Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4877

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
SHE 12/3821
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak in zaak over omgevingsvergunning eerste fase voor wijzigen en uitbreiden van een melkrundveehouderij.

Einduitspraak in een zaak waarbij omgevingsvergunning is verleend voor het veranderen van een veehouderij. Verweerder heeft in het herstelbesluit voldoende gemotiveerd dat bij beoogde werking van de mestkelders geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geurhinder bij eiser. Deze werking is voldoende gewaarborgd door middel van voorschriften. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en laat het herstelbesluit in stand.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-08-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 12/3821

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel, verweerder

(gemachtigde: ing. R.J.A.M. van Wersch en M. Compter).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [persoon 1], te [woonplaats] (verder: vergunninghouder), gemachtigde: mr. P.P.A. Bodden.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning eerste fase (milieu) verleend voor het wijzigen en uitbreiden van een melkrundveehouderij.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M. Wingens en mr. T.J.H. Verstappen in plaats van mr. P.P.A. Bodden, vergezeld door deskundige
[persoon 2].

Bij tussenuitspraak van 16 oktober 2013 (verder: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen 6 maanden na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen op 9 april 2014 (verder: het herstelbesluit). Daarbij heeft hij het bestreden besluit gewijzigd.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1.

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2.

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover hierin niet is bepaald dat de mixputten bij gebouw 2 niet als zodanig mogen worden gebruikt en dat niet valt te beoordelen of de door vergunninghouder toegelichte technische constructie, als gevolg waarvan volgens vergunninghouder slechts dunne mest in de mestputten onder gebouw 2 zal stromen, toereikend is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het oorspronkelijke akoestisch rapport van 4 juni 2012 uitgaat van een onjuiste representatieve bedrijfssituatie. De rechtbank heeft verweerder gelegenheid gegeven om deze gebreken te herstellen en hierbij de volgende aanwijzingen gegeven. Verweerder zal nader moeten motiveren dat zich geen dikke mest kan ophopen in de mestputten onder gebouw 2 en dat aldus geen behoefte bestaat aan gebruik van de mixputten bij gebouw 2. Indien volgens verweerder geen behoefte bestaat aan dit gebruik, zal verweerder een voorschrift aan de vergunning dienen te verbinden waarin het gebruik van de mixputten bij gebouw 2 wordt verboden. Voorts zal verweerder een voorschrift in de vergunning dienen op te nemen, ten einde te verifiëren of zich in de mestputten onder gebouw 2 geen dikke mest ophoopt en, indien dit wel het geval is, te waarborgen dat deze met inachtneming van de grenswaarden in de vergunning wordt verwijderd. Verder ligt het op de weg van verweerder om te motiveren of en zo ja waarom hij de verhoging van de toegestane geluidbelasting op de andere woningen toelaatbaar acht. Indien dit het geval is, zal verweerder de geluidgrenswaarden moeten aanpassen.

3.

Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het herstelbesluit, nu partijen daarbij voldoende belang hebben.

4.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak, alsmede in reactie op de door eiser ingebrachte zienswijzen tegen het ontwerp-herstelbesluit heeft verweerder aangegeven wat de beoogde werking is van de mestkelders onder de gebouwen 1 en 2. Verweerder heeft een aantal voorschriften verbonden aan het herstelbesluit die de beoogde werking van het pompsysteem en het afvoersysteem van de stallen waarborgen. Hierbij is in voorschrift J.2.6 onder meer bepaald dat de mixputten van gebouw 2 niet mogen worden gebruikt. Voorts is een controleverplichting in voorschrift J.2.8 opgenomen op basis waarvan vergunninghouder jaarlijks moet vaststellen of zich dikke mest in de mestkelders onder gebouw 2 heeft opgehoopt. Indien is vastgesteld dat dit toch onverhoopt is gebeurd, dient een nader onderzoek te worden ingesteld alsmede dient eiser op de hoogte te worden gesteld. Verder dient dan de dikke mest door middel van het pompsysteem (na vermenging met dunne mest) te worden verwijderd. Om in dat geval de dikke en dunne mest te vermengen, wordt in voorschrift J.2.6 een uitzondering gemaakt op het daarin opgenomen verbod op het gebruik van de mixputten, maximaal 1 keer per jaar in de dagperiode.

5.

In het herstelbesluit heeft verweerder hogere geluidgrenswaarden opgenomen voor de dagperiode in de representatieve bedrijfssituatie voor een aantal woningen. Omdat deze etmaalwaarde de richtwaarde van 45 dB(A) niet overschrijdt acht verweerder deze toename aanvaardbaar. Verder heeft verweerder een nieuwe incidentele bedrijfssituatie benoemd, namelijk het gebruik van de mixputten van gebouw 2 om mest af te voeren in het geval zich onverhoopt dikke mest onder gebouw 2 ophoopt. Dit mag 1 keer per jaar plaatsvinden en het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau mag hoogstens 48 dB(A) bij woningen op 1,5 meter hoogte bedragen.

6.

Eiser is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het herstelbesluit. De rechtbank heeft slechts de zienswijzen op het ontwerp-herstelbesluit mogen ontvangen.

7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat bij de beoogde werking van de mestkelders onder gebouwen 1 en 2, geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare geurhinder bij eiser. De beoogde werking is voldoende geborgd door middel van de voorschriften in paragraaf J2 bij het herstelbesluit. Weliswaar is niet volledig gegarandeerd dat dikke mest zich niet zal ophopen onder gebouw 2, maar de rechtbank is van oordeel dat door middel van de jaarlijkse controleverplichting en de verplichting om de dikke mest, als deze wordt aangetroffen, dan te verwijderen, een passende voorziening is getroffen om onaanvaardbare geurhinder bij eiser te voorkomen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het opnemen van een uitzondering op het gebruik van de mixputten bij gebouw 2 en de hieraan verbonden geluidsoverlast in de incidentele situatie toelaatbaar is. De rechtbank stelt verder vast dat eiser noch derden zienswijzen naar voren hebben gebracht met betrekking tot de verhoging van de geluidgrenswaarden in de representatieve bedrijfssituatie bij de andere woningen. De rechtbank is van oordeel dat met het herstelbesluit de in de tussenuitspraak genoemde gebreken zijn hersteld.

8.

Uit de tussenuitspraak vloeit voort dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is. Gelet op de overwegingen in deze uitspraak is het beroep voor zover gericht tegen het herstelbesluit ongegrond.

9.

Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.217,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond;

- bepaalt dat verweerder eiser het betaalde griffierecht van € 156,- dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.217,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. H.M.J.G. Neelis, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.