Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4985

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-08-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
01/860048-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt buiten echt ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat het slachtoffer mede het initiatief had genomen aan het ontuchtige karakter van de seksuele handelingen niet afdoet. De rechtbank heeft hierbij mede gelet op het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij a EUR 1.584,90 toe en legt voor dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860048-14

Datum uitspraak: 18 augustus 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te[woonplaats],[adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 augustus 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juli 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 augstus

2013 tot en met 23 september 2013 te Eindhoven en/of Breda, althans in

Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [1998]), die de leeftijd van

twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een

of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit

of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer]

gebracht en/of geduwd en/of gehouden en/of (vervolgens) met zijn penis een of

meer heen en weer gaande bewegingen gemaakt;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie kan het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de bewezenverklaring.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte van [persoon] namens benadeelde [slachtoffer]2, de getuigenverklaring van [slachtoffer]3, de akte uit het geboorteregister op naam van [slachtoffer]4 en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 augustus 2014.

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 31 augustus 2013 tot en met 23 september 2013 te Eindhoven en Breda, met [slachtoffer] (geboren op [1998]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte telkens zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en gehouden en vervolgens met zijn penis een of meer heen en weer gaande bewegingen gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman pleit primair voor het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de reclassering in het rapport van 31 juli 2014 wordt geadviseerd, eventueel in combinatie met een taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte, destijds 44 jaar, heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, die bestonden uit seksueel binnendringen, met een meisje dat toen 15 jaar was. Verdachte was van het begin af aan op de hoogte van haar leeftijd en wist dat zij een kwetsbaar meisje was. Hij is desondanks een seksuele relatie met haar aangegaan. Dat het slachtoffer daartoe mede het initiatief had genomen doet aan het ontuchtige karakter van die seksuele handelingen niet af. Ook de omstandigheid dat verdachte en het slachtoffer een naar zijn zeggen eerlijke relatie hebben gehad en dat het seksuele contact hieruit is voortgevloeid doet aan het ontuchtige karakter daarvan niet af, gelet op het grote leeftijdsverschil. Verdachte had het slachtoffer moeten beschermen door seksueel contact te weigeren en geen (seksuele) relatie met haar aan te gaan, aangezien zij in haar normale ontwikkeling diende te worden beschermd, en een minderjarige onvoldoende in staat moet worden geacht om de draagwijdte van haar handelen in dit opzicht zelfstandig te overzien. Verdachte heeft zich kennelijk in het geheel geen rekenschap gegeven van het belang van het slachtoffer en de mogelijke gevolgen voor haar. Uit de slachtofferverklaring van het slachtoffer en de ouders blijkt dat zij achteraf veel moeite heeft met het feit dat zij een seksuele relatie heeft gehad met een veel oudere man en dat zij hiervoor psychologische hulp heeft gezocht. Dit feit heeft grote gevolgen gehad voor het slachtoffer, en ook voor het gezin.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte het volgende mee.

Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet en heeft oprecht berouw getoond. Verdachte heeft het door hem gepleegde strafbare feit in een vroeg stadium van het onderzoek erkend en heeft daarna zijn volledige medewerking aan dat onderzoek verleend. Uit het door de reclassering over de persoon van de verdachte uitgebrachte rapport blijkt dat deze zaak grote gevolgen heeft gehad voor het gezin van verdachte. Daarnaast blijkt uit het rapport ook dat verdachte psychologische hulp heeft ingeschakeld en dat de kans op recidive laag is. Verdachte is zelf ook getroffen door de gevolgen van het door hem gepleegde strafbare feit in die zin dat verdachte in verband met het door hem gepleegde strafbare feit een officiële berisping heeft gekregen van zijn werkgever.

De rechtbank zal de eis van de officier van justitie grotendeels volgen, omdat de rechtbank van oordeel is dat de door de officier van justitie gevorderde straf, in overeenstemming is met de ernst van het bewezen verklaarde.

De rechtbank zal de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis opleggen.

Op grond van artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechtbank in deze zaak echter niet volstaan met het opleggen van een taakstraf en een geheel voorwaardelijke straf. De rechtbank kan in deze zaak op grond van artikel 22b, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht slechts een taakstraf opleggen als daarnaast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. De rechtbank zal echter het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf beperken tot één dag (met aftrek van voorarrest) en het overige deel voorwaardelijk opleggen. Gelet hierop en teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 90 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie eist gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de daarbij behorende vervangende hechtenis.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman betwist de reiskosten naar de diëtiste en psycholoog, omdat deze personen ook al eerder werden bezocht. Daarnaast voert hij aan dat de kosten van het nieuwe bed en hoes niet onderbouwd zijn met facturen, op grond waarvan dat deel van de vordering dient te worden afgewezen. De raadsman betwist de parkeerkosten niet. De immateriële schadevergoeding dient, indien toegewezen, te worden gematigd, omdat in dit soort zaken de toegewezen bedragen blijkens jurisprudentie lager zijn dan het gevorderde bedrag.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering; te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,-- (post 3) en materiële schadevergoeding van in totaal € 584,90 (post 1, 2 en 4).

De toewijsbare materiële schade bestaat uit:

Reiskosten (post 1):

- de helft van de reiskosten v.v naar de psycholoog (€ 54,50, afgerond) en de diëtiste

(€ 14,56);

- de reiskosten van de keren dat het slachtoffer zelf naar het politiebureau is geweest v.v.:

3

x 14,4 km = 43 km (afgerond) x € 0,28 = € 12,04;
- de reiskosten naar de rechtbank v.v: 65 km x € 0,28 = € 18,20

Totale toewijsbare reiskosten: € 54,50 + € 14,56 + € 12,04 + € 8,40 (afgerond) + € 18,20 =

€ 107,70

Bed en hoes (post 2): € 473,20;

Parkeerkosten (post 4): € 4,--.

Het bedrag van € 1.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag van € 584,90 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van dat overige deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De behandeling daarvan zou ten koste gaan van de vlotte afhandeling van de strafzaak, terwijl de wettelijke vertegenwoordigers en de gemachtigde van slachtofferhulp namens de benadeelde partij in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om dit deel van de vordering voldoende te onderbouwen.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor is genoemd.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 24c, 27, 36f, 57, 245.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

Taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1.584,90 subsidiair 25 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 1.584,90 (zegge: vijftienhonderdvierentachtig euro en negentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.000,-- immateriële schadevergoeding (post 3) en EUR 584,90 materiële schadevergoeding (post 1, 2 en 4).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het bedrag van EUR 1.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en het bedrag van EUR 584,90 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van EUR 1.584,90 (zegge: vijftienhonderdvierentachtig euro en negentig eurocent), te weten EUR 1.000,-- immateriële schadevergoeding (post 3) en EUR 584,90 materiële schadevergoeding (post 1, 2 en 4).

Het bedrag van EUR 1.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en het bedrag van EUR 584,90 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Verdachte is van schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. M. Senden, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 18 augustus 2014.

mr. M. Senden is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren., van de politie Oost-Brabant, gezamenlijke recherche Eindhoven, afdeling zeden, met dossiernummer: 2013134789, afgesloten op 22 december 2013, aantal doorgenummerde bladzijden: 257.

2 Proces-verbaal, blz. 27 t/m 33.

3 Proces-verbaal, blz. 35 t/m 45.

4 Proces-verbaal, blz. 250.