Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4979

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-08-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
14_1397
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor berekening uitkeringsduur WW telt periode waarin werkzaamheden zijn verricht als wethouder (politiek ambt) niet mee. Gebruikmaking van (zogeheten) opting-in regeling maakt dit niet anders; ziet enkel op verhouding belastingplichtige en Belastingdienst en strekt zich niet uit tot WW. Beroepsgrond dat het onlogisch is dat periode waarin wel – als wethouder – is gewerkt niet meetelt bij berekening uitkeringsduur, terwijl in artikel 42a, zesde lid, van de WW is bepaald dat zelfs een periode waarin onbetaald verlof is genoten tot maximum van 18 maanden gelijk wordt gesteld met periode waarover loon is ontvangen, faalt. Wetgever heeft een dergelijke bepaling immers niet opgenomen in de WW ten aanzien van periode waarin politiek ambt is bekleed.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet, geldigheid: 2014-09-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/1397

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: E.H.J.A. Olthof).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser per 1 januari 2014 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend voor de duur van 34 maanden.

Bij besluit van 14 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser was in de jaren 2002 tot en met 2006 wethouder. Van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 was hij in dienst van POSG Professionals B.V.. Dit dienstverband is van rechtswege geëindigd, in verband waarmee eiser op 21 december 2013 een aanvraag voor een WW-uitkering heeft gedaan.

2.

Het wettelijk kader is als volgt.

2.1

Ingevolge het eerste lid van artikel 42 van de WW is de uitkeringsduur drie maanden, te

rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de uitkeringsduur verlengd met een maand voor ieder volledig kalenderjaar dat het arbeidsverleden de duur van drie kalenderjaren overstijgt, met dien verstande dat de totale uitkeringsduur maximaal 38 maanden bedraagt indien de werknemer:

a. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar loon te hebben ontvangen respectievelijk over 208 of meer uren per kalenderjaar loon heeft ontvangen, waarbij voor 1 januari 2013 52 of meer dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren; of

b. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste dag van werkloosheid recht heeft op een uitkering op grond van een wet als genoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, c, of d.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede

lid, berekend door samentelling van:

a. het aantal kalenderjaren, vanaf en met inbegrip van 2013 tot en met het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, waarin de werknemer over 208 of meer uren loon heeft ontvangen;

b. het aantal kalenderjaren, vanaf en met inbegrip van 1998 tot 2013, waarover de werknemer over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen; en

c. het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het kalenderjaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot 1998.

2.2

In artikel 14, eerste lid, van de WW is het begrip loon gedefinieerd als het loon in de zin

van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).

2.3

In artikel 16 van hoofdstuk 3 van de Wfsv is bepaald dat voor de toepassing van dit

hoofdstuk onder loon wordt verstaan het loon en de gage overeenkomstig op de Wet op de loonbelasting 1964.

2.4

In artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 is het begrip loon gedefinieerd als al

hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

2.5

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, voor zover hier van belang, is

bepaald dat de arbeidsverhouding van een persoon die wethouder is, niet als dienstbetrekking wordt beschouwd.

2.6

In artikel 4, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964 is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen kunnen worden gesteld, ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene die uit een arbeidsverhouding die niet op grond van een andere bepaling als dienstbetrekking wordt beschouwd een beloning geniet, mits diegene vooraf aan de inspecteur meldt door middel van een gezamenlijke verklaring van hemzelf en de beoogde inhoudsplichtige, dat zijn arbeidsverhouding als dienstbetrekking moet worden beschouwd. Hieraan is uitvoering gegeven met het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

3.

Partijen verschillen van mening over de vraag of bij de berekening van de

uitkeringsduur, de periode die eiser werkzaam is geweest als wethouder moet worden betrokken.

4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit, gelet op artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, niet het geval is. Ter zitting heeft verweerder gewezen op de toelichting bij de wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten en enige andere wetten (Verzamelwet sociale verzekeringen 2006) waaruit blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat wethouders uitgezonderd zijn van een wettelijke verzekering als werknemer.

5.

Eiser erkent dat, gelet op artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, een wethouder na zijn aftreden geen recht heeft op een uitkering ingevolge de WW. Dat betekent volgens eiser echter niet dat de periode die eiser werkzaam is geweest als wethouder, niet bij de berekening van de uitkeringsduur zou mogen worden betrokken. Hij wijst erop dat hij als wethouder destijds gebruik heeft gemaakt van de opting-in-mogelijkheid die is neergelegd in artikel 4, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964; over zijn bezoldiging werd derhalve loonbelasting ingehouden. Eiser meent op grond daarvan dat zijn arbeidsverhouding als dienstbetrekking moet worden beschouwd voor de berekening van de arbeidsduur.

6.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder niet heeft betwist dat eiser gebruik heeft gemaakt van de opting-in-mogelijkheid die is neergelegd in artikel 4, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964. Ook de rechtbank heeft geen reden dit in twijfel te trekken en zal hiervan uitgaan.

7.

De rechtbank volgt eiser niet in diens standpunt dat zijn werkzaamheden als wethouder, omdat hij gebruik heeft gemaakt van de opting-in-mogelijkheid en over zijn bezoldiging loonbelasting heeft afgedragen, dienen te worden betrokken bij de berekening van de uitkeringsduur. Zij wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 april 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT4695). In deze uitspraak is geoordeeld dat artikel 4, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964 op de zogenoemde fictieve dienstbetrekking ziet, waarbij een arbeidsverhouding onder omstandigheden en voor een specifiek doel met een dienstbetrekking wordt gelijkgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit specifieke doel alleen het inhouden van loonbelasting. Het feit dat als voorwaarde wordt gesteld dat er een gezamenlijke verklaring ligt van de betrokkene en de beoogde inhoudingsplichtige en dat deze verklaring wordt gemeld aan de inspecteur van de Belastingdienst, wijst hier op. De genoemde bepaling heeft dan ook alleen betekenis in de relatie van eiser als belastingplichtige enerzijds en de inspecteur van de Belastingdienst anderzijds. Dit betekent dat de reikwijdte van deze bepaling zich niet uitstrekt tot de WW. Daarentegen valt niet in te zien waarom artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW alleen betrekking heeft op het ontstaan van het recht op een WW-uitkering. De rechtbank zou het ook ongerijmd achten als de arbeidsrelatie van een wethouder niet leidt tot een recht op een WW-uitkering, maar wel zou moeten worden meegeteld voor de berekening van de duur van de WW-uitkering. Deze beroepsgrond faalt.

8.

Eiser voert verder aan dat in artikel 42a, zesde lid, van de WW, voor de toepassing van artikel 42 van de WW is bepaald dat dagen, tot een maximum van achttien maanden, waarover de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, gelijkgesteld worden met dagen, waarover loon is ontvangen of met acht uren, waarover loon is ontvangen. Als zelfs een periode, waarin niet is gewerkt, meetelt voor de uitkeringsduur, is het volgens eiser onlogisch een periode waarin wel – als wethouder – is gewerkt, niet mee te tellen.

9.

De rechtbank overweegt dat de wetgever in artikel 42a, zesde lid, van de WW expliciet heeft bepaald dat een periode van maximaal achttien maanden waarover onbetaald verlof is genoten, meetelt voor de berekening van de arbeidsduur. De wetgever heeft een dergelijke bepaling niet opgenomen in de WW ten aanzien van een periode waarin een politiek ambt is bekleed. Het staat het Uwv niet vrij, niettegenstaande artikel 6 van de WW, artikel 42a, zesde lid, van de WW op andere situaties toe te passen dan waarvoor deze bepaling is geschreven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10.

Verweerder heeft bij de berekening van de uitkeringsduur derhalve terecht eisers werkzaamheden als wethouder buiten beschouwing gelaten.

11.

Het beroep is ongegrond.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.S. Klerk, rechter, in aanwezigheid van

A.P.C. Lensvelt LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

15 augustus 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.