Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:526

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
C/01/255631
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:5306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Contradictoir. Eigendom van leidingen van een netwerk in andermans grond. Onderhoud daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/255631 / HA ZA 12-1004

Vonnis van 5 februari 2014

in de zaak van

de stichting

STICHTING PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. D.A.W. van Dijk te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESSENT LOCAL ENERGY SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.S. Bouwens te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna PMT en Essent genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 maart 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 oktober 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

PMT is eigenaar van een complex van 134 huurwoningen (ééngezinswoningen, geen flatcomplexen) in de wijk De Wisselaar te Breda, onderdeel van het stadsdeel “De Hoge Vucht II”. Haar rechtsvoorgangster “Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid” heeft deze woningen doen bouwen nadat zij bij akte d.d. 5 januari 1965 (DV, prod. 3; hierna: de Akte) van de gemeente Breda in een vorm van A-B-C levering de ondergrond als bouwpercelen had verworven. Kennelijk heeft de er tussenuit gevallen de aannemer (de “B”) de woningen mogen bouwen.

2.2.

In die wijk functioneert een wijkverwarmingssysteem waarbij warmte afkomstig van de Amercentrale door Essent wordt geleverd aan de huurders van PMT (de eindgebruikers) middels een leidingennet waarop de woningen van PMT zijn aangesloten. De huurders ontvangen rechtstreeks van Essent een factuur voor de vaste en variabele kosten. Daartoe wordt het energieverbruik verrekend op basis van een warmtekostenverdeelsysteem (WKV) wat inhoudt dat er op een hoofdmeting wordt afgerekend en dat per woning de kosten worden omgeslagen via de opgenomen standen van de “dopriometers” die zijn aangebracht op de radiatoren bij de eindafnemers.

2.3.

De structuur van dit leidingnet is als volgt:

a. De warmte wordt vanaf de Amercentrale via een leiding getransporteerd naar een voor de wijk centraal ketelhuis, het Warmtestation. Van die leidingen en dat station is Essent de eigenaar. Zij onderhoudt die.

b. Vandaar gaan leidingen naar de straten alwaar een groep woningen telkens is aangesloten op een zogenoemde “Blokafsluitkraan” die zich onder de openbare weg bevindt. Niet in geschil is dat Essent eigenaar is van die leidingen tussen het Warmtestation en de Blokafsluitkranen en dat zij dat deel van het leidingnet de afgelopen decennia heeft onderhouden en zal blijven onderhouden.

c. Vanaf de blokafsluitkraan gaat een leiding richting de individuele woningen, waarop de individuele woningen zijn aangesloten. In de kruipruimte onder de woningen bevindt zich per woning een afsluitkraan. De leidingen tussen de Blokafsluitkranen en de woningafsluitkranen (hierna: de Blokleidingen) liggen voor een deel onder de openbare weg maar ook voor een aanzienlijk deel in de kruipruimten onder de woningen en dus op of in de eigendom van PMT.

2.4.

Het geschil gaat om de onder c. bedoelde Blokleidingen. Die zouden noodzakelijk onderhoud behoeven.

2.5.

In de hiervóór in 2.1 genoemde Akte is voor zover van belang opgenomen:

9. Voorts wordt …ten laste van de bij deze in eigendom overgedragen percelen…en ten behoeve van de aan de gemeente Breda in eigendom verblijvende gedeelten van gemeld kadastraal perceel (Rb: de openbare wegen)…gevestigd:

a.de erfdienstbaarheid tot het doen leggen, hebben en houden van buizen en verdere apparatuur, nodig voor de centrale wijkverwarming en het doen verrichten daaraan van de nodige reparaties en vernieuwingen;

b….(idem voor een hier irrelevant centraal antennesysteem)…;

10. Koopster (Rb: als hoedanig thans is te beschouwen: PMT) verbindt zich ten behoeve van de gemeente Breda en ten genoege en ter controle van burgemeester en wethouders dier gemeente of van de door dezen aangewezen instantie:

a.de op het bij deze overgedragene te stichten woningen tijdig en voor eigen rekening te voorzien van een centrale verwarmingsinstallatie, waartoe behoren de buizen vanaf de afsluitkraan, de radiatoren met appendages, en de meetapparatuur en er voor zorg te dragen dat deze installatie te allen tijde in goede toestand verkeert en voldoet aan de eisen en voorwaarden van de verordening voorwaarden warmtelevering van de gemeente Breda en ook overigens voor zover het hen aangaat het in deze verordening gestelde stipt na te leven.

b.de sub a bedoelde installatie te laten aansluiten op de door de gemeente Breda te stichten en in exploitatie te nemen centrale wijkverwarming voor de wijk Hoge Vucht II en deze installatie daarop aangesloten te doen houden.

11. Koopster is ten genoege van Burgemeester en Wethouders van Breda verplicht… (volgen verplichtingen op te leggen aan kopers, huurders of anderszins gebruikers)…waaronder in ieder geval de verplichting toegang tot de woningen aan de door of vanwege burgemeester en wethouders aangewezen personen voor het instellen van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de sub 10 bedoelde installatie en de toestand waarin zij verkeert en voor het herstellen daarvan.

De gemeentelijke verordening “Voorwaarden warmtelevering” waarvan in artikel 10 sub a. van de Akte wordt gesproken, is de “Verordening inzake de levering van warmte door de gemeente Breda” vastgesteld door de Raad in zijn vergadering van 17 juni 1964 (DV, prod. 11).

3 Het geschil

3.1.

PMT vordert, zakelijk weergegeven:

(1) een verklaring voor recht dat het onderhoud van de Blokleidingen voor rekening van Essent komt;

(2) een verklaring voor recht dat Essent PMT dient te vrijwaren voor schade als gevolg van vertraging in dat onderhoud;

(3) Essent te veroordelen om binnen vier weken een voorstel te doen tot uitvoering van bedoeld onderhoud, met dwangsomsanctie;

(4) Essent te veroordelen om dat onderhoud binnen twee maanden aan te vangen, met dwangsomsanctie.

met proceskostenveroordeling.

Grondslag van deze vorderingen is:

3.1.1.

Uit de artikelen 9 en 10 van de Akte moet worden opgemaakt dat bij het vestigen van de erfdienstbaarheid van het mogen hebben van leidingen op of in de eigendommen van PMT (het lijdend erf) het onderhoud van de Blokleidingen voor rekening van Essent als rechtsopvolgster van de gemeente Breda komt.

3.1.2.

De leidingen tussen de afsluitkranen in de individuele woningen en de Blokafsluitkranen zijn indertijd ook door de gemeente aangelegd en niet door PMT.

3.1.3.

Een en ander wordt verder bevestigd in de “Verordening inzake de levering van warmte door de gemeente Breda” vastgesteld door de Raad in zijn vergadering van 17 juni 1964 (hierna: de Verordening Warmtelevering). In artikel 3 van die verordening wordt onderscheid gemaakt tussen “de dienstleiding” en “de binneninstallatie”. De eigenaar van de woning is slechts verantwoordelijk voor het onderhoud en de vervanging van de binneninstallatie.

3.1.4.

Daarnaast volgt uit artikel 5:20 lid 2 BW dat Essent, die eigenaar is van het netwerk, ook eigenaar is van de Blokleidingen en als zodanig gehouden is deze te onderhouden.

3.2.

Essent voert verweer.

3.2.1.

Zij betwist eigenaar te zijn van de Blokleidingen. Die liggen onder de woningen van PMT en zijn eigendom van de eigenaar van de woningen, dat is: PMT (CvA, pt. 15).

3.2.2.

De Akte verwijst naar voornoemde Verordening d.d. 17 juni 1964. Deze is verduidelijkt bij een raadsbesluit d.d. 13 januari 1965 tot wijziging van de Verordening van 17 juni 1964. Daarin worden de termen “Dienstleidingen” en “Binneninstallaties” nader en scherper gedefinieerd. In die aangescherpte definities zijn “Dienstleidingen” de leidingen tot en met de Blokafsluitkranen en behoren tot de “Binneninstallaties” de buizen vanaf de Blokafsluitkranen In dit vonnis aangeduid als: “Blokleidingen”).

Uit de formulering van het wijzigingsbesluit blijkt dat het niet gaat om een inhoudelijke wijziging, maar om een louter tekstuele verduidelijking (CvA, pt. 19). Daaruit volgt dat waar in artikel 10 van de Akte wordt gesproken van “… de buizen vanaf de afsluitkraan…” daarmee bedoeld wordt: “…de buizen vanaf de Blokafsluitkraan…” (CvA, pt. 20).

Een en ander wordt nog bevestigd in de Algemene Voorwaarden (CvA, prod’s. 3 en 4), waarin in artikel 13 ook is vastgelegd dat gebruiker zorg draagt voor herstel van eventuele defecten in de installatie (CvA, pt.26).

3.2.3.

Essent is nooit in de afgelopen 43 jaar aangesproken op de vermeende onderhoudsverplichtingen die zij volgens PMT zou hebben. Ingevolge artikel 3:306 BW zijn de vorderingen van PMT gebaseerd op dergelijke onderhoudsverplichtingen verjaard (CvA, pt. 27).

3.2.4.

Essent betwist gemotiveerd de noodzaak tot onderhoud (CvA pt. 28 t/m 33; bijzonderlijk pt. 32 en later pt. 37).

3.2.5.

Artikel 5:50 lid 2 BW geeft slechts een algemene eigendomsafbakening tussen de grondeigenaar en de eigenaar van het net, zulks om de neteigenaar bescherming te bieden voor zover die zich daarop zou willen beroepen. Essent betwist dat zij de bevoegde aanlegger (in de zin van dat artikellid) is van het netgedeelte dat bestaat in de Blokleidingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het meest verstrekkende verweer is het beroep van Essent op verjaring. Dat verweer faalt.

4.1.1.

De vorderingen van PMT berusten niet op een gepleegde onrechtmatige daad die reeds schade heeft veroorzaakt (waarop de verjaring van artikel 3:310 BW van toepassing is) maar op dreigende schade als gevolg van het nalaten door Essent van onderhoudsverplichtingen waartoe zij in de stellingen van PMT gehouden was en welk nalaten in strijd komt met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Met juistheid baseert Essent haar verjaringsverweer dan op de 20-jaarstermijn van artikel 3:306 BW.

4.1.2.

Artikel 3:306 BW regelt niet de aanvang van die verjaringstermijn. Dan regelt artikel 3:313 BW dat de termijn aanvangt op de dag waarop onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd van de onderhavige verplichting tot het doen van onderhoud aan de Blokleiding. Dat is naar analogie van artikel 3:310 BW de dag waarop PMT bekend werd met de onmiddellijk dreigende schade. De eis dat daarvoor schade “onmiddellijk” zou moeten dreigen, volgt uit de rechtspraak dat rechtsvorderingen als de onderhavige pas ontvankelijk zijn wanneer ernstig en/of onmiddellijk dreigt dat onrecht, schade daaronder begrepen, zal geschieden (HR 18-08-1944, NJ 1944/1945, 598).

4.1.3.

PMT heeft in deze zaak op 20 november 2012 de dagvaarding uitgebracht. Essent heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen blijken dat reeds vóór 20 november 1992 ernstige en onmiddellijke schade wegens de gebrekkige onderhoudstoestand van de Blokleidingen dreigde en dat PMT daarmee bekend was. Essent zelf stelt dat zelfs nu nog geen sprake is van een zodanig slechte onderhoudstoestand dat onmiddellijke schade dreigt. Haar verjaringsverweer is dan onvoldoende feitelijk onderbouwd.

4.2.

Doorslaggevend voor de uitkomst van dit geschil is de uitleg van wat indertijd in de Akte van 5 januari 1966 tussen de rechtsvoorgangers van de huidige procespartijen is overeengekomen en de betekenis thans van die uitleg voor de rechtsverhouding tussen de procespartijen.

4.2.1.

De maatstaf voor die uitleg wordt gevonden in de navolgende overwegingen van de Hoge Raad (HR 20/02/2005, NJ 2005/493 Pensioenfonds/Fox):

4.2.

In zijn arrest van 13 maart 1981, nr. 11647, NJ 1981, 635 (Haviltex) heeft de Hoge Raad — daarmee voortbouwend op oudere rechtspraak over de uitleg van overeenkomsten — overwogen dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (hierna ook: de Haviltexnorm). Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval; het Haviltexarrest bevat tevens een reeks bij die uitleg in aanmerking te nemen gezichtspunten, welke reeks in latere arresten verder is uitgewerkt.

4.3.

In zijn arresten van 17 september 1993, nr. 15064, NJ 1994, 173 en 24 september 1993, nr. 15078, NJ 1994, 174, heeft de Hoge Raad echter ten aanzien van de uitleg van de bepalingen van een CAO een anders geformuleerde norm aanvaard: voor die uitleg zijn de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis (hierna ook: de CAO-norm).

De CAO-norm is ook toegepast op andere geschriften waarin een overeenkomst of een andere regeling is vastgelegd die naar haar aard bestemd is de rechtspositie van derden te beïnvloeden, zonder dat die derden invloed hebben op de inhoud of de formulering van die overeenkomst/regeling, terwijl de onderliggende partijbedoeling voor die derden niet kenbaar is, zoals de uitleg van een sociaal plan dat niet zelf een CAO is (HR 26 mei 2000, nr. C 98/318, NJ 2000, 473), een trustakte bij een obligatielening (HR 23 maart 2001, nr. C 99/054, NJ 2003, 715) en het Bindend Besluit Regres 1984 (HR 16 mei 2003, nr. C 01/250, NJ 2003, 470).

4.4.

Tussen de Haviltexnorm en de CAO-norm bestaat geen tegenstelling, maar een vloeiende overgang.

Enerzijds heeft ook bij toepassing van de Haviltexnorm te gelden dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd — nog afgezien van het bepaalde in art. 3:36 BW in de verhouding tot derden — de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de daarin belichaamde overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en een eventueel daarbij behorende toelichting niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen.

Anderzijds leidt de CAO-norm niet tot een louter taalkundige uitleg; in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2002, nr. C00/186, NJ 2003, 110, is de hiervoor in 4.3 aangehaalde rechtspraak in die zin verduidelijkt dat hier sprake is van een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. In het zojuist aangehaalde arrest is voorts nog beslist dat ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting bij de uitleg van de CAO moeten worden betrokken. In een latere uitspraak (HR 28 juni 2002, nr. C01/012, NJ 2003, 111) werd geoordeeld dat, indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, ook daaraan bij de uitleg betekenis kan worden toegekend.

4.5.

De hiervoor in 4.2–4.4 weergegeven rechtspraak heeft als gemeenschappelijke grondslag dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Ten behoeve van de werkbaarheid voor de praktijk en van de toetsbaarheid van het rechterlijk oordeel in cassatie, heeft de Hoge Raad een uitwerking van die vage norm gegeven voor de boven aangegeven, in het maatschappelijk verkeer vaak voorkomende, typen van gevallen. In deze typologie heeft de CAO-norm betrekking op geschriften en verhoudingen waarvan de aard meebrengt dat bij die uitleg in beginsel objectieve maatstaven centraal dienen te staan.

Opmerking verdient ten slotte dat zowel aan de CAO-norm als aan de Haviltexnorm de gedachte ten grondslag ligt dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang.

4.2.2.

De vestiging van de erfdienstbaarheid genoemd in artikel 9 sub a. van Akte met bijkomende verplichtingen in artikel 10 sub a, betreft de vestiging van een zakelijk recht dat naar zijn aard bestemd is om ook tegen derden te werken, te weten: de derden-verkrijgers van het lijdend erf. Dezen moeten er op kunnen vertrouwen dat aan het verkregen eigendom geen zwaardere last is verbonden dan uit de openbare registers (dat is: de Akte) blijkt. Weliswaar verkrijgt de blijkens verklaring d.d.10 oktober 2006 van kandidaat-notaris mr. M.G.Rebergen (DV, prod. 4) door fusie ontstane nieuwe rechtspersoon (thans: eisers) de goederen van de fuserende rechtspersonen onder algemene titel (art. 2:309 BW), maar daarbij moet ingevolge de aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad ook rekening worden gehouden met de omstandigheid dat ook de fuserende andere rechtspersonen dan de oorspronkelijk verkrijger bij de beoordeling van de vraag of fusie voor hem wenselijk is, verregaand af moeten kunnen gaan op hetgeen met betrekking tot het in onroerende zaken vastgelegd vermogen van de rechtspersoon waarmee zij voornemens zijn te fuseren, uit de openbare registers kenbaar is omtrent de aan die zaken verbonden zakenrechtelijke lusten en lasten. Daarvoor is temeer aanleiding waar zakelijke rechten veelal voor zeer lange tijd bedoeld zijn gevestigd te blijven en het na een veelheid van jaren (in casu bijna 48 jaar tussen vestiging en dagvaarding in het geschil daarover) in toenemende mate moeilijker wordt om vast te stellen wat de rechtsvoorgangers onder algemene titel tussen wie de erfdienstbaarheid werd gevestigd, over en weer precies hebben verklaard en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten.

4.2.3.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de betekenis van de gevestigde erfdienstbaarheid vaststellen aan de hand van haar formulering in de akte, maar deze uitgelegd tegen de achtergrond van de feitelijke situatie zoals in de wijk in 1966 werd voorzien: te weten: het oprichten van een energienet waarbij de gemeente Breda middels een vorm van stadsverwarming de woningen van koopster van verwarming zou voorzien. Leidend daarbij is wat naar normaal spraakgebruik gewone mensen in die situatie uit de Akte en uit de Verordening Warmtelevering zouden hebben moeten begrijpen en opmaken.

4.2.4.

Op zichzelf is voor de uitleg niet van belang de wijziging van die Verordening in het raadsbesluit d.d. 13 januari 1965. Daarin worden de termen “Dienstleidingen” en “Binneninstallaties” nader en scherper gedefinieerd in de zin die Essent in deze procedure bepleit. Maar de gemeente Breda kon niet achteraf (ook niet zeer kort nadien) de inhoud van de Akte van levering en nader invullen door de Verordening Warmtelevering in door haar gewenste zin nader te preciseren, zelfs niet indien die precisering altijd al door die gemeente was bedoeld. Het gaat er immers niet om wat de gemeente innerlijk had bedoeld, maar om wat de oorspronkelijk verkrijger vóór het formaliseren van de overdracht en de vestiging daarbij van de erfdienstbaarheid en de daaraan verbonden lasten uit uitlatingen van de gemeente had moeten begrijpen.

Hetzelfde geldt voor de andere door Essent genoemde latere verordeningen en wijzigingen op verordeningen.

4.3.

De rechtbank houdt bij haar beoordeling van de zin die de rechtsvoorgangster van PMT in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepaling van de artikelen 9 sub a en 10 sub a van de Akte mocht toekennen en op hetgeen partijen te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, rekening met de volgende omstandigheden:

4.3.1.

De algemeen bekende, normale en gebruikelijke situatie bij de levering van water en energie (gas en elektriciteit) is dat de leverancier het product in de woning brengt tot aan een meter (in een meterkast of waterput) waarop het verbruik wordt geregistreerd. Vrijwel altijd ligt er een deel van de dienstleiding tot aan de meter op de eigendom van de eindgebruiker, in ieder geval voor zover die leiding binnen de muren van de woning ligt (hetgeen vrijwel altijd het geval is) en veelal ook waar zij in de grond van het daarbij behorende erf ligt. Geen eigenaar verwacht een dergelijke leiding te moeten onderhouden: integendeel wordt van de eigenaar verwacht dat hij daarvan afblijft.

Vlak na die meter bevindt zich dan een hoofdafsluiter of hoofdschakelaar waarmee de eindafnemer in geval van calamiteit of werkzaamheden aan zijn eigen installatie de toevoer kan afsluiten. Vaak is het leidinggedeelte vóór de meter door de leverancier verzegeld om fraude of ondeskundig manipuleren van dat leidinggedeelte door de eindgebruiker tegen te gaan.

Samenvattend: in de normale situatie heeft de leverancier de controle over en het onderhoud van het net tot aan de meter en de hoofdkraan of hoofdschakelaar en de eindgebruiker de controle over het leidinggedeelte daarna.

4.3.2.

Bijzonder bij de levering van warmte in het onderhavige systeem is, dat meter en hoofdafsluiter of -schakelaar niet vrijwel samenvallen maar dat de woningafsluiter zich in de kruipruimte onder de woning bevindt terwijl de verbruiksmeters (de “dopriometers” die zijn aangebracht op de radiatoren bij de eindafnemers) zich verderop binnenin de woningen bevinden.

4.3.3.

De Blokafsluiters en van daaruit bezien het eerste stuk van de Blokleidingen bevinden zich onder de straten, die ten tijde van de Akte, in 1966, eigendom waren en bleven van de gemeente. Dat blijkt uit:

a. de bij de Akte behorende tekening;

b. foto’s van de Blokafsluiterputten (DV, prod. 2)

c. de levering in 1986 door de gemeente van de Blokafsluiterputten aan ”ENWA N.V.”, de rechtsvoorgangster van Essent;

d. de bij de brief van Essent d.d. 8 oktober 2012 (DV, prod. 9) door haar gevoegde tekening.

4.3.4.

Over de Blokleidingen had de in de Akte bedoelde koopster geen controle: alleen de leverancier (thans Essent) kan de Blokafsluiters bedienen.

4.4.

Met inachtneming van de in de voorgaande alinea verwoorde omstandigheden komt de rechtbank tot de volgende uitleg:

4.4.1.

Ingevolge artikel 10 sub a van de Akte diende de koopster de te stichten woningen te voorzien van een CV-installatie, waartoe zouden behoren: “de buizen vanaf de afsluitkraan, de radiatoren met appendages, en de meetapparatuur”. Het geschil draait daarmee om de vraag of met de woorden “vanaf de afsluitkraan” bedoeld wordt: “vanaf de Blokafsluitkraan” zoals Essent wil, of: “vanaf de woningafsluitkraan” zoals PMT wil.

4.4.2.

In de uitleg die Essent voorstaat, zijn de Blokleidingen onder de woningen eigendom van PMT. Maar dan was er in het geheel geen noodzaak om de in artikel 9 sub a van de Akte omschreven erfdienstbaarheid te vestigen: de leidingen zouden, zeker in die tijd, in die opvatting door natrekking eigendom van koopster (thans: PMT) geworden zijn. Juist om die natrekking te voorkomen en de rechten van de gemeente op bedoelde leidingen te verzekeren is de erfdienstbaarheid gevestigd “…tot het doen leggen, hebben en houden van buizen en verdere apparatuur, nodig voor de centrale wijkverwarming en het doen verrichten daaraan van de nodige reparaties en vernieuwingen”. Artikel 9 sub a roept de uitzondering in het leven dat de gemeente (thans: Essent) toch eigenaar zal zijn van de leidingen op of in de grond van koopster (thans: PMT) en deze moet kunnen onderhouden.

4.4.3.

In de definities van de Verordening Warmtelevering worden “de buizen vanaf de afsluitkraan, de radiatoren met appendages, en de meetapparatuur” genoemd: “Binneninstallaties”. Naar algemeen spraakgebruik kunnen de gedeelten van de Blokleidingen die vanaf de Blokafsluiters nog in de grond van de gemeente of anderszins buiten de woningen liggen, in ieder geval niet als “Binneninstallaties” worden aangemerkt voor het onderhoud waarvan de eigenaar van de woning zorg zou moeten dragen (zulks ingevolge de Verordening Warmtelevering, art. 3).

De koopster bij de Akte behoefde aan het samenstel van bepalingen ook niet de zin toe te kennen dat het onderhoud aan de Blokleidingen verdeeld werd over leverancier (tot aan het punt waar de leiding onder de woningen kwam te liggen) en over de woningeigenaar (vanaf dat punt). Een dergelijke verdeling met de daaraan inherente complicaties bij uitvoering ligt niet voor de hand en is in de rechtspraak in een vergelijkbaar geval verworpen zoals uit het hierna overwogene blijkt.

4.4.4.

De rechtbank stelt op grond van de hiervóór in paragraaf 4.3.3 sub d bedoelde tekening vast:

a. In het onderhavige geval vormt de perceelgrens tussen de grond van de gemeente en die van de koopster de enige kenbare grens tussen de Blokleiding onder de straat en die onder de woningen.

b. Op of nabij die perceelgrens bevinden zich geen aansluitpunten of ontstoppingsstukken die een grens in de Blokleiding markeren. Immers uit dezelfde tekening blijkt dat de Blokleidingen na de Blokafsluiter over aanzienlijke afstanden onder de straat lopen vooraleer zij onder de woningen gaan lopen.

Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een redelijk kenbare afscheiding tussen de Blokleiding onder de straat en die onder de woningen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Blokleidingen niet kunnen worden aangemerkt als een particulier deelnet van het stadsverwarmingsnet van Essent. Dit betekent dat de delen van de Blokleiding gelegen onder de straat en die gelegen onder de woningen tezamen één net vormen. Deze conclusie komt overeen met de in de wetsgeschiedenis op artikel 5:20 BW te vinden constatering van de wetgever dat een net een feitelijke en functionele eenheid is, wat in het onderhavige geval ook zo is.

4.4.5.

De rechtbank volgt hier het oordeel van de rechtbank Den Haag gegeven in een zaak waarin artikel 5:20 niet van toepassing werd geacht (Rb. Den Haag, 15-04-2009, NJF 2009/192 Winkelhof). De toepasselijkheid en de betekenis van dat artikel behoeven daarna geen nadere beschouwing

4.4.6.

Gelet op de hiervoor in paragraaf 4.3 beschreven normale situatie en hetgeen in de voorgaande alinea’s werd overwogen, mocht koopster aan het begrip “Binnenleiding” waartoe zouden behoren: “de buizen vanaf de afsluitkraan, de radiatoren met appendages, en de meetapparatuur” de zin toekennen dat daarmee werd gedoeld op de leidingen binnenin de woningen vanaf de onder de individuele woning aanwezige afsluitkraan waarover de bewoner c.q. de eigenaar controle kon uitoefenen, hetgeen. Ingevolge dit oordeel moet de Blokleiding vanaf de Blokafsluiters tot aan de individuele afsluitkranen onder de woningen als “Dienstleiding” in de zin van de Akte en de Verordening Warmtelevering worden aangemerkt.

Dat koopster deze zin aan de genoemde bepalingen mocht toekennen wordt nog versterkt door de indertijd gevoelde noodzaak om de eigendom van Blokleidingen, voor zover onder of in de grond van koopster gelegen, en de bevoegdheid tot onderhoud ervan in een erfdienstbaarheid vast te leggen.

Op grond van artikel 3 van de Verordening droeg de gemeente en draagt thans haar rechtsopvolgster Essent zorg voor het onderhoud daarvan.

4.5.

Op grond van het tot dusver overwogene moeten de in de onderdelen 1 en 2 van de vordering van PMT gevorderde verklaringen voor recht worden toegewezen.

4.6.

Anders ligt het met de onderdelen 3 en 4 van de vordering die er toe strekken dat aan Essent wordt bevolen daadwerkelijk tot onderhoud over te gaan.

4.6.1.

Op zichzelf kan artikel 6:162 BW ook grond geven voor het afdwingen van maatregelen van preventie voor het geval dat ernstig dreigt dat onrecht staat te geschieden (HR 18-08-1944, NJ 1994/’45, 598).

4.6.2.

Maar tegenover het verweer van Essent dat thans (nog) geen sprake is van een technische noodzaak van de door PMT beoogde onderhoudswerkzaamheden (CvA, pt. 28), heeft PMT onvoldoende gesteld en onderbouwd (bijv. door technische rapportage) dat reeds nu in zodanige mate onmiddellijke en ernstige schade dreigt, dat de bevoegdheid van Essent om onderhoud te plegen op de wijze en in het tempo dat zij wenselijk acht te doorbreken. Weliswaar loopt Essent risico dat als gevolg van uitstel van onderhoud schade optreedt waarvoor zij aansprakelijk kan zijn, maar dat zulks op dit moment een onaanvaardbaar risico voor lijf en goed van de bewoners oplevert blijkt uit niets.

4.6.3.

Het verweer tegen deze onderdelen van de vordering is gegrond. In die onvoldoende gesubstantiëerde onderdelen van haar vordering kan PMT niet worden ontvangen; zij worden op die grond afgewezen.

4.7.

In de omstandigheid dat slechts twee van de vier onderdelen van de vordering worden toegewezen, vindt de rechtbank grond om de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de kosten van onderhoud en/of vervanging van de leidingen/buizen die zijn gelegen tussen enerzijds de afsluitkranen in de 134 individuele woningen gelegen in de Wuustwezelstraat, Vlimmerenstraat, Meerhoutstraat, Loenhoutstraat en de Zandhovenstraat te Breda en anderzijds de algemene blokafsluitkranen (deze leidinggedeelten in dit vonnis ook aangeduid als: Blokleidingen) voor rekening van Essent komen;

5.2.

verklaart voor recht dat Essent PMT dient te vrijwaren voor alle schade van PMT die is of zal ontstaan als gevolg van de vertraging in het onderhoud en de reparaties terzake die Blokleidingen vanaf het eerste moment dat PMT dit aan Essent heeft verzocht;

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W. Rullmann en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.