Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5047

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
C/01/276098 / EX RK 14-108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deelgeschil letselschade. Aanrijding in Spanje tussen een in Nederland geregistreerde camper en een in België geregistreerde camper. Het toepasselijk recht moet niet worden bepaald aan de hand van de Rome II-Verordening, maar aan de hand van het Haags Verkeersongevallenverdrag van 4 mei 1971. De rechtbank concludeert dat Spaans recht op de rechtsbetrekking tussen partijen van toepassing is, ook voor wat betreft de omvang van de schadevergoeding. Volgens verweerder wordt daarvoor In Spanje een tarifair systeem gehanteerd; de Baremo. Verzoekster heeft niet een voldoende gemotiveerd en onderbouwd standpunt daaromtrent ingenomen. De vraag of verzoekster naar Spaans recht recht heeft op een hogere vergoeding dan het tarief, laat de rechtbank onbeantwoord. Van een volwaardig debat tussen partijen over de precieze inhoud van het Spaanse recht is nog geen sprake geweest. De aard van de deelgeschilprocedure verzet zich ertegen om dat debat thans alsnog te voeren. Daarbij acht de rechtbank van belang dat niet kan worden uitgesloten dat het bij de beoordeling van de schadevergoedingsvordering van verzoekster naar Spaans recht, noodzakelijk zal blijken te zijn om het Internationaal Juridisch Instituut in te schakelen voor advies. Dergelijke stappen zullen in een bodemprocedure moeten worden gezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/198

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/276098 / EX RK 14-108

Beschikking deelgeschil letselschade van 8 augustus 2014

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. R.M.W.H. Bedaux te Heerlen,

tegen

de rechtspersoon naar Belgisch recht

AG INSURANCE,

gevestigd te Zonnebeke, België,

verweerster,

advocaat mr. J.T. Suijdendorp te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en AG worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoekster] ex artikel 1019w Rv, binnengekomen ter griffie op 10 maart 2014;

  • -

    het verweerschrift van AG, binnengekomen ter griffie op 19 juni 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 20 juni 2014 met daarin opgenomen een aanvullend verzoek van [verzoekster];

  • -

    het faxbericht van mr. Bedaux van 23 juni 2014 met daarin enkele opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal;

  • -

    de brief van mr. Suijdendorp van 25 juni 2014, waarin zij reageert op voormeld faxbericht van mr. Bedaux;

  • -

    het faxbericht van mr. Suijdendorp van 26 juni 2014, waarin zij namens AG de rechtbank aangeeft geen bezwaar te maken tegen de ter zitting zijdens [verzoekster] kenbaar gemaakte aanvulling van haar verzoek.

1.2.

De rechtbank heeft vervolgens de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 14 november 2012 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen de camper van het echtpaar [verzoekster] en de camper van de heer[eigenaar camper]. De camper van [verzoekster] stond op het moment van de aanrijding geparkeerd op een camping te Altea, Spanje. De camper [eigenaar camper] – waarin niemand aanwezig was – rolde van een helling af doordat hij niet op de handrem stond en botste vervolgens tegen de camper van [verzoekster] aan.

2.2.

[verzoekster] lag op het moment van de aanrijding boven in haar camper te slapen. Zij viel door de aanrijding naar beneden en liep daarbij letsel op aan haar linkerbeen. De echtgenoot van [verzoekster] bevond zich op het moment van de aanrijding niet in de camper.

2.3.

[verzoekster] heeft de Nederlandse nationaliteit en is aldaar woonachtig. De camper van [verzoekster] staat in Nederland geregistreerd.

2.4.

[eigenaar camper] heeft de Belgische nationaliteit, woont in België en heeft zijn camper verzekerd bij AG. AG heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval volledig erkend.

2.5.

AG heeft de materiële schade aan de camper van [verzoekster] – uitgezonderd de schade aan de boiler – aan haar vergoed. Ter vergoeding van de overige schadeposten heeft AG een bedrag van € 6.881,53 aan haar betaalbaar gesteld. [verzoekster] heeft dat bedrag niet (onvoorwaardelijk) geaccepteerd, als gevolg waarvan er (nog) geen betaling van dat bedrag heeft plaatsgevonden.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank, na aanvulling van haar verzoek:

  1. te verklaren voor recht dat AG gehouden is actief te onderhandelen omtrent de afwikkeling van de in Nederland door [verzoekster] geleden en te lijden schade en te bevoorschotten op de stand van de geleden schade;

  2. vast te stellen welk recht op de voorliggende casus van toepassing is, ook ten aanzien van het begroten en vaststellen van de schade;

  3. AG te veroordelen om aan [verzoekster] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a. een voorschot op de materiële en immateriële schade van [verzoekster], te bepalen op een bedrag ad € 30.000,-;

b. een bijdrage in de buitengerechtelijke advocatenkosten, voorafgaande aan dit verzoekschrift te bepalen op € 3.000,- exclusief de advocatenkosten verband houdende met de behandeling van dit deelgeschil;

c. voornoemde bedragen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum van dit verzoek tot aan de dag der algehele voldoening;

4. AG te veroordelen in de kosten van deze procedure aan de zijde van verzoekster gevallen, inclusief salaris advocaat.

3.2.

Aan deze verzoeken legt [verzoekster] – kort en zakelijk weergegeven – het navolgende ten grondslag.

AG is gehouden de schade te vergoeden die [verzoekster] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 14 november 2012. Op de begroting van het smartengeld is Spaans recht van toepassing, maar op de begroting van de overige schadeposten is Nederlands recht van toepassing. Er dient daarbij een vergelijking te worden gemaakt tussen enerzijds de hypothetische situatie zonder ongeval en anderzijds de situatie zoals die zich met het ongeval heeft ontwikkeld. Dit leidt voor [verzoekster] tot en met 2014 globaal tot een schadebedrag van € 40.256,52. Een voorschot van € 30.000,- is daarmee toewijsbaar.

Het verzoek van [verzoekster] onder 1 moet volgens haar aldus worden gelezen dat zij de rechtbank verzoekt AG ertoe te verplichten een schaderegelaar te benoemen.

3.3.

AG voert – samengevat – het volgende verweer.

  1. AG maakt bezwaar tegen de invulling die [verzoekster] ter zitting heeft gegeven aan het onder 1 van het verzoekschrift verzochte; de ter zitting voor het eerst gevorderde verplichte benoeming van een schaderegelaar staat volgens AG te ver af van de vordering zoals die in het verzoekschrift was geformuleerd.

  2. Behoudens de vraag naar het toepasselijke recht, leent het geschil zich niet voor een behandeling in de deelgeschilprocedure.

  3. Het Spaanse recht is op de gehele casus van toepassing. Op grond van Spaans recht, waar voor de lichtere letsels als de onderhavige gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde vergoedingen, heeft [verzoekster] nog recht op een vergoeding van € 6.881,53.

  4. De door [verzoekster] opgevoerde kosten voor dit deelgeschil kunnen de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan.

4 De beoordeling

De positie van de [eigenaar camper]

4.1.

Nu AG de aansprakelijkheid volledig heeft erkend en [verzoekster] ingevolge het bepaalde in artikel 18 van de Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid) moet worden geacht een eigen recht op schadevergoeding te hebben jegens de verzekeraar [eigenaar camper] (vgl. mr. F.J. Blees, De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoristeerde verkeer (Verzekeringsrecht), 4.4.3.2), heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om [eigenaar camper] op de voet van artikel 272 Rv als belanghebbende in dit geschil op te roepen.

De bevoegdheid van de rechter

4.2.

Verzoekster en verweerster zijn gevestigd in Nederland respectievelijk in België, terwijl het ongeval is gebeurd in Spanje. Dit maakt dat het geschil een internationaal karakter heeft. AG is verschenen en heeft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet betwist. Er is geen gerecht dat bij uitsluiting bevoegd is krachtens artikel 22 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (de EEX-Verordening). Dat betekent dat op grond van artikel 24 van de EEX-Verordening de Nederlandse rechter bevoegd is om van het voorliggende geschil kennis te nemen.

Het gewijzigde/aanvullende verzoek

4.3.

Ter zitting heeft [verzoekster] gesteld dat haar verzoek onder 1 aldus moet worden gelezen dat zij de rechtbank vraagt AG ertoe verplichten een schaderegelaar te benoemen. De rechtbank gaat aan deze lezing van het onder 1 verzochte voorbij en stelt daarbij voorop dat [verzoekster] haar verzoek onder 1 niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 283 Rv schriftelijk heeft gewijzigd. Verder is de rechtbank – met AG – van oordeel dat de invulling die [verzoekster] ter zitting heeft gegeven aan hetgeen zij onder 1 heeft verzocht, te ver verwijderd ligt van het verzoek zoals zij dat in haar verzoekschrift heeft geformuleerd. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan het beantwoorden van de vraag of AG zou zijn gehouden een schaderegelaar te benoemen. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat [verzoekster] ook niet heeft onderbouwd op grond van welke rechtsregel AG tot een dergelijke benoeming zou zijn gehouden.

4.4.

Voorts heeft [verzoekster] haar verzoek ter zitting uitdrukkelijk uitgebreid met – kort gezegd – het verzoek om vast te stellen welk recht op het onderhavige geschil toepasselijk is (het hiervoor onder 2 vermelde verzoek). Deze uitbreiding van het verzoek is schriftelijk vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. AG heeft tegen deze gang van zaken geen bezwaar gemaakt en de rechtbank ziet geen aanleiding om deze uitbreiding ambtshalve buiten beschouwing te laten, zodat ook op dit nieuwe onderdeel van het verzoek zal worden beslist.

De geschiktheid voor behandeling in deelgeschilprocedure

4.5.

AG acht dit geschil niet geschikt voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Volgens AG kan een beslissing op de verzoeken van [verzoekster], uitgezonderd het bij gelegenheid van de mondelinge behandeling toegevoegde verzoek om het toepasselijke recht vast te stellen, geen bijdrage leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen (vgl. artikel 1019z Rv). Ter nadere onderbouwing hiervan heeft AG erop gewezen dat op de rechtsverhouding met [verzoekster] Spaans recht van toepassing is, dat er naast de vraag naar het toepasselijke recht nog veel meer geschilpunten tussen partijen leven en dat louter bevoorschotting geen einde zal maken aan de meningsverschillen.

4.6.

De rechtbank kan AG niet in haar standpunt volgen. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen om een impasse te doorbreken. In de deelgeschilprocedure kunnen geschillen aan de orde komen omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake van de schade door dood of letsel tussen partijen rechtens geldt. De beslissing daarover dient ingevolge artikel 1019z Rv bij te kunnen dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou luiden indien de zaak als bodemzaak zou zijn aangebracht. De rechterlijke uitspraak moet partijen dus in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en deze mogelijk definitief af te ronden.

De onderhavige verzoeken vallen naar het oordeel van de rechtbank binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv. Deze verzoeken kúnnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Voormelde door AG gestelde omstandigheden kunnen daar niet aan afdoen. Het bestaan van meerdere/andere geschilpunten maakt op zichzelf immers niet dat een beslissing op de hier voorliggende vragen niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

Ook een verzoek om bevoorschotting kan in het kader van een deelgeschilprocedure worden beoordeeld. Uit de Parlementaire Geschiedenis van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 14 en 19 alsmede Kamerstukken II, 2008-2009, 31 518, nr. 8, p. 2) volgt dat het verzoek kan zien op vaststellingen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, terwijl het ook gericht kan zijn op het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over de wijze waarop partijen zich bij het regelen van de schade dienen te gedragen. Onder deze laatste categorie, aspecten van het schaderegelingsproces, valt een beslissing over de toekenning van een (aanvullend) voorschot. Ten slotte verzet de aard van de deelgeschilprocedure zich niet zonder meer tegen het toepassen van vreemd recht.

[verzoekster] kan derhalve in haar verzoeken worden ontvangen. Het verweer van AG onder b faalt.

De inhoudelijke beoordeling; het toepasselijke recht

4.7.

Aan de orde is de vraag welk recht op het geschil van partijen van toepassing is.

[verzoekster] beroept zich daarbij onder meer op de verwijzingsregels die zijn opgenomen in de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: de Rome II-Verordening). Dat beroep gaat naar het oordeel van de rechtbank echter niet op. De vraag welk recht op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is, dient in het voorliggende geval (bij uitsluiting) te worden beantwoord aan de hand van het Haagse Verdrag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971, 118; hierna: het Verdrag). Uit artikel 28, eerste lid, van de Rome II-Verordening volgt immers dat die verordening onverlet laat de toepassing van internationale overeenkomsten waarbij één of meer lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van de verordening partij zijn en die regels bevatten inzake het toepasselijke recht op niet-contractuele verbintenissen. Het Verdrag is een internationale overeenkomst in die zin. De uitzondering van artikel 28, tweede lid, van de Rome II-Verordening, waaruit volgt dat de verordening voorrang heeft op (oudere) uitsluitend tussen lidstaten gesloten overeenkomsten, is hier niet van toepassing, omdat bij het Verdrag ook niet-lidstaten zijn aangesloten.

4.8.

Blijkens de in artikel 3 van het Verdrag opgenomen verwijzingsregel, geldt als uitgangspunt dat van toepassing is de interne wet van de Staat op welk grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden (de lex loci delicti). Op grond van het algemeen spraakgebruik en het toelichtend rapport bij het Verdrag (het Rapport Essèn) dient te worden aangenomen, dat met de locus delicti is bedoeld de plaats van de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan. Op grond van de hoofdregel van het Verdrag dient de onderhavige casus derhalve te worden beoordeeld naar Spaans recht.

4.9.

Anders dan [verzoekster] heeft betoogd, zijn de nauw omschreven uitzonderingsgevallen van artikel 4 van het Verdrag, waarin een ander recht wordt aangewezen dan de lex loci delicti, hier niet aan de orde:

  • -

    De in artikel 4 onder a) genoemde uitzondering ziet op de situatie dat slechts één voertuig bij het ongeval betrokken is. Die situatie doet zich in het voorliggende geval niet voor, omdat het begrip ‘al dan niet gemotoriseerde voertuigen’ in artikel 1 lid 2 van dit verdrag in zeer ruime zin moet worden begrepen en (dus) beide bij het ongeval betrokken campers binnen de reikwijdte van dat begrip vallen.

  • -

    De in artikel 4 onder b) van genoemde uitzondering is evenmin van toepassing, omdat tussen partijen als onbetwist vast staat dat de bij het ongeval betrokken campers in verschillende staten zijn geregistreerd, respectievelijk in Nederland ([verzoekster]) en in België ([eigenaar camper]).

 Artikel 4 onder c) mist toepassing omdat deze bepaling enkel een nadere begrenzing betreft van de – niet toepasselijke – uitzonderingen onder a) en b).

Het ter zitting zijdens [verzoekster] gevoerde andersluidende betoog met betrekking tot (de uitleg van) de verschillende onderdelen van artikel 4 van het Verdrag, wordt door de rechtbank dan ook niet gevolgd. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtsverhouding tussen partijen overeenkomstig de hoofdregel van artikel 3 van het Verdrag is onderworpen aan Spaans recht.

4.10.

In artikel 8 van het Verdrag is bepaald welke onderwerpen worden beheerst door het door dit Verdrag aangewezen recht. Het aangewezen recht bepaalt in het bijzonder:

  1. de voorwaarden en de omvang van de aansprakelijkheid;

  2. de gronden voor uitsluiting van aansprakelijkheid, alsook elke beperking en verdeling van aansprakelijkheid;

  3. het bestaan en de aard van letsel of schade die voor vergoeding in aanmerking komen;

  4. op welke wijze en in welke omvang de schade moet worden vergoed;

  5. de overdraagbaarheid van het recht op schadevergoeding;

  6. welke personen recht hebben op vergoeding van persoonlijk door hen geleden schade;

  7. de aansprakelijkheid van een principaal voor handelingen van degene, die voor hem optreedt;

  8. de termijn voor verjaring of het verval van een aanspraak op schadevergoeding, alsmede het tijdstip van aanvang van die termijn en van zijn stuiting of schorsing.

Hieruit volgt dat (onder meer) de omvang van de schadevergoeding waarop [verzoekster] aanspraak kan maken, wordt bepaald door het Spaanse recht en dat daarbij niet van belang is op het grondgebied van welke staat bepaalde ongevalsgevolgen zijn ingetreden. Het uitvoerige betoog van [verzoekster] in haar verzoekschrift en ter zitting, dat er (voor zover de rechtbank begrijpt) op neerkomt dat zowel de verwijzingsregel uit de Rome II-Verordening als die uit het Verdrag – en daarmee zowel het Spaanse als het Nederlandse recht – op de begroting van de schade van toepassing is, dan wel dat de verwijzingsregels uit de Rome II-Verordering en het Verdrag elkaar aanvullen, verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de aan het conflicten- of verwijzingsrecht ten grondslag liggende beginselen. Het doel van deze regels van internationaal privaatrecht is immers juist dat één toepasselijk recht wordt aangewezen dat, bij uitsluiting van andere rechtsstelsels, van toepassing is op een bepaalde burgerrechtelijke rechtsverhouding.

4.11.

Gelet op het voorgaande is het verzoek onder 2 in zoverre toewijsbaar dat de rechtbank zal bepalen dat op de voorliggende casus, dus óók ten aanzien van het begroten en vaststellen van de schade, (enkel) Spaans recht van toepassing is.

De hoogte van de schadevergoeding

4.12.

AG heeft gemotiveerd gesteld dat in het Spaanse recht voor de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding gebruikt wordt gemaakt van een tarifair systeem; de zogenoemde “Baremo”. De vergoeding voor lichtere letsels is daarin volgens AG – anders dan in Nederland – in vergaande mate gestandaardiseerd. Voor verlies arbeidsvermogen en zelfredzaamheid wordt volgens AG geen aparte vergoeding toegekend. Dat is anders voor zware letsels, maar daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, aldus AG. Volgens de eigen stellingen van AG, is zij op grond van het Spaanse recht gehouden om [verzoekster] nog een bedrag aan schadevergoeding uit te betalen van € 6.881,53. Daarmee is het door [verzoekster] onder 3.a. gevorderde voorschot in ieder geval tot dat bedrag toewijsbaar.

4.13.

Ten aanzien van de vraag of aan [verzoekster] naar Spaans recht mogelijk nog een hoger bedrag aan schadevergoeding toekomt, is het naar het oordeel van de rechtbank allereerst aan [verzoekster] zelf om daaromtrent een gemotiveerd en onderbouwd standpunt in te nemen. Dat heeft zij nagelaten. De enkele stelling van [verzoekster] in haar verzoekschrift (5e pagina, tweede alinea), dat de schade ook naar Spaans recht volledig dient te worden vergoed, ontbeert een deugdelijke onderbouwing en kan reeds daarom niet worden gevolgd. Datzelfde geldt voor de opmerkingen ter zitting van mr. Bedaux, dat ook naar Spaans recht verlies verdienvermogen voor vergoeding in aanmerking komt en dat de hoogte van die vergoeding, net als in Nederland, moet worden bepaald door een vergelijking te maken tussen de vermogenssituatie van betrokkene mét en die zonder ongeval.

Van een volwaardig debat tussen partijen over de precieze inhoud van het Spaanse recht op (onder meer) deze punten, is nog geen sprake geweest. De aard van de deelgeschilprocedure verzet zich ertegen om dat debat thans alsnog te voeren. Daarbij acht de rechtbank van belang dat niet kan worden uitgesloten dat het bij de beoordeling van de schadevergoedingsvordering van [verzoekster] naar Spaans recht, noodzakelijk zal blijken te zijn om het Internationaal Juridisch Instituut in te schakelen voor advies. Dergelijke stappen zullen in een bodemprocedure moeten worden gezet.

4.14.

De vraag in hoeverre [verzoekster] naar Spaans recht aanspraak kan maken op vergoeding van de buitengerechtelijke advocaatkosten gemaakt voorafgaand aan het verzoekschrift (vgl. vordering 3.b) en op wettelijke rente over de door haar gevorderde hoofdsommen (vgl. vordering 3.c) laat [verzoekster] onbeantwoord. AG heeft gesteld dat naar Spaans recht buitengerechtelijke incassokosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [verzoekster] gelegen om haar vordering ook op deze punten van een (op Spaans recht gebaseerde) grondslag te voorzien. Dat heeft zij nagelaten en reeds daarom zal, gezien ook hetgeen hiervoor in 4.13 is overwogen over de aard van de deelgeschilprocedure, de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke advocaatkosten (voorafgaand aan het verzoekschrift) en wettelijke rente worden afgewezen.

4.15.

Ook de vorderingen onder 1 zullen worden afgewezen. Nadat een beslissing is genomen in de deelgeschilprocedure, staat het partijen in beginsel vrij om al dan niet met elkaar (voort) te onderhandelen. [verzoekster] heeft, nog daargelaten de vraag wat concreet zou moeten worden verstaan onder ‘actief onderhandelen’, niet onderbouwd waarom AG in het onderhavige geval tot onderhandelen zou zijn gehouden. Overigens heeft [verzoekster] ook niet een duidelijk belang gesteld bij deze vorderingen.

De kosten van dit deelgeschil

4.16.

[verzoekster] vraagt AG te veroordelen in de kosten van de deelgeschilprocedure. De rechtbank stelt voorop dat de kosten van een deelgeschil behoren tot de buitengerechtelijke kosten. Zoals hiervoor overwogen, kan binnen de kaders van de onderhavige deelgeschilprocedure niet worden aangenomen dat het op deze casus van toepassing zijnde Spaanse recht [verzoekster] aanspraak geeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Een veroordeling van AG tot vergoeding van de kosten van deze procedure is derhalve niet toewijsbaar.

4.17.

De rechtbank zal wel de kosten van dit deelgeschil begroten conform het bepaalde in artikel 1019aa Rv. Zij dient daarbij in aanmerking te nemen de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Dat betekent dat de kosten moeten voldoen aan de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets.

[verzoekster] gaat uit van een uurtarief van € 235,-, te vermeerderen met BTW en verschotten, voor welke vermeerdering mr. Bedaux kennelijk een tarief van in totaal 6% hanteert (vgl. verzoekschrift, 5e pagina, onder “SCHADE”). Ter zitting heeft mr. Bedaux nader toegelicht dat hij 3 uur heeft besteed aan de schadeberekening en dat hij daarnaast 12 uur heeft besteed aan de deelgeschilprocedure (inclusief het opstellen van het verzoekschrift, de zitting en drie uur reistijd). [verzoekster] begroot haar kosten voor dit deelgeschil derhalve op in totaal € 3.736,50 (€ 235,- x 1,06 x 15).

AG voert als verweer aan dat mr. Bedaux een specialistentarief rekent, hetgeen volgens haar betekent dat hij aan deze zaak naar verhouding rijkelijk veel uren heeft besteed. Verder betwist AG dat voor de schadeberekening 3 uur redelijk is, gelet op de aard van de schade. Ten slotte vraagt AG zich af of het redelijk is om ook voor de reisuren een specialistentarief te rekenen.

4.18.

De rechtbank passeert het verweer van AG. De 15 uren die mr. Bedaux aan dit deelgeschil heeft besteed, acht de rechtbank verdedigbaar en niet onredelijk. De uitspraken in deelgeschillen overziende, is een dergelijk urenaantal voor een (internationaal) geschil als het voorliggende immers niet ongewoon, ook niet tegen de achtergrond van het door mr. Bedaux gehanteerde uurtarief. Dat de reistijd wordt meegerekend tegen het volle uurtarief van de advocaat, is naar het oordeel van de rechtbank binnen de advocatuur niet ongebruikelijk. De enkele omstandigheid dat het volle uurtarief is berekend, maakt het opvoeren van de drie reisuren ook niet onredelijk. De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van [verzoekster] daarom op in totaal € 3.736,50.

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1.

bepaalt dat de rechtsverhouding tussen partijen inzake het ongeval op 14 november 2012 wordt beheerst door Spaans recht;

5.2.

veroordeelt AG om aan [verzoekster] te betalen het bedrag van € 6.881,53 (zesduizend achthonderdeenentachtig euro en drieënvijftig eurocent);

5.3.

begroot de kosten voor deze procedure aan de zijde van [verzoekster] op € 3.736,50;

5.4.

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr I.L.P. Crombeen en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.