Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4918

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
C/01/262910 / HA ZA 13-352
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deskundigenonderzoek naar echtheid van een handtekening onder een onderhandse akte. De betwiste handtekening betreft geen volledige handtekening maar een paraaf. Het onderzoek is verricht aan de hand van een kopie van de onderhandse akte die de handtekening bevat. Er bestaat een voldoende mate van waarschijnlijkheid dat de handtekening is gezet door gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/262910 / HA ZA 13-352

Vonnis van 6 augustus 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. L.M.P. van Zandvoort te Lith,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. W.J. Liebrand te Oss.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 januari 2014

  • -

    het deskundigenbericht

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres]

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.1.

Bij opgemeld vonnis van 8 januari 2014 is een deskundigenonderzoek bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Is de handtekening op de onderhandse akte van 15 september 2002 onder de naam ‘[gedaagde]’ gezet door de heer [gedaagde]?

  2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

De door de rechtbank benoemde deskundige drs. P.L. Zevenbergen heeft zijn rapport op 26 maart 2014 ter griffie van de rechtbank gedeponeerd. De conclusie van de deskundige houdt onder meer in dat er zwaarwegende steun is voor de opvatting dat de betwiste handtekening een echte handtekening van [gedaagde] is en geen nabootsing daarvan en dat hij geen indicatoren heeft aangetroffen, die op het tegendeel zouden kunnen duiden.

2.1.2.

[eiseres] heeft zich aangesloten bij de bevindingen van de deskundige.

2.1.3.

[gedaagde] heeft bezwaren ingebracht tegen de bevindingen en de conclusie van de deskundige.

2.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

De bezwaren van [gedaagde] tegen het deskundigenrapport komen er kort gezegd op neer dat de rapportage enkel is gebaseerd op een kopie van de onderhandse akte van 15 september 2002 en dat de bandbreedte van het in aanmerking genomen vergelijkingsmateriaal onaanvaardbaar groot is, zodat niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de handtekening van [gedaagde] zelf afkomstig is, mede in aanmerking genomen dat de akte voorzien is van een paraaf en niet van een volledige handtekening. Deze bezwaren doen aan de bevindingen en conclusie van de deskundige niet af. Uit de rapportage blijkt weliswaar dat er materiële beperkingen aan de onderzoeksmogelijkheden hebben bestaan omdat de handtekening niet in de originele inktafzetting kon worden onderzocht, maar tevens blijkt dat dat er niet aan in de weg heeft gestaan dat de deskundige een conclusie op grond van zijn bevindingen heeft kunnen trekken. De deskundige heeft onder 6 van zijn rapport vermeld dat het betwiste materiaal in kwantitatief en kwalitatief opzicht een aantal schrijverspecifieke kenmerken bevat om een schriftvergelijkend onderzoek ter beantwoording van de onderzoeksvragen mogelijk te maken. De omstandigheid dat er sprake is van een kopie van de akte en van een grote variatiebreedte van het vergelijkingsmateriaal staat daaraan niet in de weg, zo volgt uit het rapport. Op vragen van mr. Liebrand naar aanleiding van de concept-rapportage heeft de deskundige geantwoord dat aan de hand van de kopie van de handtekening forensisch schriftonderzoek kon worden verricht omdat de schrijfbeweging en bewegingsvolgorde in de handtekening in voldoende mate te reconstrueren waren. Voor wat betreft de bestaande bandbreedte heeft de deskundige op vragen van mr. Liebrand te kennen gegeven dat er meer dan 12 interactiepunten zijn onderscheiden en dat dit kwalitatief en kwantitatief meer dan voldoende is voor een mogelijke schrijversidentificatie. De bezwaren van [gedaagde] zijn door de deskundige voldoende weerlegd. [gedaagde] heeft nog gerefereerd aan literatuur, stellende dat daarin vraagtekens worden geplaatst bij handschriftkunde en dat daarin wordt gewezen op het feit dat er rekening mee dient te worden gehouden met een foutmarge van 7% bij alle onderzoeken naar vervalsingen. Nog los van de omstandigheid dat de deskundige de betreffende verwijzing afdoende heeft weerlegt, brengt het eventuele bestaan van een dergelijke foutmarge nog niet mee dat de deskundige in dit geval niet zou moeten worden gevolgd in zijn bevindingen en conclusie.

De deskundige heeft zijn bevindingen en conclusie op inzichtelijke wijze en goed gemotiveerd. De conclusie vloeit logisch uit het rapport voort. De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige dan ook over en komt op grond van die conclusie tot het oordeel dat er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de handtekening op de onderhandse akte van 15 september 2002 onder de naam ‘[gedaagde]’ is gezet door [gedaagde]. Met dit deskundigenrapport is het bewijs daarvan geleverd zodat, gelet op de inhoud van de onderhandse akte van 15 september 2002, als vaststaand wordt aangenomen dat [gedaagde] tegenover [eiseres] de verplichting op zich heeft genomen tot betaling van een bedrag van € 25.000,00. De vordering tot betaling van dit bedrag zal daarom worden toegewezen.

De gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding, 3 mei 2013, omdat niet is gesteld waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is.

2.3.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiseres] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze, door [gedaagde] betwiste, kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

2.4.

[eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten.

Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 75,00 voor griffierecht, € 248,30 voor verschotten en € 579,00 voor salaris advocaat, totaal € 902,30.

2.5.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden begroot op € 94,79 verschotten, € 2.117,50 kosten deskundige en € 1.737,00 salaris advocaat (3 pnt tarief III (€ 579,00), totaal

€ 3.949,29. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

2.6.

Gesteld noch gebleken is dat het beslag dat [eiseres] op de woning van [gedaagde] heeft doen leggen is opgeheven, zodat de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld, is vervuld. Nu de vordering van [eiseres] in conventie wordt toegewezen kan worden vastgesteld dat er van onrechtmatige beslaglegging geen sprake is. De vordering van [gedaagde] in reconventie zal daarom worden afgewezen.

2.7.

[gedaagde] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten worden begroot op € 452,00 salaris advocaat (2 pnt tarief II (€ 452,00) x 0,5).

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 902,30, en in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 3.949,29, van welke bedragen in totaal € 2.391,00 moet worden voldaan aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en een bedrag van in totaal € 2.460,59 aan explootkosten en kosten deskundige, na ontvangst van een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie moet worden voldaan aan de griffier door overmaking op rekeningnummer NL53RBOS0569990572, t.n.v. arrondissement 536 ’s-Hertogenbosch onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in reconventie

3.6.

wijst het gevorderde af;

3.7.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2014.