Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5040

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
C/01/266326 / HA ZA 13-543
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke aansprakelijkheid commanditaire vennoot van commanditaire vennootschap naar Duits recht. Onderscheid tussen bestuursbevoegdheid en vertegenwoordigingsbevoegdheid. Opgewekte schijn (Rechtsschein) dat de commanditaire vennoot beherend vennoot was?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0310

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/266326 / HA ZA 13-543

Vonnis van 20 augustus 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GE-BOUW OIRLO-LANDHORST B.V.,

gevestigd te Venray,

eiseres,

advocaat mr. E.F.M. Houbiers te Zevenaar,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne.

Partijen zullen hierna GE-Bouw en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 19 februari 2014, met de daarin genoemde stukken, waaronder de akte van eiswijziging van GE-Bouw,

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde], waarin hij zich voor wat betreft de eiswijziging refereert aan het oordeel van de rechtbank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

GE-Bouw is een bouwbedrijf.

2.2.

[gedaagde] is commanditair vennoot van de vennootschap naar Duits recht [naam vennootschap] KG (hierna: [naam vennootschap]).

2.3.

[naam vennootschap] is een landbouw- en melkveebedrijf. Beherend vennoot van [naam vennootschap] is [zoon van gedaagde], de zoon van [gedaagde].

2.4.

GE-Bouw en [naam vennootschap] hebben medio juli 2011 een overeenkomst gesloten voor de bouw van een stal te Alpenrod, Duitsland.

2.5.

Tussen partijen is een geschil gerezen met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst door GE-Bouw en de betaling van facturen door [naam vennootschap]. GE-Bouw heeft daarover bij brief van 29 april 2013 een procedure aanhangig gemaakt bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw, waarin zij betaling van de openstaande facturen vordert van [naam vennootschap]. De procedure is bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw geregistreerd onder nummer 34.458.

3 Het geschil

3.1.

GE-Bouw vordert, na haar eis te hebben gewijzigd, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    voor recht te verklaren dat [gedaagde] (naast [naam vennootschap] KG, waartegen een separate arbitrageprocedure loopt bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw onder zaakkenmerk 34.458) hoofdelijk aansprakelijk is voor al hetgeen de Raad van Arbitrage voor de Bouw onder voornoemd zaakkenmerk oordeelt dat [naam vennootschap] KG aan GE-Bouw verschuldigd is;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen, des dat de een betalend, de ander zal zijn bevrijd, om binnen twee dagen na de betekening van het in deze te wijzen vonnis aan GE-Bouw te betalen al hetgeen de Raad van Arbitrage voor de Bouw onder zaakkenmerk 34.358 oordeelt dat [naam vennootschap] KG aan GE-Bouw verschuldigd is;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de conservatoire beslaglegging, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de tweede dag na de betekening van het in deze te wijzen vonnis;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de tweede dag na de betekening van het in deze te wijzen vonnis.

3.2.

GE-Bouw legt aan het gevorderde het volgende ten grondslag. [naam vennootschap] weigert de openstaande facturen te voldoen. GE-Bouw heeft daarom aan de Raad voor Arbitrage verzocht te bepalen dat [naam vennootschap] de openstaande facturen moet voldoen. Omdat [gedaagde] zich ten opzichte van GE-Bouw heeft gedragen als feitelijk bestuurder van [naam vennootschap] en de indruk heeft gewekt dat hij bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen, is [gedaagde] naar Duits recht, §125 en §128 Handelsgesetzbuch (HGB), persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap.

3.3.

[gedaagde] voert het volgende verweer. Allereerst kan van een vordering op [gedaagde] slechts sprake zijn indien GE-Bouw een vordering heeft op [naam vennootschap]. Laatstgenoemde vennootschap is echter niet in deze procedure betrokken, waardoor niet kan worden vastgesteld of GE-Bouw een vordering op [naam vennootschap] heeft. Voorts betwist [gedaagde] dat hij beheersdaden heeft verricht op grond waarvan hij naar Duits recht volledig aansprakelijk zou zijn jegens GE-Bouw. [gedaagde] stelt met een volmacht van [naam vennootschap] te hebben gehandeld, dat maakt hem nog niet aansprakelijk als ware hij beherend vennoot van de commanditaire vennootschap. Tot slot betwist [gedaagde] de vordering ter zake de openstaande facturen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de schulden van de Duitse vennootschap [naam vennootschap] naar Duits recht moet worden beoordeeld.

4.2.

Volgens [gedaagde] moet de vordering hoe dan ook worden afgewezen, omdat zolang nog niet in een procedure waarin [naam vennootschap] KG partij is komt vast te staan dat GE-Bouw een vordering op [naam vennootschap] KG toekomt, van een veroordeling tot betaling van een schuld door [gedaagde] geen sprake kan zijn. Dit verweer behoeft verder geen bespreking gelet op de gewijzigde vordering van GE-Bouw die thans ter beoordeling voorligt. Ook het inhoudelijke verweer van [gedaagde] tegen de openstaande facturen behoeft om die reden verder geen bespreking meer.

4.3.

GE-Bouw wijst er op dat naar Duits recht (§ 164 HGB) de commanditaire vennoot van de bedrijfsvoering van de commanditaire vennootschap is uitgesloten. Voorts is in § 170 HGB bepaald dat de commanditaire vennoot niet bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen. De grondslag van de vordering is dat [gedaagde] de schijn heeft gewekt dat hij beherend vennoot van [naam vennootschap] KG was. Vertaald naar Duits recht gaat het om de Rechtsschein dat [gedaagde] Komplementär (beherend vennoot) was in plaats van Kommanditist (commanditaire vennoot). Dat maakt [gedaagde] naar Duits recht persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de commanditaire vennootschap, aldus GE-Bouw. De gedragingen van [gedaagde] waarop GE-Bouw de opgewekte Rechtsschein baseert zijn de volgende:

  • -

    voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst zijn besprekingen gevoerd met [gedaagde];

  • -

    tijdens de uitvoering van de bouw is regelmatig overleg gevoerd met [gedaagde], onder meer per e-mail;

  • -

    [gedaagde] was bij de bouwvergaderingen aanwezig;

  • -

    [gedaagde] heeft betalingstoezeggingen gedaan en zelf ook een betaling verricht.

4.4.

De rechtbank overweegt dat blijkens § 163 HGB, § 164 - § 169 HGB de interne verhoudingen binnen de Kommanditgesellschaft betreffen en het daarbij gaat om bepalingen van regelend recht. § 164 HGB ziet op de bestuursbevoegdheid (Geschäftsführungsbefugnis, zijnde de bevoegdheid alle handelingen te verrichten die bevorderlijk zijn voor het doel van de commanditaire vennootschap) van de commanditaire vennoot. In de onderlinge verhouding tot de beherend vennoot komt de commanditaire vennoot in beginsel geen bestuursbevoegdheid toe. In de vennootschapsovereenkomst kan echter anders zijn bepaald. GE-Bouw wijst er onweersproken op dat dit laatste zich hier niet voordoet. Echter, ook zonder bestuursbevoegdheid kan de commanditaire vennoot vertegenwoordigingsbevoegd zijn, dat wil zeggen bevoegd de vennootschap naar buiten toe te vertegenwoordigen.

4.5.

De heersende opvatting in Duitsland is dat anders dan de tekst doet vermoeden, § 170 HGB niet uitsluit dat aan de commanditaire vennoot externe vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt verleend1. § 170 HGB heeft betrekking op organschaftliche vertegenwoordigingsbevoegdheid, het gaat dan om wettelijke vertegenwoordiging waarbij de vertegenwoordiger als orgaan van de vennootschap optreedt. § 170 HGB staat niet in de weg aan rechtsgeschäftliche vertegenwoordigingsbevoegdheid (bevoegdheid verleend door middel van een rechtshandeling). Dat is ook de strekking van het juridisch advies dat [gedaagde] als bijlage 2 bij antwoord heeft overgelegd en voorts blijkt dit uit Duitse literatuur op dit punt2. Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden verleend middels Prokura of Vollmacht of stilzwijgend door instemmend gedrag van de beherend vennoot.3 Wanneer sprake is van de hier bedoelde externe vertegenwoordigings-bevoegdheid van de commanditaire vennoot, is hij – uitzonderingen daargelaten – niet persoonlijk voor het geheel aansprakelijk.

4.6.

[gedaagde] stelt dat hij handelde krachtens mondelinge volmacht. Dat [gedaagde] gevolmachtigd was, wordt door GE-Bouw niet (voldoende gemotiveerd) weersproken. GE-Bouw stelt ter comparitie alleen dat een mondelinge volmacht niet voldoende is, omdat dat gelet op het bepaalde in § 163 HGB in de statuten moet worden vastgelegd. Dat is onjuist. Naar Duits recht geschiedt de verlening van een volmacht in beginsel vormvrij, vgl. § 167 Bürgerliches Gesetzbuch (BGB). Mondeling kan dus ook. Dat een volmacht in de statuten moet worden neergelegd volgt niet uit § 163/ § 164 HGB, dat immers slechts handelt over de interne verdeling van bestuursbevoegdheid, terwijl het hier gaat om externe vertegenwoordigingsbevoegdheid.

4.7.

De conclusie uit het vorenstaande is dus dat [gedaagde] ook al is hij commanditair vennoot, anders dan GE-Bouw stelt, bevoegd was [naam vennootschap] te vertegenwoordigen. In beginsel is [gedaagde] dan niet persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk voor de door hem aangegane verbintenissen van de vennootschap. De vorenstaande beschouwingen brengen de rechtbank naar de beoordeling van de stelling van GE-Bouw dat [gedaagde] de schijn heeft gewekt als beherend vennoot te handelen. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] aan GE-Bouw te kennen heeft gegeven dat hij handelde krachtens volmacht. Onder het oude, niet meer geldende Handelsgesetzbuch zou [gedaagde] dan gelijk aan een beherend vennoot onbeperkt aansprakelijk zijn jegens GE-Bouw. Onder het thans geldende Handelsgesetzbuch is die strenge leer verlaten. De inschrijving van de werkelijke positie van de commanditaire vennoot is doorslaggevend4. [gedaagde] wijst ter comparitie met goede grond op het bepaalde in § 15 tweede lid HGB: wanneer een voor inschrijving vatbaar feit is ingeschreven in het handelsregister moet een derde dat tegen zich laten gelden. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] in het handelsregister is ingeschreven als commanditair vennoot, met een inleg van € 1.000,00. Zijn aansprakelijkheid is in beginsel tot dat bedrag beperkt, vgl. § 171 HGB. Alleen onder bijzondere omstandigheden en ingeval van misbruik van recht komt [gedaagde] de bescherming die de inschrijving in het handelsregister biedt niet toe5. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien [gedaagde] op aan hem toerekenbare wijze de schijn heeft gewekt dat hij onbeperkt aansprakelijk is voor de verbintenissen van de vennootschap6. Het enkele aangaan van verbintenissen namens de vennootschap, waar de door GE-Bouw ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerde gedragingen van [gedaagde] op neerkomen en die [gedaagde] overigens betwist, is daarvoor echter onvoldoende. Noodzakelijk is dat de commanditaire vennoot in de concrete omstandigheden van het geval op verwijtbare wijze bij een derde de schijn heeft gewekt of in stand gelaten dat hij de beherend vennoot is en de betrokken derde daarop is afgegaan. Er dient sprake te zijn van als misleidend of onrechtmatig aan te merken gedragingen van de commanditaire vennoot. Dat daarvan in het onderhavige geval sprake is, is door GE-Bouw niet gesteld, noch is daarvan anderszins gebleken. Uit de door GE-Bouw opgesomde gedragingen van [gedaagde] kan die conclusie, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, in ieder niet geval worden getrokken.

4.8.

De conclusie uit het vorenstaande luidt dat er geen grond is om [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk te houden voor al hetgeen de Raad van Arbitrage voor de Bouw oordeelt dat [naam vennootschap] aan GE-Bouw verschuldigd is. Dit betekent dat de vorderingen van GE-Bouw, die gegrond zijn op het tegendeel, zullen worden afgewezen.

4.9.

GE-Bouw zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 1.474,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.378,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt GE-Bouw in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.378,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2014.

1 Tervoort, Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap, Instituut voor ondernemingsrecht, deel 93, Kluwer, 2013, § 3.3.3.1.2.

2 Grunewald/Schmid/Mülbert, Münchener Kommentar zum Handelsgesetzbuch: HGB Band 3: Zweites Buch, Handelsgesellschaften und stille Gesellschaft, Beck Verlag, München, 2012, § 170 aantekening 5; Baumbach/Hopt, Handelsgesetzbuch, Beck Verlag, München, 2012, § 170 aantekening 3

3 Baumbach/Hopt, a.w. § 170 aantekening 3; Grunewald/Schmid/Mülbert, a.w., § 170 aantekening 5; Tervoort, a.w. § 3.3.3.1.2.

4 Tervoort, a.w. § 3.3.3.2.2.

5 Westerdijk, Die GmbH & Co KG im Niederländischen Gesellschaftsrecht, Dunker & Humblot, Berlin, 1998, p. 165-166;

6 Schmidt, Gesellschaftsrecht, Carl Heyman, Köln, 2002, p. 1553-1554