Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5055

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
01/820056-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Therapeut vrijgesproken van ontucht met patiënte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/820056-13

Datum uitspraak: 21 augustus 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1949],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 februari 2014 en 7 augustus 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 januari 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 september 2011 tot en met 12 juli 2012 te Eindhoven, terwijl hij toen (als paranormaal therapeut) werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, (meermalen, althans eenmaal) ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte's hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij (telkens) met die [slachtoffer] geslachtsgemeenschap gehad en/of heeft hij haar getongzoend en/of gevingerd en/of haar borst(en) betast.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak, gelet op de volgende omstandigheden: er was reeds lange tijd sprake van vriendschap tussen verdachte en aangeefster; volgens aangeefster was er weliswaar de intentie om een behandeling te ondergaan, maar dat is er volgens aangeefster niet echt van gekomen; de getuigenverklaringen werpen een ander licht op het beeld dat aangeefster van de situatie heeft geschetst en zijn ondersteunend voor de stelling van verdachte dat sprake was van een wederzijdse verliefdheid die volkomen los stond van een behandeling. Volgens de officier van justitie kan niet worden bewezen dat de behandelrelatie een rol heeft gespeeld bij de seksuele handelingen. Zij is er in elk geval niet van overtuigd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft eveneens bepleit dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe ondermeer aangevoerd dat geen sprake was van een echte behandelaar-patiënt relatie in die zin dat de behandelaar ‘de macht’ heeft over de patiënt. Er was sprake van een vriendschappelijke band tussen beiden die tien jaren heeft geduurd, alvorens verdachte aangeefster gratis, als vriendendienst, ging behandelen. Volgens verdachte, de vrouw van verdachte en aangeefster vielen de verliefdheid en de behandeling niet samen. Daarmee is volgens de raadsman, gelet op het criterium van de Hoge Raad ten aanzien van artikel 249, tweede lid onder 3, Wetboek van Strafrecht, geen sprake van ontucht.

Vrijspraak.

De rechtbank acht, net als de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zich, kortgezegd, terwijl verdachte in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg werkzaam was, heeft schuldig gemaakt aan ontucht plegen met een patiënt die zich aan zijn zorg had toevertrouwd, artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3, Wetboek van Strafrecht.

Uit de verklaringen van verdachte en aangeefster blijkt dat tussen verdachte en aangeefster reeds lange tijd sprake was van een vriendschappelijke relatie. Gedurende deze vriendschap heeft zich op enig moment een behandelrelatie ontwikkeld, waarbij verdachte hulp heeft verleend aan aangeefster. Deze behandeling had een zeker professioneel karakter en vond op reguliere basis plaats in een behandelruimte bij verdachte aan huis. Dat verdachte niet betaald kreeg voor de behandelingen, of niet BIG-geregistreerd stond, doet naar het oordeel van de rechtbank er niet aan af dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3, Wetboek van Strafrecht.

Uit het dossier blijkt dat tussen verdachte en aangeefster een affectieve relatie is ontstaan. Er was sprake van wederzijdse gevoelens voor elkaar, zelfs verliefdheid, hetgeen ook ondersteund wordt door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zich uit deze gevoelens voor elkaar, een seksuele relatie ontwikkeld tussen aangeefster en verdachte.

De vraag waarvoor de rechtbank zich thans gesteld ziet, is of sprake is geweest van “ontucht plegen” in de zin van artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3, Wetboek van Strafrecht. De strekking van dit artikel is bescherming te bieden aan patiënten en cliënten die zich in beginsel in een afhankelijke positie bevinden ten opzichte van hun behandelaar of hulpverlener. De Hoge Raad heeft dienaangaande overwogen dat wanneer tussen personen een relatie bestaat als bedoeld in artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3, Wetboek van Strafrecht, slechts bij uitzondering geen sprake zal zijn van “ontucht plegen”, namelijk, indien die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest.1

De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak sprake is van seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster die hebben plaatsgevonden vanuit een affectieve relatie tussen beiden, die met wederzijds goedvinden werd aangegaan en onderhouden. De rechtbank is voorts van oordeel dat, mede in het licht van de langdurige, aan die affectieve relatie voorafgaande vriendschappelijke betrekkingen tussen verdachte en aangeefster, de op enig moment vanuit die vriendschappelijke betrekking ontstane behandelrelatie tussen aangeefster en verdachte niet van invloed is geweest op de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden, hetgeen het ontuchtig karakter daaraan ontneemt. Gelet daarop zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

De vordering van de benadeelde partij.

Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans-Jongeneelen, griffier,

en is uitgesproken op 21 augustus 2014.

mr. I.L.A. Boer is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad NJ 1997, 485 en Hoge Raad 22 maart 2011, BP2630.