Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5045

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
C/01/273202 / HA ZA 14-30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incident. Verwijzing kantonrechter. Rechtsverhouding tussen kunstenaar en galerie te beschouwen als agentuurovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/273202 / HA ZA 14-30

Vonnis in incident van 27 augustus 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. E.J. Hengeveld te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLORISKOLLEKTIE B.V., tevens handelend onder de naam “Priveekollektie”,

gevestigd te Heusden,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. M.J. Resink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de incidentele conclusie tot verwijzing naar de kantonrechter,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord,

  • -

    de op 30 juni 2014 gehouden pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

In de hoofdzaak is aan de orde de nasleep van de rechtsverhouding die sinds 2008 tussen partijen heeft bestaan. Volgens [eiseres] is zij een samenwerkingsverband met [gedaagde] aangegaan. In dat verband heeft zij een overeenkomst gesloten met [gedaagde], waarbij [eiseres] aan [gedaagde] diverse ontwerpen/kunstwerken zou leveren, welke door [gedaagde] zouden worden verkocht. [eiseres] kwalificeert de overeenkomst, die niet op schrift is gesteld, als een consignatieovereenkomst. Zij heeft die overeenkomst bij brief van 28 april 2009 met onmiddellijke ingang opgezegd. [gedaagde] stelt dat de

overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een agentuurovereenkomst in de zin van art. 7:428 e.v. BW en vordert in het incident dat de rechtbank de zaak verwijst naar de sector kanton, locatie ’s‑Hertogenbosch, van de rechtbank. [eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank, voor zover van belang, hierna verder in.

2.2.

[eiseres] voert als verweer op de eerste plaats dat er geen aanleiding bestaat om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter omdat de grondslag van de vordering in de hoofdzaak is gelegen in onrechtmatige daad wegens schending van haar eigendoms- en auteursrecht. [eiseres] verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7476. De Hoge Raad oordeelde – voor zover hier relevant – als volgt:

“Voor het antwoord op de vraag tot wiens kennisneming een vordering met betrekking tot een bepaalde overeenkomst behoort, is bepalend de grondslag van de vordering zoals die blijkens de dagvaarding is ingesteld, waarbij de benaming door de eiser gegeven aan de overeenkomst waaruit hij ageert niet beslissend behoeft te zijn. (…) Daarbij is niet relevant wat de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding is, noch wat het verweer van de gedaagde inhoudt.”

Het oordeel van de Hoge Raad had echter betrekking op de voor 1 januari 2002 geldende bevoegdheidsregels van artikel 39 RO en de daarmee samenhangende voorschriften van de artikelen 154-157 Rv (oud). Voor de huidige bevoegdheidsregels ligt het anders. Voor zover voor de beantwoording van de vraag of de zaak naar de kantonrechter moet worden verwezen het onderwerp van het geschil bepalend is, geschiedt deze beantwoording volgens artikel 71 lid 3 Rv aan de hand van een voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil. De stellingen die eiser aan zijn inleidende dagvaarding ten grondslag heeft gelegd worden in dat oordeel betrokken, maar zijn daarbij niet doorslaggevend.

2.3.

[eiseres] vordert in de hoofdzaak primair revindicatie van door haar ontworpen objecten en subsidiair, wanneer revindicatie niet meer mogelijk is, schadevergoeding.

Naast het vorenstaande vordert [eiseres] schadevergoeding omdat zij in strijd met de gemaakte afspraken nota’s van producenten van haar objecten heeft moeten voldoen. [eiseres] benoemt dit niet met zoveel woorden in de dagvaarding, maar de rechtbank kan dit niet anders betitelen dan als een vordering op grond van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van op [gedaagde] rustende verplichtingen die voortvloeien uit de rechtsverhouding die ten grondslag lag aan de samenwerking tussen partijen. Dat die overeenkomst inmiddels is beëindigd, maakt dat niet anders. Wanneer blijkt dat die rechtsverhouding moet worden gekwalificeerd als agentuurovereenkomst – dat [eiseres] spreekt over consignatieovereenkomst(en) is daarbij dus niet doorslaggevend – dan dient de zaak op grond van het bepaalde in artikel 94 lid 2 Rv door de kantonrechter te worden behandeld, ook voor zover het de vorderingen betreft op grond van onrechtmatige daad wegens schending van het eigendoms- en auteursrecht van [eiseres]. Dat [eiseres] de schadevergoedingsvordering ter zake de nota’s van producenten ten pleidooie als een – in geld – ondergeschikte vordering aanmerkt, maakt dit niet anders. Het verweer van [eiseres] op dit punt wordt gelet op het vorenstaande verworpen.

2.4.

De rechtbank dient derhalve hoe dan ook een voorlopig oordeel te geven over het onderwerp van het geschil als het gaat om de vordering tot schadevergoeding in verband met de nota’s van de producenten. Of de zaak verwezen dient te worden naar de kantonrechter hangt dus af van het voorlopig oordeel van de rechtbank over de aard van de overeenkomst.

2.5.

Ingevolge artikel 7:428 lid 1 BW is de agentuurovereenkomst een overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de handelsagent, opdraagt en deze zich verbindt, voor een bepaalde of een onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn. Of in een concreet geval sprake is van een agentuurovereenkomst of (een reeks) van overeenkomsten van opdracht of koopovereenkomst(en), hangt bij gebreke van een duidelijke schriftelijke overeenkomst af van hetgeen partijen op grond van elkaars uitlatingen en gedragingen over en weer redelijkerwijs ten aanzien van hun rechtsverhouding van elkaar mochten verwachten.

2.6.

De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres] is een ontwerpster die mondgeblazen kristallen objecten ontwerpt welke door derden op haar aanwijzingen worden gefabriceerd. [gedaagde] exploiteert een kunstgalerie en is aanwezig op (internationale) kunstbeurzen. [eiseres] stelde door haar ontworpen objecten ter beschikking aan [gedaagde] voor expositie in de galerie en op beurzen met de bedoeling deze te verkopen. [gedaagde] voert ten pleidooie aan dat dat hij opdracht had om afnemers te zoeken voor door [eiseres] aangeboden producten. Dit is door [eiseres] ten pleidooie niet weersproken. Zowel [eiseres] als [gedaagde] stellen dat [eiseres] eigenaar bleef van de objecten die aan [gedaagde] ter beschikking waren gesteld. De rechtbank is voorts van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat partijen een duurzame relatie voor ogen hadden. Zo zouden de objecten van [eiseres] op meerdere beurzen worden geëxposeerd en schrijft de advocaat van [eiseres] in de opzeggingsbrief van 28 april 2009 (prod. 8 dagv.) dat de overeenkomsten die [eiseres] met [gedaagde] heeft gesloten overeenkomsten voor onbepaalde tijd zijn. Dat er uiteindelijk slechts een beperkt aantal objecten ter beschikking is gesteld doet aan het vorenstaande niet af.

Voorts is het in de optiek van beide partijen zo dat [gedaagde] een vergoeding ontving voor zijn werkzaamheden, hoewel zij wel van mening verschillen ter zake de wijze van berekening. Volgens [eiseres] zou [gedaagde] de productiekosten voor zijn rekening nemen en zou de opbrengst 50/50 worden verdeeld. Volgens [gedaagde] zouden de productiekosten op de opbrengst in mindering worden gebracht, waarna het resterende deel van de opbrengst 50/50 zou worden verdeeld. Hoe dan ook ontvangt [gedaagde] dus een vergoeding voor zijn werkzaamheden, die erop zijn gericht om de objecten van [eiseres] te verkopen. Aangezien de eigendom van de objecten bij [eiseres] bleef berusten, kan het niet anders dan dat de verkoop plaatsvond ten behoeve van [eiseres]. Op basis van de beschikbare informatie concludeert de rechtbank dat [gedaagde] de koopovereenkomst met betrekking tot die Crystal Virus zelf heeft gesloten. Dit blijkt uit de door [gedaagde] voorafgaand aan de pleidooien toegezonden facturen ter zake die verkoop, alsmede de e-mail van [eiseres] aan[gedaagde] d.d. 13 oktober 2008 en de e-mail van[gedaagde] aan [eiseres] van 14 oktober 2008 (beide onderdeel van prod. 7 dagv.). Voorts staat op de hiervoor bedoelde facturen duidelijk vermeld dat op naam en voor rekening van [eiseres] is verkocht. Niet is gebleken dat [eiseres] bij [gedaagde] heeft aangegeven dat dit niet klopt, terwijl er nadien nog over die verkoop is gecorrespondeerd, getuige de hiervoor genoemde e-mails en [eiseres] hiertegen evenmin heeft geprotesteerd in de brief van 28 april 2009 van haar advocaat. Dat tussen partijen was overeengekomen dat [gedaagde] de productiekosten betaalde onafhankelijk van verkoop betekent niet dat [gedaagde] daarmee het economisch risico droeg van de af te sluiten overeenkomsten met de eindafnemers en niet handelde voor rekening van [eiseres].

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het voorlopig oordeel dat de relatie tussen [eiseres] en [gedaagde] als een agentuurovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Dat er volgens [eiseres] geen sprake was van exclusiviteit, doet aan die conclusie niet af, nu exclusiviteit geen voorwaarde is voor agentschap. De rechtbank acht evenmin relevant de stelling van [eiseres] dat van een agentuurovereenkomst geen sprake kan zijn, omdat uit het handelsregister blijkt dat binnen de onderneming van Floriskollektie B.V. geen natuurlijke personen werkzaam zijn. Er zijn immers genoeg manieren waarop een onderneming haar werkzaamheden kan uitoefenen ook al zijn er geen personen in dienst. Hetgeen overigens door [eiseres] is aangevoerd ten betoge dat er geen sprake is van een agentuurovereenkomst leidt evenmin tot een ander oordeel.

2.7.

Gelet op het vorenstaande betreft de vordering van [eiseres] naar het voorlopig oordeel van de rechtbank een onderwerp dat op grond van art. 93 onder c Rv door de kantonrechter wordt behandeld, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering. Dit brengt met zich dat gelet op het bepaalde in artikel 94 lid 2 Rv ook de overige vorderingen door de kantonrechter dienen te worden behandeld. Daarom zal de zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.

2.8.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [gedaagde] op € 1.356,00 (3 punten × tarief € 452,00) voor salaris advocaat. Voor veroordeling tot betaling van het betaalde griffierecht bestaat geen grond, aangezien bij verwijzing naar de kantonrechter de griffier het teveel betaalde griffierecht zal terugstorten.

2.9.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst de vordering toe,

3.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.356,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.4.

verklaart dit vonnis wat betreft het bepaalde onder 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.5.

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie 's‑Hertogenbosch, op donderdag 18 september 2014 om 09:00 uur,

3.6.

wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,

3.7.

wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,

3.8.

wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2014.