Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5188

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
C/01/274839 / EX RK 14-78
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting:

Letselschade. Deelgeschil. Artt. 7:954 BW, 1019w lid 3 Rv, 1019z Rv. Een automobiliste, die een voetganger heeft aangereden, vordert schadevergoeding van de aansprakelijkheidsverzekering van die voetganger (die als gevolg van de aanrijding is overleden). Op basis van de eigen stellingen van de automobiliste staat volgens de rechtbank wel vast dat van overmacht aan haar kant geen sprake is geweest. Ook staat volgens de rechtbank wel vast dat de voetganger een verkeersfout heeft gemaakt bij het oversteken. Om te kunnen bepalen voor welk deel de verzekeraar aansprakelijk is (causale verdeling en billijkheidscorrectie) moet meer komen vast te staan over de precieze toedracht van de aanrijding. Daarvoor zullen getuigen moeten worden gehoord en wellicht een ongevallenexpert moeten worden geraadpleegd. Een dergelijke bewijsvoering gaat het bestek van de deelgeschilprocedure te buiten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 954
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019z
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/147
RAV 2014/105

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/274839 / EX RK 14-78

Beschikking in deelgeschil van 26 augustus 2014

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. F.C. Schirmeister te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

verweerster,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

met belanghebbenden

1 [belanghebbende sub 1],

wonende te[woonplaats],

niet verschenen,

2 [belanghebbende sub 2]

wonende te[woonplaats],

niet verschenen.

Verzoekster zal hierna “[verzoekster]” worden genoemd, verweerster “Reaal”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 12 februari 2014

  • -

    het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 april 2014

  • -

    de bij faxbrief van 18 april 2014 door Reaal overgelegde producties 10 t/m 12

  • -

    de bij faxbrief van 24 april 2014 door Reaal overgelegde productie 13

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 8 juli 2014

1.2.

De zitting van 22 april 2014 is uitgesteld omdat geen oproeping van alle belanghebbenden had plaatsgevonden. Bij aangetekende brieven van 13 mei 2014 is dat alsnog gebeurd. De zaak is behandeld ter zitting van 8 juli 2014. De belanghebbenden zijn niet verschenen.

1.3.

De rechtbank heeft de datum van de beschikking bepaald op 26 augustus 2014.

2 De feiten

Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

Op 11 augustus 2011 vond op de [straat] in [woonplaats] een verkeersongeval plaats. De heer [belanghebbende sub 1] is als voetganger bij het oversteken van de [straat] aangereden door [verzoekster], destijds 19 jaar oud, die daar in de auto van haar ouders reed in de richting[woonplaats]. [belanghebbende sub 1] is als gevolg van deze aanrijding om het leven gekomen.

2.2.

De [straat] ligt binnen de bebouwde kom en er geldt een maximumsnelheid van 50 km/uur. Ter hoogte van eetcafé [naam] bestaat de [straat] uit twee rijbanen in tegengestelde richting, met aan elke zijde een fietsstrook. Aan beide kanten bevinden zich huizen en kleine bedrijven. De [straat] wordt ’s avonds verlicht door lantaarnpalen.

2.3.

[belanghebbende sub 1] had de plaatselijke bingoavond in eetcafé [naam] bezocht toen hij rond 22.15 uur met de andere bezoekers van de bingoavond naar buiten liep om naar huis te gaan. Het was inmiddels donker. Buiten voor het eetcafé stonden mensen die net als [belanghebbende sub 1] de bingoavond hadden bezocht. Er stonden mensen op de stoep en op de fietsstrook, en ook aan de overkant van de straat. [belanghebbende sub 1] is de [straat] overgestoken in de richting van zijn brommobiel die geparkeerd stond op een parkeerplaats bij de uitrit van een tankstation schuin tegenover eetcafé [naam]. Hij had haast omdat hij om 22.30 uur een medewerker van de thuiszorg bij hem thuis verwachtte. Hij is eerst de fietsstrook overgestoken, toen de eerste rijbaan, en is vervolgens op de tweede rijbaan aangereden door [verzoekster]. [belanghebbende sub 1] is kort na het ongeval aan zijn verwondingen overleden.

2.4.

[verzoekster] ondervond na het ongeval fysieke en psychische klachten. In verband hiermee heeft zij enige tijd onder behandeling gestaan van een osteopaat en een psycholoog.

2.5.

Reaal is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [belanghebbende sub 1]. [verzoekster] heeft Reaal verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor het ongeval en de daaruit voor [verzoekster] voortvloeiende schade. Reaal heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.6.

Belanghebbenden zijn de erven van [belanghebbende sub 1].

3 Het deelgeschil

Het verzoek

3.1.

[verzoekster] vraagt de rechtbank in deze deelgeschilprocedure kort gezegd om Reaal te veroordelen tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van de schade die zij heeft geleden en nog altijd lijdt als gevolg van het ongeval van 11 augustus 2011. Daarnaast vraagt zij vergoeding van haar advocaatkosten voor dit deelgeschil (4.000,-) en van het door haar betaalde griffierecht (€ 282,-).

3.2.

[verzoekster] meent dat het ongeval het gevolg is geweest van uitsluitend een verkeersfout van [belanghebbende sub 1]. [verzoekster] stelt dat haar voor wat betreft haar rijgedrag rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt zodat zij een geslaagd beroep kan doen op overmacht en Reaal haar schade volledig dient te vergoeden. Zij stelt dat zij met aangepaste snelheid reed en dat zij geen rekening hoefde te houden met het zo onverwachts oversteken door [belanghebbende sub 1]. Voor zover van overmacht geen sprake zou zijn, stelt [verzoekster] dat de fout van [belanghebbende sub 1] - het niet goed uitkijken bij het oversteken - zoveel meer heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, dat een eventuele fout van haar daarbij in het niet valt. Tot slot stelt [verzoekster] dat Reaal op grond van de billijkheidscorrectie de schade van [verzoekster] volledig moet betalen, omdat de fout van [belanghebbende sub 1] veel ernstiger was dan haar beweerdelijke fout, en omdat haar schade niet door verzekering wordt gedekt terwijl [belanghebbende sub 1] tegen wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd bij Reaal. [verzoekster] schat in dat haar schade (een half jaar studievertraging en immateriële schade) meer dan € 25.000,- zal bedragen.

3.3.

Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [verzoekster] over de toedracht van het ongeval ter zitting samengevat het volgende verklaard. Zij was ter plaatse bekend en reed over de [straat] met een snelheid van maximaal 50 km/uur. Bij het naderen van eetcafé [naam] heeft zij haar snelheid verminderd - hoeveel precies weet zij niet - door haar voet van het gaspedaal te halen, omdat zij zag dat het daar druk was: er stonden mensen op de stoep en de fietsstrook aan beide kanten van de weg, en er stonden auto’s voor het eetcafé. Vervolgens zag zij plotseling [belanghebbende sub 1] voor haar auto. Zij heeft hem met de rechtervoorzijde van haar auto geraakt. Anderen hebben haar verteld dat [belanghebbende sub 1] haastig liep en niet uitkeek voordat hij overstak, en dat hij achter een passerende auto vandaan kwam. Zelf kan [verzoekster] zich niet herinneren of sprake was van een tegenligger kort voor de aanrijding. [verzoekster] heeft over de situatie ter plaatse nog verklaard dat de [straat] een soort doorgaande weg is, dat het donker was die avond, dat de straatlantaarn verderop stond en dat [belanghebbende sub 1] donkere kleding droeg.

3.4.

Behalve met haar eigen verklaring ter zitting heeft [verzoekster] haar verzoek ook onderbouwd door overlegging van een aantal getuigenverklaringen. Als productie 6 heeft zij overgelegd een brief van de politie Brabant Zuid-Oost van 3 oktober 2012 met daarin opgenomen enkele gedeelten uit de verklaringen van drie geanonimiseerde getuigen. Als producties 7 en 8 heeft zij overgelegd schriftelijke getuigenverklaringen, voorzien van een situatieschets, die de getuigen[getuigen] en M. van Loon op verzoek van de advocaat van [verzoekster] hebben opgesteld. [verzoekster] stelt dat haar uit navraag bij de politie is gebleken dat van het ongeval geen proces-verbaal is opgemaakt. [verzoekster] stelt dat zij zowel direct na het ongeval als later op het politiebureau is ondervraagd door de politie, maar dat een schriftelijke vastlegging hiervan ontbreekt.

Het verweer

3.5.

Reaal verzoekt de rechtbank om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van deze procedure.

3.6.

Reaal voert aan dat deze zaak zich niet leent voor behandeling in deelgeschil (artikel 1019z Rv) omdat de toedracht van het ongeval niet vaststaat en dus nader onderzoek nodig is - getuigenverhoren en mogelijk een deskundigenbericht door een ongevallenexpert - om de aansprakelijkheidsvraag te kunnen beantwoorden.

3.7.

Daarnaast is Reaal van mening dat [verzoekster] geen beroep toekomt op overmacht omdat zij in strijd met artikel 19 RVV het eetcafé is genaderd met een onverminderde snelheid van 50 à 60 km/uur. Reaal stelt dat als [verzoekster] met een aan de situatie aangepaste snelheid van 30 km/uur had gereden het ongeval niet had plaatsgevonden, althans een veel geringere impact had gehad. Reaal betwist dat het zicht werd belemmerd door geparkeerde auto’s en dat [belanghebbende sub 1] achter een passerende auto is overgestoken.

Reaal stelt dat [verzoekster] [belanghebbende sub 1] heeft kunnen zien lopen, eerst over de fietsstrook en vervolgens over de eerste rijbaan, voordat hij op haar rijbaan kwam.

Volgens Reaal staat niet vast dat [belanghebbende sub 1] niet heeft uitgekeken voordat hij overstak en kan [belanghebbende sub 1] niet worden verweten dat hij is overgestoken terwijl [verzoekster] naderde. Reaal meent dat de schade van [verzoekster] geheel voor haar eigen rekening dient te blijven. In het kader van de billijkheidscorrectie beroept Reaal zich nog op het zogenaamde Betriebsgefahr en benadrukt zij dat een verzekering geen aansprakelijkheid schept of in omvang uitbreidt.

3.8.

Reaal onderbouwt haar verweer onder meer door te wijzen op de verklaringen van vier getuigen die zij zelf heeft ondervraagd: [getuigen]. Reaal heeft deze getuigen telefonisch gesproken en van hun verklaringen een telefoonnotitie gemaakt, met de inhoud waarvan de getuigen akkoord zijn gegaan.

3.9.

Reaal voert ook verweer tegen de hoogte van gevorderde kosten.

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek van [verzoekster], dat is geformuleerd als een verzoek om een veroordeling tot schadevergoeding, behelst in feite een verzoek om een beslissing over het bestaan en de omvang van de aansprakelijkheid van Reaal. Het verzoek strekt ertoe dat wordt vastgesteld dat zij op grond van artikel 7:954 BW van Reaal vergoeding kan vorderen van de schade die zij lijdt als gevolg van de aanrijding met Reaals verzekerde [belanghebbende sub 1]. Ingevolge artikel 1019w lid 3 Rv staat de deelgeschilprocedure open voor een dergelijk verzoek. Met Reaal is de rechtbank echter van oordeel dat dit verzoek van [verzoekster] zich niet leent voor behandeling in de deelgeschilprocedure omdat nadere bewijslevering nodig is. De rechtbank zal dat hierna toelichten.

4.2.

De vordering van [verzoekster] is gebaseerd op het standpunt dat [belanghebbende sub 1] op grond van artikel 6:162 BW jegens haar als automobiliste aansprakelijk is voor haar schade wegens een door hem gemaakte verkeersfout bij het oversteken.

4.3.

Zoals partijen onderkennen moet een zaak als deze, waarin een automobiliste schadevergoeding vordert van de voetganger die zij heeft aangereden, worden beoordeeld aan de hand van de uitgangspunten die de Hoge Raad daarvoor heeft gegeven in het arrest Chan-a-Hung / Maalsté (ECLI:NL:HR:2001:AB1426). Dit houdt in dat artikel 185 WVW in die zin van overeenkomstige toepassing is dat de schade van de automobiliste, behoudens in geval van overmacht aan haar zijde, in beginsel voor een deel voor haar rekening blijft. Welk deel dat is, hangt af van de mate waarin de fout van de voetganger enerzijds en de aan de automobiliste toe te rekenen omstandigheden anderzijds tot de schade hebben bijgedragen. De 100%- en 50%-regel zijn niet van overeenkomstige toepassing. De gevolgen van deze reflexwerking van artikel 185 WVW kunnen worden verzacht door toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW.

4.4.

[verzoekster] heeft dus slechts recht op vergoeding van haar volledige schade indien aan haar zijde sprake is geweest van overmacht. Van overmacht is sprake indien aan [verzoekster] ter zake van haar verkeersgedrag, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij geldt dat zij als automobilist rekening dient te houden met mogelijke fouten van andere verkeersdeelnemers. Alleen als de fout van [belanghebbende sub 1] zo onwaarschijnlijk was dat zij bij het bepalen van haar verkeersgedrag met de mogelijkheid van een dergelijke fout naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden, is sprake van overmacht (ECLI:NL:HR:1992:ZC0616).

4.5.

De rechtbank stelt vast dat partijen het niet eens zijn over de precieze toedracht van het ongeval. Zij twisten niet alleen over de snelheid waarmee [verzoekster] heeft gereden, maar zijn het er ook niet over eens of het zicht van [verzoekster] op [belanghebbende sub 1] werd belemmerd door geparkeerde auto’s en/of een passerende auto, en of [belanghebbende sub 1] heeft uitgekeken alvorens over te steken. Dit zijn aspecten die een rol spelen bij de beoordeling van de aansprakelijkheid.

4.6.

[verzoekster] baseert zich op haar eigen verklaring zoals zij die ter zitting van 8 juli 2014 heeft gegeven en op een vijftal getuigenverklaringen. Reaal beroept zich op vier andere getuigenverklaringen. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [verzoekster] niet op alle onderdelen steun vindt in de getuigenverklaringen, dat de verklaringen van de verschillende getuigen niet op alle punten gelijkluidend zijn en dat er ook punten zijn waarover zij niets hebben verklaard. Van de verklaringen die tegenover de politie zijn afgelegd zijn niet de volledige processen-verbaal overgelegd maar zijn slechts gedeelten weergegeven. Deze getuigen zijn bovendien anoniem gebleven, zodat bijvoorbeeld niet bekend is of de door de politie gehoorde getuige 3 dezelfde persoon is als de later door [verzoekster] aangeschreven getuige [getuige] (in beide gevallen gaat het om een taxichauffeuse die tegenover eetcafé [naam] geparkeerd stond om klanten op te halen, en [getuige] heeft verklaard dat zij zich als getuige bij de politie heeft gemeld). De verklaringen van getuige 3 en [getuige] komen op belangrijke punten, zoals de snelheid van [verzoekster] en het niet uitkijken door [belanghebbende sub 1], niet overeen. De overige getuigenverklaringen zijn afgegeven op verzoek van de advocaten van partijen, waarbij niet bekend is hoe de vraagstelling precies heeft geluid. De door Reaal overgelegde verklaringen zijn bovendien niet door de getuigen zelf opgesteld maar door de advocaat van Reaal. Aan de verschillende verklaringen kan dan ook niet het gewicht worden toegekend van een bij de rechtbank onder ede afgelegde getuigenverklaring. Al met al bieden de verklaringen de rechtbank onvoldoende houvast om tot bewijs te kunnen dienen over de tussen partijen bestaande geschilpunten.

4.7.

Niettemin staat naar het oordeel van de rechtbank vast, uitgaande van de eigen stellingen van [verzoekster] en hetgeen zij ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd, dat van overmacht bij [verzoekster] geen sprake is geweest. Het moge zo zijn dat de [straat] een soort doorgaande weg is en dat daar een maximumsnelheid geldt van 50 km/uur, vast staat dat het op het moment van het ongeval ter hoogte van eetcafé [naam] een drukte van belang was. [verzoekster], die bekend was met de situatie ter plaatse, heeft toen zij het eetcafé naderde deze drukte ook gezien. Die drukke en onoverzichtelijke situatie, zoals door [verzoekster] zelf beschreven, had voor haar aanleiding moeten zijn om haar snelheid van omstreeks 50 km/uur bij het passeren van het eetcafé aanzienlijk terug te brengen. Zij had er op bedacht moeten zijn dat er vanuit de groepjes mensen die net het eetcafé hadden verlaten en buiten stonden, plotseling iemand zou kunnen oversteken. In de gegeven omstandigheden kan het oversteken zonder goed uit te kijken door een van de cafébezoekers naar het oordeel van de rechtbank niet worden beschouwd als een zo onwaarschijnlijke fout dat [verzoekster] daarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Indien juist is, zoals [verzoekster] stelt maar Reaal betwist, dat er ook auto’s voor het eetcafé geparkeerd stonden, dat de straat op die plek niet goed was verlicht, en dat er, juist voordat [belanghebbende sub 1] overstak, een auto passeerde op de andere rijbaan, dan had dat voor [verzoekster], die zag dat daar veel mensen buiten stonden, te meer reden moeten vormen om langzaam te passeren, omdat zij in dat geval geen goed zicht had op de situatie en er rekening mee moest houden dat er iemand van achter een geparkeerde of passerende auto zou kunnen oversteken. De rechtbank is met Reaal van oordeel dat een snelheid van 30 km/uur hier een passende snelheid was geweest. Dat zij haar snelheid in deze mate heeft teruggebracht heeft [verzoekster] niet gesteld en in de getuigenverklaringen is hiervoor ook geen steun te vinden. Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard niet te weten met welke snelheid zij reed. In het aanrijdingsformulier, dat haar moeder voor haar heeft ingevuld, staat dat [verzoekster] ongeveer 40 km/uur reed. Ook in de aansprakelijkstelling van 12 oktober 2012 heeft de advocaat van [verzoekster] gemeld dat zij naar schatting ongeveer 40 km/uur reed. Door geen van de getuigen wordt een snelheid lager dan 50 km/uur genoemd. [verzoekster] heeft haar snelheid dus onvoldoende aangepast aan de situatie ter plaatse van het ongeval, waardoor aan de strenge toets voor overmacht niet is voldaan.

4.8.

Zoals hiervoor onder 4.3 is overwogen, moet bij het ontbreken van overmacht worden bezien in welke mate de gedragingen van de betrokkenen causaal hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [verzoekster] stelt dat het ongeval geheel of althans in overwegende mate door [belanghebbende sub 1] is veroorzaakt, omdat hij niet heeft uitgekeken bij het oversteken. Reaal betwist dat [belanghebbende sub 1] niet heeft uitgekeken en voert aan dat de causale bijdrage van [belanghebbende sub 1] nihil is geweest omdat hem niets te verwijten valt.

4.9.

Ook hier geldt naar het oordeel van de rechtbank dat, daargelaten de tussen partijen bestaande geschilpunten over de precieze toedracht van het ongeval, toch vast staat dat door [belanghebbende sub 1] bij het oversteken van de [straat] een fout is gemaakt die heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [belanghebbende sub 1] is immers de straat overgestoken terwijl [verzoekster] naderde in haar auto. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat [belanghebbende sub 1] niet (goed) heeft uitgekeken alvorens over te steken, mede gelet op wat politiegetuige 2, getuige [getuige] en getuige [getuige]daarover hebben verklaard. Maar ook indien [belanghebbende sub 1] wel heeft uitgekeken bij het oversteken, dan heeft hij een fout gemaakt door over te steken terwijl van rechts de auto van [verzoekster] naderde. In de visie van Reaal naderde [verzoekster] met een snelheid van 50 à 60 km/uur en werd het zicht tussen haar en [belanghebbende sub 1] niet belemmerd. Door aldus over te steken terwijl hij [verzoekster] kon zien naderen, heeft [belanghebbende sub 1] een verkeersfout gemaakt die ertoe heeft bijgedragen dat de aanrijding plaatsvond.

4.10.

Omdat de aanrijding mede is veroorzaakt door een verkeersfout van [belanghebbende sub 1] is Reaal in beginsel aansprakelijk te houden voor een deel van de schade van [verzoekster]. Niet voor haar volledige schade, omdat immers van overmacht bij [verzoekster] geen sprake was. Om te kunnen bepalen voor welk deel Reaal aansprakelijk is, moet de causale verdeling tussen beiden worden vastgesteld en het beroep op de billijkheidscorrectie worden beoordeeld. Hiervoor is nodig dat de precieze toedracht van het ongeval komt vast te staan. Zoals eerder overwogen bieden de overgelegde verklaringen van getuigen hierbij onvoldoende houvast en is nadere bewijslevering nodig. Om de ernst en omvang van de aan beide zijden gemaakte fouten te kunnen beoordelen moet onder meer duidelijk zijn met welke snelheid [verzoekster] heeft gereden, of het zicht op [belanghebbende sub 1] werd belemmerd door geparkeerde auto’s en/of een passerende auto, en of [belanghebbende sub 1] heeft uitgekeken voor hij overstak. Hierover zullen getuigen onder ede moeten worden gehoord en zal misschien een ongevallenexpert moeten worden geraadpleegd. Het gaat het bestek van de deelgeschilprocedure te buiten om deze bewijsvoering in dit deelgeschil toe te staan.

4.11.

De slotsom is dan ook dat het verzoek van [verzoekster], om (de omvang van) de aansprakelijkheid van Reaal vast te stellen voor het ongeval van 11 augustus 2011, zich gelet op het bepaalde in artikel 1019z Rv niet leent voor afdoening binnen de kaders van dit deelgeschil.

4.12.

[verzoekster] vordert een bedrag van € 4.282,- voor de kosten die zij heeft moeten maken voor dit deelgeschil (artikel 1019aa Rv). Zij begroot die kosten op € 4.000,- aan advocaatkosten en € 282,- aan griffierecht. Rekenend met een door haar advocaat gehanteerd uurtarief van € 215,- exclusief 21% btw, gaat zij uit van in totaal 15,37 gedeclareerde uren. Ter zitting heeft mr. Schirmeister een specificatie overgelegd van de 11,5 uur die hij tot de zitting in rekening heeft gebracht. Reaal voert verweer en stelt, zonder nadere toelichting, dat bij de begroting van de kosten moet worden uitgegaan van maximaal 10 uur in totaal.

4.13.

De rechtbank acht het totale aantal van 15,37 uur dat mr. Schirmeister aan dit deelgeschil heeft besteed verdedigbaar en niet onredelijk. De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil dan ook conform het verzoek van [verzoekster] op een bedrag van € 4.282,-, inclusief griffierecht. Deze kosten hebben ingevolge artikel 1019aa lid 2 Rv te gelden als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Omdat (de omvang van) de aansprakelijkheid van Reaal nog niet vast staat, zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken.

4.14.

Reaal heeft verzocht om een veroordeling van [verzoekster] in de kosten van deze procedure. Voor een dergelijke veroordeling is geen plaats omdat in artikel 1019aa lid 3 Rv is bepaald dat artikel 289 Rv niet van toepassing is in de deelgeschilprocedure.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de verzoeken van [verzoekster] af,

5.2.

begroot de kosten voor deze procedure aan de zijde van [verzoekster] op € 4.282,-.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2014.