Om diezelfde aandelen vervolgens enige waarde voor de aandeelhouder te laten verkrijgen, zal eerst het negatief eigen vermogen “goedgemaakt” moeten worden. Dit is gebeurd door middel van de omgeleide omzet, die vervolgens is geïnvesteerd in deelnemingen, welke wisselend hebben gerendeerd. Uiteindelijk heeft dat alles volgens de deskundige een waarde van de aandelen in [bedrijf] opgeleverd van € 384.414. De deskundige geeft aan dat die waarde volledig in economische eigendom aan [bedrijf] Management toebehoort. Dit zou betekenen dat de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management is toegenomen met € 384.414,00 door rekening te houden met de omgeleide omzet en de deelneming van [bedrijf] in [bedrijf] Investments.

2.15.4.

Waren door de verzwijging van [gedaagde sub 1] zowel de omgeleide omzet als de deelneming in [bedrijf] en [bedrijf] Investments verborgen gebleven, dan zou op grond van het bovenstaande de waarde van de aandelen [bedrijf] Management zijn vastgesteld op de intrinsieke waarde zonder de deelneming in [bedrijf], derhalve op een bedrag dat

€ 384.414,00 lager ligt dan de nu door de deskundige vastgestelde intrinsieke waarde van de aandelen [bedrijf] Management van € 1.388.506,00.

2.16.

De rechtbank is met [eiseres] en op grond van de navolgende overwegingen van oordeel dat er voor wat betreft de hoogte van het te verbeuren aandeel ook rekening moet worden gehouden met de verzwijging door [gedaagde sub 1] van het 100% economisch belang van [bedrijf] Management in [bedrijf].

2.16.1.

In haar tussenvonnis van 28 juli 2010 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.3.8. reeds geoordeeld dat [gedaagde sub 1] heeft verzwegen dat [bedrijf] Management drie aandelen houdt in [bedrijf]. Daar komt bij dat na de comparitie van 5 september 2012 is komen vast te staan dat [bedrijf] Management op de peildatum een optierecht had op levering van de resterende aandelen. Op basis daarvan heeft de deskundige terecht geoordeeld, zoals de rechtbank hiervoor in 2.13. heeft overwogen, dat [bedrijf] Management een 100% economisch belang heeft in [bedrijf]. De conclusie uit het vorenstaande is dat [gedaagde sub 1] meer heeft verzwegen dan de aanvankelijk vastgestelde drie aandelen; hij heeft het 100% economisch belang verzwegen.

2.16.2.

[gedaagde sub 1] heeft terecht gesteld dat voor verbeurdverklaring in aanmerking komt het bedrag gelijk aan de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management met in achtneming van de omgeleide omzet en de deelneming in [bedrijf] (zij het dat de rechtbank anders dan [gedaagde sub 1] van een 100 % belang uit gaat) minus de waarde van die aandelen zonder inachtneming daarvan. De rechtbank kan [gedaagde sub 1] echter niet volgen in zijn standpunt dat daarbij enkel en alleen belang toe komt aan de vermogensontwikkeling binnen [bedrijf], zoals hiervoor in 2.15.3 is weergegeven. De deskundige stelt in zijn rapport in de antwoorden op de vragen 1, 7 en 8 dat door het bestaan van het 100% economisch belang de omleiding op zich geen waarde-effect heeft op de aandelen in [bedrijf] Management. Het waarde-effect zit, anders geformuleerd, in het 100% economisch belang. [gedaagde sub 1] ziet dit over het hoofd, zoals hij ook over het hoofd ziet dat de deskundige in zijn antwoord op vraag 11, in lijn hiermee, heeft aangegeven dat de impact van [bedrijf] Investments en diens rechtsvoorganger(s) tot de peildatum op de intrinsieke waarde van [bedrijf] en de intrinsieke waarde van [bedrijf] Management gelijk is, te weten € 692.511,00. In zijn antwoord op vraag 1 heeft de deskundige de impact van de omgeleide omzet van

€ 513.628,00 respectievelijk € 54.740,00 per peildatum op de intrinsieke waarde van [bedrijf] Management vastgesteld op € 271.076,00.

2.16.3.

Indien door de verzwijging van [gedaagde sub 1] zowel de omgeleide omzet als het 100% economisch belang in [bedrijf] verborgen gebleven waren, dan zou de waarde van de aandelen [bedrijf] zijn vastgesteld op de intrinsieke waarde zonder de impact van de omgeleide omzet en de impact van [bedrijf] Investments. De waarde zou in dat geval op een bedrag zijn vastgesteld dat € 271.076,00 + € 692.511,00 = € 963.587,00 lager ligt dan de door de deskundige in zijn antwoord op vraag 13 vastgestelde waarde van € 1.388.506,00

Nu [eiseres] in haar vordering uitgaat van een bedrag van € 963.586,00 zal de rechtbank hierna van dit bedrag uitgaan als het door [gedaagde sub 1] te verbeuren aandeel in de waarde van de aandelen [bedrijf] Management. De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] niet in zijn standpunt dat op dit bedrag nog de door hem te betalen inkomstenbelasting in mindering zou moeten worden gebracht, omdat het om de impact van dit bedrag voor partijen in privé zou gaan. De impact voor partijen op privé is in deze procedure niet aan de orde.

2.17.

Door [eiseres] zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat zij op grond van het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW thans een opeisbare vordering op [gedaagde sub 1] heeft gelijk aan het bedrag van het door [gedaagde sub 1] te verbeuren aandeel. Zij heeft evenmin feiten en/of omstandigheden gesteld op basis waarvan kan worden geoordeeld dat zij thans schade lijdt als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1]. De vordering sub 1 is dan ook niet toewijsbaar. De rechtbank is met [gedaagde sub 1] van oordeel dat thans enkel is komen vast te staan dat het te verbeuren aandeel kan worden betrokken in de (nadere) afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap. In verband daarmee hebben partijen er belang bij dat het oordeel van de rechtbank over de verbeurdverklaring in een verklaring voor recht wordt opgenomen. Deze verklaring voor recht past binnen de in deze procedure vastgestelde feiten en zal, als het mindere van het gevorderde, worden toegewezen als hierna te melden.

2.18.

Uit het feit dat [gedaagde sub 1] gebruik heeft gemaakt van [bedrijf] Management en [bedrijf] bij het opzettelijk verzwijgen van een deel van de waarde van de aandelen in [bedrijf] Management, vloeit nog niet voort dat op dit punt ook aan [bedrijf] Management en [bedrijf] een verwijt kan worden gemaakt. Door [eiseres] zijn ook voor het overige geen feiten en/of omstandigheden gesteld op basis waarvan geoordeeld kan worden dat deze vennootschappen onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Het sub 1 gevorderde is reeds daarom jegens hen evenmin toewijsbaar.

2.19.

Nu het verweer van [gedaagde sub 1] dat er op de berekeningen van de deskundige correcties dienen te worden aangebracht niet slaagt, is het sub 2 gevorderde toewijsbaar. De rechtbank is met [gedaagde sub 1] van oordeel dat de vordering sub 3 te algemeen en onbepaald is om te kunnen worden toegewezen.

2.20.

De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] niet in zijn standpunt dat in de onderhavige procedure de waardering van een deel van de huwelijksgoederengemeenschap in geschil is. In geschil is of hij een tot de gemeenschap behorend goed heeft verzwegen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de onderhavige procedure als een geschil tussen ex-echtelieden te beschouwen op grond waarvan de proceskosten bij wege van hoofdregel dienen te worden gecompenseerd. De proceskosten, met uitzondering van de deskundigenkosten, zullen worden gecompenseerd, omdat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld. Nu het deskundigenonderzoek noodzakelijk is geworden door de verzwijging door [gedaagde sub 1] zal hij worden veroordeeld in de deskundigenkosten, die door hem reeds bij wege van voorschot zijn betaald.

2.21.

De slotsom luidt dat de rechtbank zal beslissen als hierna te melden.

3 De beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de intrinsieke waarde van de aandelen in [bedrijf] Management per 13 augustus 2007 € 1.388.506,00 (een miljoen driehonderdachtentachtigduizend vijfhonderd en zes euro) bedraagt;

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] een deel van de waarde van die aandelen, groot € 963.586,00 (negenhonderddrieënzestigduizend vijfhonderdzesentachtig euro) heeft verbeurd aan [eiseres];

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de deskundigenkosten, die door hem reeds bij wege van voorschot zijn voldaan;

compenseert, met uitzondering van de deskundigenkosten, de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn, mr. P.P.M. van Reijsen en

mr. V.R. de Meyere en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2014.