Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5056

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
SHE 14/2174
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Exploitatie parkeerplaatsen bij kantoor als autoparkeerterrein

Het bestreden besluit ziet op het opleggen van een last onder dwangsom in verband met het exploiteren van een autoparkeerterrein.

Verweerder weigert om medewerking te verlenen aan het (tijdelijk) afwijken van het bestemmingsplan.

De motivering van een dergelijke weigering moet, hoewel door de voorzieningenrechter marginaal getoetst, het besluit wel kunnen dragen.

Het bestemmingsplan staat ingevolge artikel 7.4.1. een (tijdelijke) wijziging van de bestemming naar autoparkeerterrein toe.

Verweerder kan naar voorlopig oordeel met het bestreden besluit het gebruik van de aanwezige parkeerplaatsen niet blijvend beperken, nu de aanwezige parkeerplaatsen in elk geval (weer) in gebruik kunnen worden genomen indien dit samenhangt met gebruik van het bijbehorende kantoorpand in overeenstemming met de bestemming. Verweerder kan derhalve met het bestreden besluit niet bereiken wat ze ingevolge het beleid nastreeft, te weten duurzaam minder automobilisten in de binnenstad om daarmee op termijn (2015) aan de luchtkwaliteit te voldoen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet, geldigheid: 2014-08-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6319

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/2174

SHE 14/2175

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

-SHE 14/2174:

[verzoekster] te [vestigingsplaats], verzoekster,

(gemachtigde: mr. M.J. de Buck-Hartman en [persoon 1]),

-SHE 14/2175:

[verzoekster] te [vestigingsplaats], verzoekster,

(gemachtigde: mr. M.J. de Buck-Hartman en [persoon 1]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Kepers, R. Martens en drs. ing. J.M.A. Splint).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2014 heeft verweerder aan [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) medegedeeld dat is geconstateerd dat de percelen aan de [adres 1] te Eindhoven worden gebruikt als openbaar parkeerterrein waar tegen betaling geparkeerd kan worden. [bedrijf 1] wordt gelast om binnen twee weken na verzenddatum van dit besluit de overtreding, namelijk het met het bestemmingsplan strijdige gebruik op de percelen aan de [adres 1] te Eindhoven, kadastraal bekend als gemeente Eindhoven, sectie D, perceelsnummers [nr 1] en [nr 2] te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden. Voor elke keer dat een toezichthouder constateert dat niet tijdig de overtreding is beëindigd en beëindigd wordt gehouden, wordt een bedrag verbeurd van € 5.000,- met een maximum van € 25.000,-.

[bedrijf 1] kan de overtreding beëindigen door de exploitatie van de percelen ten behoeve van een (openbaar) autoparkeerterrein te (laten) staken en gestaakt te (laten) houden. Dit impli-ceert tevens dat de infrastructuur die op het terrein is aangebracht ten behoeve van het illegaal gebruik, zoals reclameborden en (betaal)automaten, wordt verwijderd en verwijderd blijft.

Op 25 juni 2014 heeft verweerder een identiek besluit als hiervoor weergegeven ten aanzien van verzoekster genomen en op 26 juni 2014 verzonden.

Verzoekster heeft tegen de besluiten van 17 en 25 juni 2014 bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om ten aanzien van beide besluiten een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek dat ziet op het besluit van 17 juni 2014 is bij de rechtbank geregistreerd onder SHE 14/2175. Het verzoek tegen het besluit van 25 juni 2014 onder SHE 14/2174.

Bij e-mail van 26 juni 2014 heeft een ambtenaar van de gemeente Eindhoven aan de gemachtigde van verzoekster aangegeven dat als verzenddatum van de brief aan [bedrijf 1] eveneens 26 juli 2014 (lees: 26 juni 2014) zal worden gehanteerd, zodat voor beide partijen de begunstigingstermijn gelijktijdig afloopt.

Bij fax van 30 juni 2014 heeft verweerder aan de rechtbank medegedeeld dat de begunstigingstermijn wordt opgeschort tot 2 weken nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan in deze procedure.

Bij besluit van 7 juli 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de last van 25 juni 2014 gewijzigd inhoudende dat verzoekster wordt gelast op grond van artikel 125 van de Gemeentewet juncto artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo juncto artikel 7.1 van het bestemmingsplan “Emmasingelkwadrant-Fellenoord 2013” en artikel 5:32 van de Algemene wet bestuurs-recht (Awb), onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,- per week met een maximum van € 25.000,-, om binnen twee weken na verzenddatum van dit besluit, de overtreding, namelijk het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, op de percelen aan de [adres 1] te beëindigen en beëindigd te houden.

Indien verzoekster aan de lastgeving geen gevolg geeft, wordt na het verstrijken van deze termijn, per week dat wordt geconstateerd dat verzoekster niet heeft voldaan aan de lastgeving, een bedrag verbeurd van € 5.000,- tot een maximum van € 25.000,-. Verzoekster kan de overtreding beëindigen door de exploitatie van de genoemde percelen ten behoeve van een (openbaar) parkeerterrein te staken en gestaakt te houden. Dit impliceert tevens dat de infrastructuur die op het terrein is aangebracht ten behoeve van het illegaal gebruik zoals reclameborden en (betaal)automaten wordt verwijderd en verwijderd blijft. De begunstigingstermijn wijzigt niet en blijft zoals eerder gecommuniceerd met de rechtbank Oost-Brabant.

Ter zitting is gebleken dat verweerder bij besluit van eveneens 7 juli 2014 (het primaire besluit 2) de last van 17 juni 2014, gericht aan [bedrijf 1], ook heeft gewijzigd in vorenbedoelde zin.

Bij brief van 30 juli 2014 heeft de rechtbank [bedrijf 1] in de zaak

SHE 14/2174 uitgenodigd om bij de behandeling van de zitting aanwezig te zijn.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2014. Verzoekster is verschenen bij [persoon 1], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens [bedrijf 1] is niemand verschenen.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Allereerst staat ambtshalve ter beoordeling of verzoekster als belanghebbende kan worden aangemerkt ten aanzien van het aan [bedrijf 1] gerichte besluit 17 juni 2014, zoals gewijzigd bij besluit van 7 juli 2014.

3.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

4.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.

5.

Artikel 1:2. van de Awb luidt als volgt:

1.

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.

Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

6.

Verzoekster stelt dat ze bestaande parkeervoorzieningen voor ziekenhuizen, stedelijke omgevingen en andere locaties exploiteert. [bedrijf 2] huurt van [bedrijf 1] het kantorenpand aan de [adres 1] in Eindhoven. De huurtermijn loopt medio december 2014 af. Sinds begin 2014 staat het kantorenpand grotendeels leeg. Verzoekster heeft met [bedrijf 2] afspraken gemaakt over de beveiliging van het kantoorpand en de parkeerexploitatie van de leegstaande parkeerplaatsen voor de duur van het resterende huurcontract.

[bedrijf 1] heeft verzoekster via beheerder [bedrijf 3] gesommeerd het gebruik van het parkeerterrein te staken en aangekondigd door de gemeente opgelegde sancties door te belasten en te verhalen op verzoekster. Een afschrift van de sommatie d.d. 23 juni 2014 is door verzoekster overgelegd. Gelet hierop heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de aan [bedrijf 1] opgelegde last onder dwangsom.

7.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [bedrijf 1] dient te worden aangemerkt als de eigenaar van de percelen en verzoekster als de huurder hiervan. Er is sprake van een privaatrechtelijke verhouding tussen [bedrijf 1] en verzoekster. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze rechtsverhouding met zich brengt dat verzoekster slechts een afgeleid belang en geen rechtstreeks belang heeft. Aldus bezien zal het bezwaar van verzoekster naar verwachting door verweerder niet-ontvankelijk worden verklaard. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in de zaak SHE 14/2175 zal daarom worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling in deze zaak bestaat geen aanleiding.

8.

Vervolgens staat ter beoordeling van de voorzieningenrechter de aan verzoekster opgelegde (gewijzigde) last onder dwangsom (SHE 14/2174).

9.

Verzoekster voert aan dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

Beveiliging van het pand [adres 1] is hoofdzaak en past binnen het gebruik als kantoor. De beveiliging is gekoppeld aan het gebruik van de kantoorruimte en de bijbehorende parkeervoorziening. Daarnaast biedt verzoekster op de locatie tijdelijk beveiligde parkeerfaciliteiten aan die ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit beveiligen.

De parkeervoorziening is nu tijdelijk ook opengesteld voor derden. Met name bij grote evenementen voorziet de parkeervoorziening duidelijk in een behoefte. Het gebruik van de parkeerruimte door derden is slechts een kleinschalige activiteit die niets afdoet aan de hoofdfunctie (beveiliging van) kantoor. De ruimtelijke effecten van de opengestelde parkeervoorziening zijn minimaal.

10.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat ingevolge de bestemmingsomschrijving en de begripsomschrijvingen van “Kantoor” en “Zakelijke dienstverlening” de exploitatie van een parkeerterrein ten behoeve van openbaar parkeren ter plaatse niet is toegestaan. De zakelijke dienstverlening dient gekoppeld te zijn aan het gebruik van de kantoorruimte en bovendien is de exploitatie van een autoparkeerterrein geen dienstverlening als hier genoemd. Het gebruik van de parkeervoorziening dient, bij de gronden die bestemd zijn voor “Kantoren”, van ondergeschikte aard te zijn. Bij de exploitatie van de percelen als autoparkeerterrein is geen sprake van een dergelijk ondergeschikt gebruik.

Op grond hiervan acht verweerder de exploitatie van het parkeerterrein op de percelen strijdig met de uit het bestemmingsplan voortvloeiende bestemmingsomschrijving.

11.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (..).

12.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op de in geschil zijnde percelen circa 400 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Deze parkeerplaatsen worden (mede) aan derden verhuurd met een maximaal dagtarief van € 11,50.

13.

Tussen partijen is niet in geschil dat van toepassing is het bestemmingsplan “Emmasingel-kwadrant-Fellenoord 2013”. Dit bestemmingsplan is op 19 november 2013 vastgesteld en op 31 januari 2014 onherroepelijk geworden.

Het plangebied ligt in het centrum van Eindhoven en wordt ten zuiden van het spoor begrensd door de Emmasingel, Willemstraat en Vonderweg. Ten noorden van het spoor wordt het gebied begrensd door Fellenoord, Pastoor Petersstraat en de Dommel. Het plangebied omvat de buurten Witte Dame en Fellenoord (met uitzondering van het Rabobankkantoor).

Krachtens dit bestemmingsplan is de bestemming voor de in geschil zijnde percelen “Kantoor”.

Deze bestemming is gelegd op de specifieke kantoorvestigingen in het plangebied.

Naast de bestemming “kantoren” is ingevolge artikel 7.1 tevens sprake van de bestemming “Zakelijke dienstverlening”.

14.

Artikel 7.1 van de planvoorschriften luidt als volgt:

De voor Kantoor aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. kantoren;

b. zakelijke dienstverlening;

c. tevens voor een bedrijf als genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten onder SBI-code

61.A, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1';

d. een parkeergarage ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage';

e. nutsvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorzieningen';

met daaraan ondergeschikt:

f. wegen en paden;

g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

h. groenvoorzieningen;

i. parkeervoorzieningen;

j. tuinen, erven en terreinen;

k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

15.

Ingevolge artikel 1.51 van de planvoorschriften wordt onder “kantoor” verstaan:

een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat dient voor het bestuurlijk/ambtelijk of

bedrijfsmatig uitoefenen van bestuurlijke, juridische, financiële, administratieve,

ontwerptechnische, (sociaal) wetenschappelijke en daarmee gelijk te stellen werkzaam-heden.

16.

Ingevolge artikel 1.86 van de planvoorschriften wordt onder “zakelijke dienstverlening” verstaan: het verlenen van diensten in een kantoorachtige omgeving op juridisch, financieel,

administratief en ontwerptechnisch gebied, alsmede op het gebied van de informatie- en

communicatietechnologie, de verhuur en handel in onroerend goed, zoals architecten-,

onderzoeks-, marketing-, uitzend- en beveiligingsbureaus, makelaarskantoor en daarmee naar de aard vergelijkbare vormen van dienstverlening.

17.

Artikel 18.1 -Gebruik overeenkomstig de bestemming- van de planvoorschriften luidt als volgt: Al dan niet in afwijking van het bepaalde in de bestemmingsregels van Hoofdstuk 2 wordt ter plaatse van een functieaanduiding het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met die functieaanduiding aangemerkt als gebruik overeenkomstig die bestemming.

18.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op artikel 7.1 van de planvoorschriften, de parkeervoorzieningen alleen zijn bedoeld voor ondergeschikt gebruik ten behoeve van de hoofdfunctie Kantoor, waaronder zakelijke dienstverlening. Met het beveiligen van het kantoorgebouw kan niet worden gesproken van een hoofdfunctie Kantoor. Aldus is met het gebruik als betaald openbaar parkeerterrein voor derden -die niet werkzaam zijn in het kantoorgebouw- geen sprake van een parkeerfunctie die hieraan ondergeschikt is.

Mitsdien is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

19.

Gelet op het algemene belang dat met handhaving is gediend, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Daarnaast kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

20.

Verzoekster voert vervolgens aan dat, voor zover de huidige parkeeractiviteiten zijn aan te merken als strijdig gebruik, het opleggen van een last niettemin onevenredig is in verband met de daarmee te dienen belangen. Verzoekster is bereid de opzet te wijzigen in die zin dat de parkeervoorzieningen uitsluitend worden aangeboden aan abonnementshouders.

Het bestemmingsplan kent de mogelijkheid de bestemming (tijdelijk) te wijzigen in “autoparkeerterrein”. Verweerder maakt niet, althans onvoldoende, inzichtelijk waarom zij daaraan in de gegeven situatie geen medewerking willen verlenen. Met haar opstelling frustreert de gemeente het meest doelmatige gebruik van het pand.

Een optimale benutting van bestaande parkeervoorzieningen is bij uitstek doelmatig en duurzaam. De gemeentelijke visie “Eindhoven op weg” staat eveneens een efficiënt gebruik van bestaande parkeervoorzieningen voor. De leefbaarheid in de omliggende wijk zal verbeteren. Dit leidt tot een vergroting van de verkeersveiligheid en een betere verdeling van de parkeerdruk over de binnenstad. In het verleden is het parkeerterrein met medeweten van de gemeente tweewekelijks tegen betaling opengesteld bij alle thuiswedstrijden van PSV. Op het parkeerterrein wordt thans niet beduidend meer, maar beduidend minder geparkeerd dan toen het kantoorgebouw nog in gebruik was; gemiddeld maken per dag slechts 40 auto’s gebruik van de parkeervoorzieningen.

Verzoekster beoogt dat verweerder zal bezien of de parkeeractiviteiten al dan niet tijdelijk kunnen worden toegestaan door middel van een projectafwijkingsbesluit of een herziening van het bestemmingsplan.

Verzoekster verwijst in dit verband nog naar het gemeentelijk terrein aan het Frederik van Eedenplein te Eindhoven. De gemeente heeft dit terrein wel opengesteld voor betaald parkeren.

21.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat beide percelen vallen binnen de gebiedsaanduiding “Wro-zone-wijzigingsgebied-1”.

Op grond van artikel 7.4.1 van de planvoorschriften kan verweerder de bestemming van deze gronden wijzigen. In de Lijst van Bedrijfsactiviteiten worden ook autoparkeerterreinen genoemd, vallend in categorie 2. Verweerder acht het echter onwenselijk om van deze bevoegdheid gebruik te maken omdat een dergelijke uitbreiding van het aantal openbare parkeerplaatsen niet past binnen het beleid zoals dat is geformuleerd in “Eindhoven op Weg” en dat medio 2013 door de gemeenteraad is bekrachtigd. Verweerder ziet geen aanleiding om in dit concrete geval af te wijken van deze visie. Op grond hiervan wordt geen medewerking verleend aan wijziging van het bestemmingsplan.

Voorts acht verweerder het algemeen belang dat de gemeente behartigt zwaarder wegen dan de belangen van verzoekster, mede gezien de zwaarte van de overtreding. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangedragen die voortzetting van de illegale situatie wettigen.

Ter zitting hebben verweerders gemachtigden desgevraagd aangegeven dat de parkeerbehoefte ook elders in het centrum kan worden opgevangen.

Het bepaalde in artikel 7.4.1 van de planvoorschriften betreft een zogeheten “kan-bepaling”; verweerder is derhalve niet verplicht om medewerking te verlenen.

Het beleid van verweerder is gericht op vermindering van het autoverkeer binnen de Ring.

Aldus bezien wordt ook een tijdelijke medewerking niet wenselijk geacht.

Verweerder heeft wel een financieel belang bij de parkeergarage [naam] (verzoeker tot handhaving), er is echter geen sprake van financiële belangen die hebben gespeeld bij het nemen van het bestreden besluit. Alleen planologische afwegingen hebben een rol gespeeld.

Verweerder dient op afzienbare termijn aan de Wet Luchtkwaliteit te voldoen.

22.

Artikel 2.12 van de Wabo luidt deels als volgt:

1.

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3° indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

b. t/m d. (..).

2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, kan de vergunning, voor zover zij betrekking heeft op een activiteit voor een bepaalde termijn, worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

23.

Artikel 7.4 van de planvoorschriften heeft betrekking op de wijzigingsbevoegdheid en luidt deels als volgt:

7.4.1 Wro-zone - wijzigingsgebied - 1

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden, die op de verbeelding

zijn voorzien van de gebiedsaanduiding 'Wro-zone - wijzigingsgebied - 1' wijzigen naar de

bestemming 'Gemengd', 'Wonen', 'Maatschappelijk', 'Bedrijf' en/of 'Horeca', met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. voorzover de bestemming wordt gewijzigd naar 'Bedrijf', zijn uitsluitend bedrijven genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten behorende tot de categorieën 1 en 2 toegestaan, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en/of risicovolle inrichtingen;

b. (..);

c. de uitvoerbaarheid van de bestemmingswijziging moet worden aangetoond, dat wil zeggen dat uit onderzoek moet blijken dat er binnen de planperiode behoefte bestaat aan de

functie die de wijziging mogelijk maakt;

d. de bestemmingswijziging mag geen nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het

verkeer;

e. er moet worden voldaan aan de normen ten aanzien van externe veiligheid;

f. geluidgevoelige bestemmingen mogen uitsluitend worden gerealiseerd conform het door

burgemeester en wethouders verleende besluit hogere waarden, zoals opgenomen in

bijlage 4.

24.

In Bijlage 1: Lijst van bedrijfsactiviteiten zijn onder SBI-code 5221 Autoparkeerterreinen en parkeergarages vermeld, waarbij sprake is van Categorie 2.

25.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bestemmingsplan ingevolge artikel 7.4.1 een (tijdelijke) wijziging van de bestemming naar autoparkeerterrein toestaat.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder c, gelezen in verbinding met artikel 2.12 van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan tot de bevoegdheid van verweerder behoort. Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid dient verweerder de bij het besluit betrokken belangen af te wegen. Een dergelijke afweging leent zich alleen voor een terughoudende (marginale) toetsing door de bestuursrechter, waarbij de rechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

26.

Het vorenoverwogene neemt niet weg dat de motivering van een dergelijke weigering het besluit wel moet kunnen dragen; er dient sprake te zijn van een draagkrachtige motivering.

Gelet op het beleid zoals neergelegd in “Eindhoven op weg” d.d. 19 november 2013 is het gemeentelijk beleid erop gericht om het autoverkeer binnen de Ring van Eindhoven te beperken om aldus na 2015 blijvend te voldoen aan EU-grenswaarden en om het leefklimaat van de stad te verbeteren. Het beleid is gericht op een schone en gezonde stad met een minimale uitstoot. Het oogmerk is een duurzaam bereikbare stad met een verandering van vervoerwijzen, waar het kan meer lopen, fietsen en gebruik van het openbaar vervoer.

Ter plaatse is sprake van circa 400 bestaande parkeerplaatsen die bij een gebruik van het bijbehorende kantoor overeenkomstig het bestemmingsplan door het (kantoor-)personeel gebruikt kunnen worden. Verweerder kan naar voorlopig oordeel met het bestreden besluit het gebruik van de aanwezige parkeerplaatsen niet blijvend beperken, nu de aanwezige parkeerplaatsen -naar verweerder erkent- in elk geval (weer) in gebruik kunnen worden genomen indien dit samenhangt met gebruik van het bijbehorende kantoorpand in overeenstemming met de bestemming. Verweerder kan derhalve met het bestreden besluit niet bereiken wat ze ingevolge het beleid nastreeft, te weten duurzaam minder automobilisten in de binnenstad om daarmee op termijn (2015) aan de luchtkwaliteit te voldoen.

27.

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat vooralsnog niet kan worden uitgesloten dat het primaire besluit 2 in rechte geen stand zal houden. Gelet daarop en de bij dat besluit betrokken belangen van partijen ziet de voorzieningenrechter daarom aanleiding om het primaire besluit 2 te schorsen.

Aldus bezien komt de voorzieningenrechter niet toe aan een bespreking van de overige door verzoekster aangevoerde grieven.

28.

Omdat het verzoek zal worden toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar in de zaak SHE 14/2174 betaalde griffierecht van € 165,00 vergoedt.

29.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder voorts in de door verzoekster in de zaak SHE 14/2174 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,00 (een punt voor het indienen van het verzoekschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting; de waarde per punt bedraagt € 487,00; de zwaarte van de zaak is gemiddeld).

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de door de gemachtigde van verzoekster gemaakte reiskosten nu deze worden geacht reeds te zijn begrepen in de toegekende proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Voor wat betreft de door [persoon 1] gemaakte reiskosten kent de voorzieningenrechter een bedrag ad € 11,28 toe, zijnde het treintarief, 2e klas.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

Inzake SHE 14/2175:

- wijst het verzoek betreffende de aan [bedrijf 1] gerichte last onder

dwangsom af;

Inzake SHE 14/2174:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het aan verzoekster gerichte (gewijzigde) primaire besluit tot en met 6 weken na de

bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- draagt verweerder op aan verzoekster te vergoeden het door haar betaalde griffierecht ad

€ 165,-;

- veroordeelt verweerder aan verzoekster te vergoeden de kosten van rechtsbijstand ad

€ 985,28.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.