Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4738

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-08-2014
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
01/849238-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging terbeschikkingstelling met een jaar.

Index-delict: moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/849238-07

Uitspraakdatum: 1 augustus 2014

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

verblijvende in [kliniek 1].

Het onderzoek van de zaak.

Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 maart 2009 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst, bij beslissing van deze rechtbank van 19 juli 2012, met twee jaar verlengd. Deze beslissing is op 21 februari 2013 door het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden bevestigd.

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 26 mei 2014 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar.

Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juli 2014. Hierbij zijn de officier van justitie, de deskundige en de terbeschikkinggestelde en haar raadsvrouwe gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

  • -

    het verlengingsadvies van N. Feenstra, algemeen directeur/hoofd van de inrichting,
    drs. P.J.C. Bakx, 1e geneeskundige, en drs. K.M. ten Brinck, directeur behandeling/plaatsvervangend hoofd van de inrichting waar betrokkene verblijft
    d.d. 28 april 2014;

  • -

    de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen;

  • -

    het persoonsdossier van de terbeschikkinggestelde.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van moord, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste. Het hiervoor genoemde misdrijf betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

In voornoemd verlengingsadvies is onder meer het navolgende gesteld:



Risicotaxatie
De kans op gewelddadig gedrag binnen de kliniek en tijdens begeleid verlof wordt als gering beoordeeld, onder de voorwaarden dat er goed contact is met het behandelteam, patiënte open is over haar relatie en haar belevingswereld en boosheid bespreekbaar maakt. Ook is het van belang dat patiënte zich niet terugtrekt, maar zichtbaar blijft om haar stemming goed te kunnen peilen. Onder deze voorwaarden wordt ook voor toekomstig onbegeleid verlof de kans op gewelddadig gedrag als gering ingeschat.
De kans op gewelddadig gedrag in de maatschappij, bij een onmiddellijke opheffing van de tbs, wordt op de korte termijn als gering tot matig ingeschat. Verwacht wordt dat deze kans op de lange termijn snel zal oplopen naar matig tot hoog, afhankelijk van de mate van begeleiding en context waarin patiënte zich bevindt. Patiënte zal naar verwachting in de maatschappij een hoge mate van stress ervaren, wat de kans op terugval in delictgerelateerd gedrag of gewelddadig gedrag naar zichzelf doet toenemen.

Conclusie en advies

Patiënte zit midden in haar behandeling waarvoor ze zich goed inzet en waarin ze de nodige vooruitgang boekt. Ze functioneert relatief stabiel, praktiseert begeleide verloven en kijkt over het algemeen positief tegen haar behandeling aan. Ze vertoont al geruime tijd geen automutilatief / suïcidaal gedrag meer en lijkt baat te hebben bij therapieën als EMDR en schematherapie.

Haar problematiek springt niet meteen in het oog. Ze is intelligent en handhaaft zich, binnen de huidige setting met de nodige begeleiding en toezicht, goed op zowel de afdeling als binnen haar relatie. Haar emoties zijn de afgelopen periode minder heftig geweest en zij kan adequater met haar emotionele gemoedsbewegingen omgaan. Als de zaken niet zo verlopen als zij zich had voorgesteld en zij hierdoor ervaart de regie te verliezen, versterkt dit haar

gevoelens van onmacht en gekleineerd worden. Dit leidt echter minder dan voorheen tot inadequate reacties. Wel reageert zij in dergelijke situaties met zich af te sluiten en emotioneel afstand te nemen.

De basale problematiek blijkt echter hardnekkig en ook moeilijk te bewerken. Ze kan goed verwoorden wat ze voelt aan emoties, maar dit komt niet altijd overeen met wat ze laat zien. Ze heeft nog steeds de neiging om te blijven lachen, de ander tegemoet te komen en emoties toe te dekken. Deze dynamiek wordt gezien als haar overlevingsstrategie en komt terug in het delict, maar ook in conflicten met de leden van haar behandelteam. Daar waar eerst vooral van belang werd geacht bovenstaande dynamiek exploratief door te werken om het delictgevaar te minimaliseren, wordt mede door recente conclusies vanuit structuurdiagnostiek steeds duidelijker dat er gewaakt moet worden voor overvraging en een risico op decompensatie onder druk. Er lijkt sprake van een gezonde presentatie waarmee

onderliggende problematiek wordt overdekt dan wel onvoldoende wordt onderkend. Daarnaast blijven de vroege afweermechanismen een kwetsbaar punt voor patiënte, omdat ze onbewust aanwezig kunnen zijn en daarmee buiten het bereik van de cognitieve controle van patiënte, als het ware als een 'blinde vlek'.
Bovenstaande maakt dat meer gedacht kan worden aan een steunende in plaats van een exploratieve behandelinsteek, waarin met name veel aandacht moet zijn voor risicomanagement en uitbouw van haar sterke kanten. Dit heeft echter ook consequenties voor het verdere behandeltraject en toekomstverwachtingen. Een en ander zal daarom ook uitgebreid aan de orde komen in patiëntes behandelplanbespreking d.d. 16 mei aanstaande, waarbij ook rekening zal worden gehouden met de toekomstige sluiting van de kliniek.

Op grond van bovenstaande wordt geadviseerd de TBS met dwangverpleging met één jaar te verlengen.

De terbeschikkinggestelde heeft verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

Het gaat goed met mij. De behandeling is minder intensief. Ik werk mee. Ik ben niet meer suïcidaal en heb nu een positief zelfbeeld. Met de behandeling gaan we nu niet meer de diepte in, maar er is meer sprake van exploratieve behandeling. Dit is een behandeling gericht op de toekomst. Ik heb een relatie. Begin 2016 sluit de kliniek. Ik heb nog geen onbegeleid verlof of transmuraal verlof gehad. Beide verloven moeten tegelijkertijd worden aangevraagd. Ik werk in de keuken. Ik ben bezig met een opleiding via het NTI.

Ik snap het standpunt van de inrichting, te weten verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar, maar ik zou zelf liever een minder zwaar kader willen, gelet op met name het verminderde recidiverisico. Ik wil richting een voorwaardelijk einde van de verpleging. Het is niet zo dat ik naar buiten zou willen zonder begeleiding.

Transmuraal verlof en de recidiverisicotaxatie zijn aangevraagd.

Ik heb met de behandelend psychiater, de heer S. Leeuwestein, gesproken. Hij vindt dat het kader van de dwangverpleging niet noodzakelijk is. Dat heeft hij meerdere keren gezegd. Ik was volgens Leeuwestein aan het einde van mijn behandeling. Leeuwestein heeft ook gezegd dat hij het eens was met het verlengingsadvies van de kliniek.

De deskundige mevrouw E. van den Bosch, optredend namens voormelde inrichting, heeft bij de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij voornoemd advies. Zij heeft voorts het navolgende verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

Als de resocialisatieafdeling van [kliniek 1] sluit, dan zal eerst worden gedacht aan plaatsing van betrokkene in de [kliniek 2] en op de tweede plaats plaatsing in [kliniek 3]. Het traject bestaat uit eerst onbegeleide en transmurale verloven, vervolgens resocialisatie in de kliniek en dan begeleiden naar een RIBW in verband met het sluiten van de kliniek. Overigens zou dit traject ook gevolgd worden indien de kliniek niet zou sluiten.

Onbegeleid verlof en transmuraal verlof worden nu aangevraagd als een pakket. Wij wachten op machtiging vanuit den Haag. Als blijkt dat er teveel risico’s zijn, dan gaat betrokkene niet naar de resocialisatieafdeling [resocialisatieafdeling]. Ter zake de cognitieve controle van betrokkene is er nog sprake van een zogenaamde “blinde vlek”, waar wij als kliniek niet toe hebben kunnen doordringen.

De kliniek heeft geen voorwaardelijke beëindiging van de verpleging overwogen, omdat verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar noodzakelijk is om alle veranderingen te kunnen laten plaatsvinden, inclusief de toetsing daarvan.

De psychiater, de heer Leeuwestein, staat achter het advies van de kliniek. Weliswaar heeft hij met betrokkene gesproken over voorwaardelijke beëindiging van de verpleging, maar dat was enkel in het kader van een langer traject.

De officier van justitie heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Het gaat goed met betrokkene, maar zij heeft nog een lange weg te gaan. Eerst zal er aantal stadia dienen te worden doorlopen alvorens er sprake kan zijn van een voorwaardelijk einde van de verpleging. Het recidiverisico in het traject moet zo laag mogelijk zijn. Ik persisteer bij de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar.

Het verzoek van de raadsvrouwe om de zaak aan te houden in verband met het horen van psychiater Leeuwestein als getuige dient te worden afgewezen. De verklaring van Leeuwestein is niet noodzakelijk voor de rechtbank om een beslissing te nemen.

De raadsvrouwe van de terbeschikkinggestelde heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Mijn voornemen was om de psychiater, de heer Leeuwestein, als getuige te horen. Leeuwestein heeft zich ambivalent uitgelaten over een mogelijk voorwaardelijk einde van de verpleging, alhoewel de kliniek daar anders over denkt.
Primair verzoek ik de rechtbank de zaak aan te houden, omdat volgens de psychiater geen dwangkader meer nodig is en de behandeling van betrokkene op een laag pitje is gezet, terwijl hij het aan de andere kant eens is met het verlengingsadvies van de kliniek. Ik wil de heer Leeuwestein daarover horen. Ik wil weten of de psychiater een onderzoek naar de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging ondersteunt. Betrokkene verdient die kans. Haar relatie gaat al drie jaar goed.

Subsidiair verzoek ik de rechtbank de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling af te wijzen. Het recidiverisico is gering.

Meer subsidiair verzoek ik de rechtbank op basis van het bepaalde in artikel 509t, lid 5, van het Wetboek van Strafvordering te onderzoeken of een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging aan de orde is.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 18 juli 2014, na beraad in raadkamer, het verzoek van de raadsvrouwe, om de zaak aan te houden en de psychiater, de heer Leeuwestein, als getuige te horen, afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de heer Leeuwestein aan de kliniek alsook aan betrokkene te kennen heeft gegeven dat hij het eens is met het verlengingsadvies van de kliniek. Het horen van de heer Leeuwestein als getuige zou dan ook niets toevoegen en om die reden ook niet noodzakelijk zijn voor enig door de rechtbank te nemen beslissing. De rechtbank is van oordeel dat de terbeschikkinggestelde daardoor redelijkerwijs niet in haar verdediging is geschaad.

De rechtbank verenigt zich met het advies van voornoemde inrichting en met de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige.

Gelet op het vorenstaande, gezien artikel 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Gelet op het aanwezige delictgevaar en de duur van het behandeltraject is de rechtbank van oordeel dat het thans nog te vroeg is om stappen te ondernemen in de richting van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.

DE BESLISSING

De rechtbank:

verlengt de termijn gedurende welke [terbeschikkinggestelde] ter beschikking is gesteld met één jaar.

Deze beslissing is gegeven door

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. C.J. Sangers-de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 augustus 2014.