Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5123

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
SHE 14/2675
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning voor drie maanden na aantreffen harddrugs

In de woning van verzoekster is een grote hoeveelheid pillen met daarin de als harddrugs aangemerkte stof MDMA aangetroffen. Hiermee bestond voor de burgemeester de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen en op grond van het door hem gehanteerde beleid de woning voor drie maanden te sluiten. De omstandigheid dat de verzoekster niets wist van de aanwezigheid van deze drugs doet niet af aan die bevoegdheid. De overige door verzoekster aangevoerde omstandigheden bieden geen grond voor het oordeel dat de burgemeester in dit geval van zijn beleid heeft moeten afwijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/2675

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M.F.A.M. Collart),

en

de burgemeester van de gemeente Valkenswaard, verweerder

(gemachtigde: mr. A.G.M. Snijders).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten tot sluiting van de woning aan [adres] (hierna: de woning) voor de duur van drie maanden met ingang van 26 augustus 2014.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de gemeente haar ook na 26 augustus 2014 toegang geeft tot de woning.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

Verzoekster woont samen met haar minderjarige dochter in de woning. Verzoekster heeft daar ook een nagelstudio. [persoon A] heeft tot voor kort ook in de woning gewoond.

Op dinsdag 1 juli 2014 omstreeks 07.00 uur is het Integraal Afpakteam Brabant en de politie Valkenswaard onder leiding van de Rechter-commissaris binnengetreden in de woning. Tijdens de daaropvolgende doorzoeking in de woning en de bijgebouwen zijn in de garage vijf doorzichtige plasticzakken aangetroffen met daarin een grote hoeveelheid blauwkleurige pillen. Een eerste indicatieve test ter plaatse heeft uitgewezen dat het hier vermoedelijk gaat om de strafbaar gestelde opiaat XTC. Deze bevindingen zijn vastgelegd in de op ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage van 2 juli 2014, waarin tevens het advies is neergelegd om het binnen verweerders gemeente gehanteerde Damoclesbeleid toe te passen.

De in de woning aangetroffen pillen zijn nader onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Hierbij is komen vast te staan dat de pillen MDMA bevatten.

[persoon A] is strafrechtelijk vervolgd voor het bezit van de pillen.

Bij brief van 3 juli 2014 heeft verweerder verzoekster in kennis gesteld van zijn voornemen om de woning voor een periode van drie maanden te sluiten. Bij brief van 16 juli 2014 heeft verzoekster haar zienswijze kenbaar gemaakt.

2.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat hij op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet de bevoegdheid heeft een last onder bestuursdwang op te leggen indien in woningen of lokalen dan wel in op of op bij woningen of zodanig lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit de bestuurlijke rapportage van 2 juli 2014 en het nadere onderzoek door de NFI is gebleken dat in de woning vijf zakken pillen met daarin de stof MDMA zijn aangetroffen. Deze stof komt voor in lijst I van de Opiumwet. Er is voldaan aan de voorwaarden voor de bevoegdheid, die is gegeven in artikel 13b van de Opiumwet. Inzake de toepassing van deze bevoegdheid heeft verweerder beleid ontwikkeld dat is vastgelegd in de “Beleidsregels bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid)” (hierna: het beleid). Op grond van deze beleidsregels heeft verweerder de woning voor een periode van drie maanden gesloten. Verweerder heeft deze bevoegdheid in het onderhavige geval aangewend ter bescherming van het algemeen belang tot beëindiging van de inbreuk op de openbare orde en veiligheid en de daarmee gepaard gaande aantasting van het woon- en leefklimaat. Het door verzoekster aangevoerde persoonlijke belang acht verweerder hieraan ondergeschikt.

3.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onrechtmatig is en in de bodemprocedure geen stand zal houden. Als gevolg van het besluit zal verzoekster met haar dochter op straat komen staan. [persoon A] heeft bekend in zijn strafzaak dat hij zonder medeweten van verzoekster verantwoordelijk was voor de aanwezigheid van de drugs in de woning. Verzoekster heeft aangegeven weg te willen bij [persoon A] en heeft zich ingeschreven bij de gemeente en een woningbouwvereniging voor een andere woning. Door de woning te sluiten worden feitelijk verzoekster en haar dochter gestraft, hetgeen verweerder onvoldoende heeft onderkend. Bij de noodzakelijke belangenafweging heeft verweerder evenmin betrokken dat niet is gebleken dat drugs vanuit de woning zijn verhandeld of dat in dat verband overlast is veroorzaakt. Het bestreden besluit is verder in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarin onder meer verzoeksters recht op op family life is neergelegd. Het belang van de gemeente om tot sluiting over te gaan weegt minder zwaar dan de persoonlijke belangen van verzoekster. Verweerder had dan ook dienen te volstaan met een waarschuwing of een sluiting van kortere duur, zodat verzoekster niet onevenredig zwaar in haar belangen wordt getroffen.

4.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid van de algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.

De voorzieningenrechter acht het belang van verzoekster bij het treffen van de gevraagde voorziening onder de gegeven omstandigheden voldoende spoedeisend. Het belang van verzoekster bij het treffen van die voorziening dient in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure te worden afgewogen tegen het belang van verweerder. Dit vereist een meer inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit op basis van een voorlopige rechtmatigheidstoets. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een eventuele bodemprocedure.

6.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) wordt verkocht.

7.

Op grond van artikel 5:21, van de Awb wordt onder bestuursdwang de herstelsanctie verstaan, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijke herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd

8.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet beschikt over beleidsvrijheid, zodat het sluitingsbevel op terughoudende wijze getoetst dient te worden (zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9512). Hetzelfde geldt met betrekking tot de vaststelling van de sluitingstermijn, omdat verweerder ook daarbij beschikt over beslissingsruimte.

9.

Ter uitvoering van zijn bevoegdheid heeft verweerder op 1 januari 2012 het beleid vastgesteld. Hierin is aangegeven hoe de burgemeester zal omgaan met zijn bevoegdheden op grond van artikel 13b Opiumwet. Op grond van dit beleid wordt, indien in woningen of bij de woningen behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet (harddrugs) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is de woning bij een eerste overtreding voor drie maanden gesloten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit beleid niet als kennelijk onredelijk aan te merken. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 juli 2014 ECLI:NL:RVS:2014:2859 en 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4412.

10.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de woning een grote hoeveelheid pillen met daarin de als harddrugs aangemerkte stof MDMA is aangetroffen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee voldaan aan het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet en bestond voor verweerder op grond hiervan de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. De omstandigheid dat eiseres niets wist van de aanwezigheid van deze drugs doet niet af aan die bevoegdheid. De sluiting heeft bovendien geen bestraffend karakter, maar een herstellend karakter. Steun voor dit oordeel vindt de voorzieningenrechter in de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2562 rechtsoverwegingen 4.1. en 5.1.

11.

Het besluit van verweerder om zonder voorafgaande waarschuwing een last tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden op te leggen, is in overeenstemming met het beleid. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoekster aangevoerde omstandigheden geen grond voor het oordeel dat de burgemeester in dit geval van zijn beleid heeft moeten afwijken. Verzoekster heeft gesteld, maar niet nader met objectieve stukken onderbouwd, dat zij en haar dochter noodzakelijk op de woning zijn aangewezen. De voorzieningenrechter neemt daarbij tevens in aanmerking dat verzoekster heeft gesteld dat zij voornemens was om de woning te verlaten. De gestelde omstandigheden dat geen sprake is geweest van overlast, dat verzoekster niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs in de woning, dat zij niet als verdachte is aangemerkt en dat zij een nagelstudio aan huis heeft waarvan zij voor haar inkomen afhankelijk is, zijn omstandigheden die moeten worden geacht bij het vaststellen van de beleidsregel te zijn verdisconteerd. Deze omstandigheden kunnen om die reden niet als bijzondere omstandigheden in de zin van 4:84, van de Awb worden aangemerkt.

12.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn inmengingen van enig openbaar gezag in de uitoefening van het in het eerste lid neergelegde recht toegestaan, voor zover deze bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor, onder meer, het voorkomen van strafbare feiten of het beschermen van de rechten van anderen. De bevoegdheid tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en derhalve bij de wet voorzien. Gelet op hetgeen in de woning is aangetroffen, mocht verweerder sluiting van de woning voor de duur van drie maanden dan ook noodzakelijk achten ter voorkoming van strafbare feiten en ter bescherming van de rechten van anderen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3055.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van onevenredigheid tussen de met de sluiting gediende algemene belangen en de nadelige (financiële) gevolgen daarvan voor verzoekster en haar dochter. Er bestaat evenmin grond voor het oordeel dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van verzoekster. Daarbij is van belang dat verweerder verzoekster met het oog op de door haar gestelde belangen tegemoet is gekomen door een begunstigingstermijn van ruim een maand te hanteren voor het vinden van vervangende woonruimte.

13.

Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

14.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

15.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.G.M. Kosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.