Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4802

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
01/825383-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 123 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met algemene en bijzondere voorwaarden en een taakstraf voor de duur van 180 uren voor opzettelijk cocaïne aanwezig hebben, verkopen, afleveren en verstrekken, en voor het aanwezig hebben van een revolver met bijbehorende munitie.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak het binnentreden in de woning en de doorzoeking daarvan rechtmatig is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/825383-12

Datum uitspraak: 08 augustus 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

postadres te [plaats],[adres 1],

vanaf 31 juli 2014 wonende te [woonplaats], [adres 2].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 februari 2014 en 25 juli 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 januari 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 juli 2012 te Valkenswaard opzettelijk aanwezig heeft gehad 6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(artikel 2/C van de Opiumwet)

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2012 tot en met 26 juli 2012 te Valkenswaard (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2/B van de Opiumwet)

hij op of omstreeks 27 juli 2012 te Valkenswaard een wapen van categorie III, te weten een revolver (Merk Nagant, kaliber 7.62) en/of munitie van categorie III, te weten zes, althans meerdere patronen (merk Nagant, kaliber 7.62 mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 van de Wet wapens en munitie).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Rechtmatigheid binnentreding.1

Door de raadsman is ter terechtzitting betoogd dat de verdachte van het tenlastegelegde onder 3 moet worden vrijgesproken. Daartoe is -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. De raadsman heeft gesteld dat het binnentreden in en de doorzoeking van de woning niet rechtmatig is geweest. Deze onrechtmatigheid moet tot gevolg hebben dat het resultaat van de doorzoeking, te weten het vuurwapen, moet worden uitgesloten van het bewijs. Hij wijst daarbij in het bijzonder op de privacyschending die een doorzoeking met zich brengt en naar de bijzondere bescherming die een bewoner toekomt op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Als voorbeeld voor de schending van de rechten van zijn cliënt haalt de raadsman aan dat tijdens de doorzoeking in een schoenendoos is gekeken, waarin het vuurwapen werd aangetroffen.

De rechtbank stelt vast dat op basis van de inhoud van de verklaring van [verbalisant 1]2 er bij de betrokken politieambtenaren een redelijk vermoeden van schuld kon bestaan tegen verdachte ter zake, kort gezegd, het voorhanden hebben van een (echt) vuurwapen met munitie. Op 27 juli 2012 heeft er op grond van de artikelen 26, eerste lid, en 49 van de Wet Wapens en Munitie een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de moeder van verdachte, alwaar hij onder meer verbleef sinds hij was vrijgelaten. Op zolder in een schoenendoos wordt een vuurwapen aangetroffen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie aan opsporingsambtenaren de bevoegdheid verleent ter inbeslagneming doorzoeking te doen op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig is.

Uit de verslaglegging of anderszins is niet gebleken van een wijze van uitvoering die in strijd kan worden geacht met doel en strekking van artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie. Een doorzoeking is een stelselmatig en gericht onderzoek. Daarbij kan, alleen al gelet op het formaat van een (vuist)vuurwapen, het kijken in een schoenendoos in redelijkheid niet anders worden beoordeeld als onderdeel van het (bevoegd) zoeken naar een (vuur)wapen.

Van onrechtmatig of anderszins onjuist handelen is de rechtbank ook anderszins niet gebleken. De resultaten van de doorzoeking kunnen gelet op het bovenstaande worden gebruikt als bewijsmiddel tegen verdachte.

Bewijsoverweging.

De raadsman heeft bepleit dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn en daarom niet tot het bewijs dienen te worden gebezigd.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen, omdat zij de verklaringen wel betrouwbaar acht. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren in essentie gelijkluidend, erop neerkomend dat zij meerdere malen cocaïne hebben gekocht bij verdachte.3 Deze verklaringen worden ook ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Onder meer is in de woning van verdachte 5,22 gram cocaïne gevonden en benodigde materialen om in gebruikershoeveelheden drugs te wegen en te verpakken, zoals een weegschaal en sealbags.4 De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wijzen op zichzelf, maar zeker in samenhang bezien, zodanig sterk in de richting van verdachte dat deze in beginsel vragen om een redelijke verklaring van de zijde van verdachte. Verdachte heeft echter geen redengevende verklaring willen geven, hetgeen de overtuiging van de rechtbank versterkt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem is tenlastegelegd.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte feit 1 en 2 heeft gepleegd, zoals na te vermelden.

De rechtbank acht daarnaast feit 3 wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- proces-verbaal bevindingen doorzoeking woning verdachte5;

- proces-verbaal technisch onderzoek6;

- proces-verbaal bevindingen7;

- bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie8.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 27 juli 2012 te Valkenswaard opzettelijk aanwezig heeft gehad 5,22 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

in de periode van 1 maart 2012 tot en met 26 juli 2012 te Valkenswaard telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

op 27 juli 2012 te Valkenswaard een wapen van categorie III, te weten een revolver (Merk Nagant, kaliber 7.62) en munitie van categorie III, te weten zes patronen (merk Nagant, kaliber 7.62 mm), voorhanden heeft gehad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1, 2 en 3 een gevangenisstraf geëist voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 5,22 gram cocaïne en het in een periode van ongeveer vijf maanden handelen in cocaïne. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen.

Tevens heeft verdachte een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens. Uit het dossier blijkt ook dat verdachte het vuurwapen heeft gedragen en voorts op een zodanige manier heeft gebruikt dat het vuurwapen daadwerkelijk is afgegaan. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ter zake van delicten in het kader van de Opiumwet blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder onherroepelijk werd veroordeeld. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte de omstandigheid mee dat het feitencomplex al ouder is en voorts dat de zaak op een eerdere terechtzitting al afgedaan had kunnen worden (artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht).

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank acht bij deze combinatie van bewezenverklaarde feiten zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte inmiddels werk heeft gevonden en een nieuwe woning. De rechtbank hoopt dat deze wijziging in de persoonlijke omstandigheden een zodanige positieve invloed zullen hebben, dat het gedrag van verdachte zich ten goede zal keren. De rechtbank zal daarom een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Verdachte heeft verklaard geen nieuwe contacten meer met justitie te willen hebben. De rechtbank wil verdachte deze laatste kans nog geven.

De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel de duur van de voorlopige hechtenis niet zal overschrijden. De gevangenisstraf wordt voor een gedeelte voorwaardelijk opgelegd om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden. Tevens zal aan verdachte een werkstraf voor na te noemen duur worden opgelegd.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36d, 57 en 63 Wetboek van Strafrecht, artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

* Gevangenisstraf voor de duur van 123 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar alle voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich gedurende de proeftijd bij de reclassering zal melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

* Taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: de op de

beslaglijst vermelde goederen onder 6, 12 en 19.

Teruggave inbeslaggenomen goederen.

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, op de beslaglijst vermeld onder 4, 7, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16 en 18, aan verdachte

en

gelast de bewaring van het inbeslaggenomen voorwerp, op de beslaglijst vermeld onder 17, ten behoeve van de rechthebbende.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 29 augustus 2012 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. van de Woestijne, voorzitter,

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. F.A. te Water Mulder, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans-Jongeneelen, griffier,

en is uitgesproken op 8 augustus 2014.

mr. T. van de Woestijne en mr. F.A. te Water Mulder zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling gezamenlijke recherche, genummerd 2012110309, hierna: PV.

2 PV, verklaring [verbalisant 1] d.d. 27 juli 2013, p. 48 en p. 101.

3 PV, verklaring getuige[getuige 2], p. 135-136 en verklaring getuige[getuige 1], p. 150-152.

4 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] d.d. 29 juli 2012, PV, proces-verbaal van wegen en testen verdovende middelen, p. 87, NFI-rapport d.d. 22 augustus 2012, p. 107-108.

5 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] d.d. 29 juli 2012.

6 PV, proces-verbaal FTO, p. 81-84.

7 PV, proces-verbaal van bevindingen, p. 111-112.

8 PV, verklaring verdachte, afgelegd d.d. 29 juli 2012, PV, p. 42-45, met name p. 43.