Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4989

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-08-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
01/845137-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht meermalen gepleegd tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

De rechtbank spraakt verdachte vrij van de haar ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de bedreigingen via Hyves.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn behandeld is overschreden. De rechtbank heeft daarom de opgelegde straf gematigd.

De rechtbank gelast tevens de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 51 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845137-12
Parketnummer vordering: 20/004219-10

Datum uitspraak: 18 augustus 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op[1961],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 augustus 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juli 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 17 april 2012 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen) met een (keuken)mes heeft gestoken in de richting van de schouder/nek, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of het lichaam van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

zij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 17 april 2012 te Oss, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] meermalen, althans eenmaal, (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk:

- op 17 april 2012 dreigend de passagiersdeur van de auto waarin voornoemde [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 3] zich bevonden opengetrokken/opengerukt en/of is (vervolgens) voornoemde auto (deels) binnen gegaan en/of (vervolgens) met een (keukenmes) stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2] en/of haar/hen daarbij (meermalen) dreigend de woorden toegevoegd: "Ik rijg je eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- in de periode van 1 januari 2012 tot en met 17 april 2012 een of meer (hyves)berichten gericht aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] verzonden, waarin zij, verdachte, (onder meer) de volgende dreigende teksten heeft geschreven: "Gij voelt je eigen Katja Schuurman, maar als ik je onder handen heb gehad kan niemand jou nog terug" en/of "ge siet wel wa ik doe, mij jongens vegten maar moeder stap de auto uit en begin meteen te schieten, ik twijfel nog geen seconde en so twijfel ik ook nie aan jullie", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

[artikel 302 jo 45 Sr en/of art 285 Sr]

Onder het ten laste gelegde heeft de officier van justitie voorts artikel 287 en artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht vermeld. Nu verdachte hier geen poging doodslag wordt verweten door de officier van justitie heeft de rechtbank de vermelding van die artikelen hierboven, ter voorkoming van ieder misverstand, achterwege gelaten. Voor zover voorts in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 20/004219-10 is aangebracht bij vordering van 2 juli 2014. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 19 oktober 2011. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en bedreigingen heeft begaan en acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank baseert haar oordeel over de feitelijke gang van zaken op de navolgende bewijsmiddelen.

Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]2:

Op 17 april 2012, omstreeks 15:47 uur, hoorden wij van het meldcentrum dat er een bedreiging had plaatsgevonden met een mes. Deze bedreiging zou door [verdachte] zijn gepleegd bij de basisschool gelegen aan de [adres 2]te Oss. Aangeefster was gevlucht naar het woonwagencentrum aan de [adres 1] te Oss. Bij de [adres 1] troffen wij tenminste drie hevig geëmotioneerde volwassenen aan, waaronder mevrouw [slachtoffer 1], welke later aan zou geven aangifte te willen doen. Wij zagen dat alle personen hevig overstuur waren. Wij zagen dat er vier jonge kinderen aanwezig waren welke huilden. Ik, [verbalisant 2], hoorde een van de familieleden zeggen dat een van de kinderen in zijn broek had geplast van angst.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 1] op 17 april 20123:

Op 17 april 2012 werd op de [adres 3] te Oss een poging tot doodslag gepleegd. Ik doe hier aangifte van voor mijzelf en de kinderen die ik bij me had.
Vandaag had ik mijn auto (een zwarte Golf) geparkeerd voor de school van mijn kinderen. Ik heb mijn dochter [slachtoffer 2] en[slachtoffer 3] in de auto gezet. [slachtoffer 3] is achterin gaan zitten en [slachtoffer 2] op de passagiersstoel. Ik ben achter het stuur in de auto gaan zitten. Vervolgens wordt uit het niets de passagiersdeur van de auto opengetrokken. Ik bedoel eigenlijk gerukt. Ik hoor meteen iemand schreeuwen: “Zo moet je mij hebben”. Op dat moment begint [slachtoffer 2] meteen te gillen en vliegt van de passagiersstoel op mijn schoot. Ik zag op dat moment dat het [verdachte] was. Ik zag ook dat ze een mes in haar rechterhand had. Ik zag dat [verdachte] in de portiersopening stond. Dus van mij uit gezien was de deur achter haar. Ik zag dat ze meteen verder de auto indook. [naam 1]gilde enorm, [slachtoffer 3] achterin gilde nog harder. Ik zag dat [verdachte] nog verder in de auto kwam. Ik hoorde haar meerdere malen schreeuwen: “Ik rijg je eraan. Kom dan, ik rijg je er aan”, of woorden van gelijke strekking. Ik vreesde enorm voor de kinderen. Ik zag dat [verdachte] verder de auto in kwam. Ik zag dat ze stekende bewegingen maakte met het mes in de richting van mijn schouder dan wel nek. [naam 2] was op mijn schoot geklommen/gevlucht. Plotseling kwam er een Marokkaanse vrouw en die trok [verdachte] uit de auto en gooide de deur van de auto dicht.

De verklaring van getuige [getuige 1] afgelegd op 18 april 20124:

Gisteren ben ik getuige geweest van een incident. Ik heb die dag mijn auto tegenover de school neergezet. Ik zag dat de mij onbekende vrouw die achterin mijn auto zat, uitstapte. Ik zag dat ze naar een zwarte Volkswagen Golf toe liep. Ik hoorde dat de twee vrouwen naar elkaar schreeuwden. Het kwam boos over. Ik ben toen uit mijn auto gestapt. Ik zag dat de deur van de Volkswagen open stond aan de bijrijderskant. Ik zag dat er een meisje in de auto op de schoot van haar moeder zat. Ik heb de vrouw die bij de auto stond en uit mijn auto gestapt was, teruggetrokken en weggedraaid. Ik heb de vrouw bij haar achterkant vastgepakt. Vervolgens heb ik het portier van de Golf dichtgedaan.

De verklaring van getuige [getuige 1] afgelegd op 2 november 2012 bij verhoor door de rechter-commissaris5:

Op die 17e april ben ik met [persoon] naar een mevrouw in Oss gereden. [persoon] haar kinderen en mijn kind zitten op de [naam school] en wij zijn toen met mijn auto naar de school gereden om de kinderen op te halen en die mevrouw is mee gegaan. Die mevrouw, waarvan ik nu weet dat het mevrouw [verdachte] is, is achterin gaan zitten en [persoon] op de passagiersplaats. Mevrouw [verdachte] is toen uitgestapt. Ik heb mevrouw [verdachte] naar die andere auto zien lopen en vervolgens werd er gegild en geschreeuwd. Je hoorde dat er ruzie was. Mevrouw [verdachte] stond bij de passagiersdeur van die andere auto. Ik dacht er is ruzie en ik wilde de boel sussen. Ik heb die mevrouw [verdachte] vastgepakt bij haar rug en naar achteren getrokken en ik heb haar in mijn auto gezet en we zijn weggegaan.

De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 4 augustus 20146:
Op 17 april 2012 ben ik samen met [persoon] en een andere vrouw naar school gegaan. Ik zag daar [slachtoffer 1] achter het stuur zitten en dacht, ik spreek haar aan.

De verklaring van getuige [slachtoffer 2] die op 2 mei 2012 is afgelegd en is weergegeven in een verslag verbatim studioverhoor7:

[verdachte] trok de deur van de auto aan de bijrijderskant waar ik zat open en ze kwam met een mes in de auto. Ze stond op die zwarte rand en dan komt ze zo. En toen sprong ik vlug op schoot bij mama. Die zat naast mij achter het stuur. [verdachte] had dat mes in haar hand. Ze dreigde er zo mee. Steken. Allemaal zo’n stekedingen. Zo bewegen van steken. Naar [slachtoffer 3], mijn neefje en …Uh…naar mijn mama en naar mij. Toen [verdachte] zo dicht met het mes bij mij kwam, jankte ik heel hard en ik gilde keihard. Ik was heel bang. [slachtoffer 3] was zo bang van de angst dat hij het in zijn broek had gedaan.

De verklaring van getuige [naam 4] die op 2 mei 2012 is afgelegd en is weergegeven in een verslag verbatim studioverhoor8:

Ik kom praten over [verdachte]. Ze kwam in één keer achter de auto uit dus ze trok de deur open bij mijn nichtjes kant. Mijn tante [slachtoffer 1] heeft een Volkswagen Golf en [slachtoffer 1] zat achter het stuur. Mijn nichtje [slachtoffer 2] [slachtoffer 2] zat daarnaast. Ik zat op de achterbank, maar dan in het midden. [verdachte] zat steekbewegingen te maken en ze stak bijna mijn nichtje, maar mijn nichtje sprong op het stuur van mijn tante. En zij zat allemaal met een mes zo allemaal te doen. Ze deed allemaal eh steken zo. Ik ben echt heel bang geweest. Ik heb ook in mijn broek geplast. En mijn nichtje allemaal gillen. Dit is gebeurd op 17 april volgens mij bij mijn school in de [adres 4] in Oss. Nadat [verdachte] al steekbewegingen zat te maken, trok die Marokkaanse meid [verdachte] uit de auto. Ze zei ook: “Nou ga ik je vermoorden en alles. Nou krijg ik, nou heb ik jou” tegen mijn tante. Ik heb de hele tijd dat mes gezien bij [verdachte]. Totdat we wegreden.

Verdachte heeft verklaard dat zij naast [slachtoffer 1] op de bijrijdersstoel is gaan zitten, dat de twee kinderen op dat moment achterin de auto zaten en dat zij [slachtoffer 1] toen rustig heeft aangesproken. Voorts heeft zij verklaard dat ze geen mes maar een lippenstift in haar hand had op dat moment, dat zij geen stekende bewegingen heeft gemaakt en dat zij geen bedreigende woorden heeft geuit. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte niet aannemelijk en ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat de lezing van verdachte over de feitelijke gang van zaken wordt tegengesproken door voornoemde verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en de verklaringen van [getuige 1]. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die verklaringen te twijfelen, nu deze in hoofdlijn, maar ook in een aantal details zoals het in de broek plassen door het jongetje achterin de Golf, de plek waar iedereen in de Golf zat, het bijrijdersportier van die auto dat verdachte opende, de reactie van de dochter van aangeefster door op schoot van aangeefster te kruipen, de Marokkaanse vrouw die verdachte wegtrok, het geschreeuw, met elkaar overeenstemmen. Dat getuige [getuige 1] geen mes (of zo verdachte wil doen geloven: een lipstick) heeft gezien, doet daar niets aan af.

De rechtbank is van oordeel dat uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 17 april 2012 de passagiersdeur van de auto waarin [slachtoffer 1],
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich bevonden heeft opengerukt, voornoemde auto is binnengegaan en vervolgens met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2] en hen toegeroepen heeft dat zij hen eraan zou rijgen.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is hoe een dergelijke gedraging gekwalificeerd moet worden.

Poging tot zware mishandeling.

De rechtbank is van oordeel dat uit het procesdossier onvoldoende blijkt dat verdachte het opzet had om [naam 3] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Evenmin zijn er voldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig om vast te kunnen stellen dat verdachte zich door haar handelen willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen aan voornoemde personen. Verder is in het dossier onvoldoende concrete informatie voorhanden over het type mes dat is gebruikt en de afmetingen daarvan. Nu uit het dossier ook niet valt op te maken op welke afstand tot de slachtoffers, in welke richting en met welke kracht de stekende bewegingen met het mes zijn gemaakt, acht de rechtbank het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2] niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de ten laste gelegde poging(en) tot zware mishandeling.

Bedreigingen.

De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging op 17 april 2012 wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft, door de passagiersdeur van de auto waarin [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2] zich bevonden plotseling open te rukken, die auto binnen te gaan en vervolgens met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2]
[slachtoffer 2] en hen toe te roepen dat zij hen eraan zou rijgen, [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2] rechtstreeks bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Ook [slachtoffer 3], die in diezelfde auto op de achterbank zat, dit alles dus van zeer dichtbij meemaakte en erg bang was dat ook hem iets zou worden aangedaan, werd door dit handelen van verdachte bedreigd. De bedreigingen door verdachte zijn immers van dien aard en vonden onder zodanige omstandigheden plaats, te weten in een auto waar de inzittenden onverwacht werden geconfronteerd met verdachte en het door haar gehanteerde mes, dat ook bij[slachtoffer 3] de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte het mes jegens hem zou gebruiken.

De ten laste gelegde bedreigingen via Hyves acht de rechtbank niet bewezen, nu niet is achterhaald of anderszins is komen vast te staan wie het Hyvesaccount van ‘[verdachte]’ beheert en wie de berichten vanaf dat account heeft verstuurd. Verdachte ontkent immers een dergelijke account te hebben of dergelijke berichten te hebben verstuurd en bovendien stelt verdachte niet te kunnen lezen en schrijven. Wat hier ook van zij, niet kan worden vastgesteld wie deze bedreigingen aldus heeft geuit. Gelet hierop acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder het tweede gedachtestreepje ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 17 april 2012 te Oss [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk op 17 april 2012 dreigend de passagiersdeur van de auto waarin voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich bevonden opengetrokken/opengerukt en is vervolgens voornoemde auto deels binnen gegaan en heeft vervolgens met een mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer 1] en
[slachtoffer 2] en hen daarbij meermalen dreigend de woorden toegevoegd: "Ik rijg je eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert voor zowel de poging tot zware mishandeling als beide bedreigingen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 51 dagen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn is niet aan de verdediging te wijten.
Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden afgewezen. Het arrest van het gerechtshof is immers op 17 april 2012 onherroepelijk geworden en de mededeling van deze uitspraak is niet diezelfde dag aan verdachte/veroordeelde betekend, waardoor de proeftijd die dag nog niet is gaan lopen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de proeftijd wel op 17 april 2012 is ingegaan, dan heeft dit nog geen werking gehad doordat verdachte/veroordeelde die dag in verzekering is gesteld.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige bedreiging door de passagiersdeur van de auto waarin aangeefster en twee kinderen zich bevonden plotseling open te rukken, en in die auto vervolgens met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van aangeefster en één van de kinderen en hen toe te roepen dat zij hen eraan zou rijgen. De kinderen waren op dat moment zes en tien jaar oud. Dit moet een zeer beangstigende ervaring zijn geweest, niet alleen voor aangeefster, maar vooral ook voor deze jonge kinderen. Uit de door hen afgelegde verklaringen blijkt ook hoe bang zij waren door het handelen van verdachte.

Het gewelddadige karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om andere mensen, waaronder zelfs jonge kinderen, verbaal en fysiek met een mes te bedreigen. Verdachte heeft zich bij haar strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen van haar handelen voor de slachtoffers.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte reeds meermalen voor soortgelijke feiten werd veroordeeld.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie en de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de redelijke termijn, waarbinnen de strafzaak moest zijn behandeld, is overschreden. De rechtbank heeft als aanvangsdatum van de redelijke termijn de datum van inverzekeringstelling, te weten 17 april 2012, genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Bovendien is de laatste getuige reeds op 2 november 2012 door de rechter-commissaris gehoord. Daarna heeft het nog tot 4 augustus 2014 geduurd voordat de zaak op zitting is gebracht. Al met al is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, terwijl dit niet het gevolg is van de proceshouding van verdachte.

Als maatstaf voor de vermindering van de op te leggen straf hanteert de rechtbank het uitgangspunt van om en nabij de tien procent. Gelet op vorenstaande zal de rechtbank de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf matigen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 20/004219-10.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De rechtbank is gebleken dat verdachte/veroordeelde op tegenspraak is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 51 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Zij was hierdoor op de hoogte van de datum van de uitspraak en moet ook worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van die uitspraak. Door het onherroepelijk worden van de uitspraak op 17 april 2012 is de proeftijd die dag ingegaan. Aan verdachte/veroordeelde was niet rechtens haar vrijheid ontnomen op het moment dat ze het feit pleegde op 17 april 2012. De door de verdediging aangevoerde verweren betreffende de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden derhalve verworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich op de eerste dag van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 19 oktober 2011, gewezen onder parketnummer 20/004219-10, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 51 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. M. Lammers en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier,

en is uitgesproken op 18 augustus 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politieregio Brabant-Noord, districtrecherche Maasland, genummerd 20122040718, gesloten op 9 mei 2012, aantal doorgenummerde blz. 61 [verder: eindpv].

2 Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten Besseling en [verbalisant 2], p. 34-35 van het eindpv.

3 Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 1] op 17 april 2012, p. 24-25 van het eindpv.

4 De verklaring van getuige [getuige 1] afgelegd op 18 april 2012, p. 36-37 van het eindpv.

5 De verklaring van getuige [getuige 1] afgelegd op 2 november 2012 bij verhoor door de rechter-commissaris.

6 Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, locatie ’s‑Hertogenbosch, van 4 augustus 2014.

7 Het verslag verbatim studioverhoor van het verhoor van getuige [slachtoffer 2] dat op 2 mei 2012 plaatsvond, aantal doorgenummerde bladzijden 41.

8 Het verslag verbatim studioverhoor van het verhoor van getuige [slachtoffer 3] dat op 2 mei 2012 plaatsvond, aantal doorgenummerde bladzijden 58.