Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4673

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2014
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_5568
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ziekengelddoorbetalingsverplichting. Welk moment, het moment van het primaire besluit of het moment van het einde van de wachttijd, is bepalend voor beantwoording van de vraag of voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht? Om verschillende redenen komt de rechtbank tot de conclusie dat de vraag of een bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, moet worden beoordeeld naar de situatie aan het einde van de wachttijd.

Verweerder heeft bij besluit van 8 januari 2014 de verplichting tot doorbetaling van ziekengeld alsnog verkort. Gesteld noch gebleken is dat de situatie op 8 januari 2014 anders was dan de situatie op 15 juli 2013, de datum einde wachttijd. Verweerder had, nu verweerder heeft vastgesteld dat de tekortkoming van eiseres op 8 januari 2014 was hersteld, moeten concluderen dat de tekortkoming reeds op 15 juli 2013 was hersteld.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, geldigheid: 2014-08-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/303 met annotatie van J.P.M. van Zijl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/5568

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2014 in de zaak tussen

[bedrijf 1], te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.M. Lammers - Sigterman),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. B. Drossaert).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de ziekengelddoorbetalingsverplichting van eiseres jegens haar werkneemster [persoon 1]
(de werkneemster) verlengd tot 14 juli 2014.


Bij besluit van 30 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2014. Eiseres en verweerder zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is een uitzendbureau en eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW). De werkneemster was vanaf 23 maart 2009 via eiseres werkzaam als productiemedewerkster. Op 18 juli 2011 is zij uitgevallen vanwege fysieke klachten. Op 12 april 2013 heeft de werkneemster een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
Bij besluit van 10 mei 2013 heeft verweerder vastgesteld dat de werkneemster behoort tot de doelgroep van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), waarbij haar arbeidshandicap is ingedeeld in de categorie ‘ernstig’. Per 28 juni 2013 is de werkneemster een dienstverband in het kader van de WSW aangegaan.
Op 11 december 2013 heeft eiseres een verzoek tot opheffing van de verplichting tot doorbetaling van ziekengeld als bedoel in artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA bij verweerder ingediend. Bij besluit van 8 januari 2014 heeft verweerder de verplichting tot doorbetaling van ziekengeld van eiseres verkort tot 6 februari 2014.

2.

Het bestreden besluit gaat over de verlenging van het tijdvak dat de werkneemster recht heeft op ziekengeld van eiseres.

3.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte het tijdvak dat zij aan de werkneemster ziekengeld moet betalen, heeft verlengd. Eiseres voert hiertoe aan dat de werkneemster vanaf 28 juni 2013 structureel in WSW-verband aan het werk is gegaan en dat dit tot op de dag van vandaag nog steeds het geval is. Zij verricht de werkzaamheden tegen een loonwaarde van meer dan 65% van het loon van voor haar ziekte. Volgens eiseres is dus sprake van een bevredigend re-integratieresultaat. Daarnaast voert eiseres aan dat voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht.

3.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de situatie per 13 juni 2013 bepalend is voor de vraag of eiseres voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Volgens verweerder kan aan de omstandigheid dat de werkneemster ná het besluit van 13 juni 2013 een arbeidsovereenkomst is aangegaan, in deze procedure niet de retrospectieve waarde worden toegekend die eiseres hieraan wenst te hechten. Daarnaast zijn er volgens verweerder onvoldoende re-integratie inspanningen verricht.

4.1.

In artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA is bepaald dat, i

n afwijking van het eerste lid, artikel 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing is op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de ZW ten aanzien van de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de eigenrisicodrager, bedoeld in de eerste zin, zonder deugdelijke grond de uit die zin voortvloeiende verplichtingen niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de persoon, bedoeld in de eerste zin recht op ziekengeld heeft op grond van artikel 29 van de ZW, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de in de tweede zin bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Artikel 25, tiende tot en met zestiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.2.

Ter discussie staat of er sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat. De rechtbank ziet zich hierbij voor de vraag gesteld welk moment, het moment van het primaire besluit op 13 juni 2013 of het moment van het einde van de wachttijd op 15 juli 2013, bepalend is voor beantwoording van de vraag of voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA hier geen uitsluitsel over geeft. Uit dit artikel volgt slechts dat verweerder de verplichting tot betaling van ziekengeld verlengt, indien bij de behandeling van de aanvraag en de beoordeling van het re-integratieverslag blijkt dat de eigenrisicodrager niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Daarmee is echter niet gezegd dat de situatie op het moment van behandeling van de aanvraag en beoordeling van het re-integratieverslag bepalend is voor beantwoording van de vraag of voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. De situatie op dat moment kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet doorslaggevend zijn, nu dit moment afhankelijk is van verweerder en per casus kan verschillen. Uit het karakter van artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de situatie zoals die is aan het einde van de wachttijd, bepalend is. Het verlengen van de verplichting om ziekengeld door te betalen heeft een herstelkarakter. Uit artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA volgt immers dat verweerder de verplichting tot betaling van ziekengeld verlengt, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen (zie ook TK 2005-2006, 30 318, nr. 6, p. 18 e.v.). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verlenging dan ook geen nut meer, indien vóór het einde van de wachttijd sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat. Indien voor het einde van de wachttijd sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, is de tekortkoming immers hersteld vóór ingang van de periode waarmee de verplichting tot betaling van ziekengeld wordt verlengd. De verlenging treft in dat geval geen doel meer. De vraag of een bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden beoordeeld naar de situatie aan het einde van de wachttijd.

4.4.

Dat partijen tot het einde van de wachttijd de tijd hebben een bevredigend
re-integratieresultaat te bereiken, volgt ook uit de Memorie van Toelichting bij de Wet WIA. In de Memorie van Toelichting bij de Wet WIA staat namelijk dat werkgever en werknemer gedurende de eerste twee jaar al het mogelijke doen om tot werkhervatting te komen (zie TK 2004-2005, 30 034, nr. 3, p. 11 e.v.).

4.5.

Ook in de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels) is steun te vinden voor dit standpunt. In de Beleidsregels is bepaald dat arbeid tegen een loonwaarde van tenminste 65% van het oude loon aan het einde van de eerste twee jaar van ziekte onder omstandigheden kan worden aangemerkt als passende arbeid.

4.6.

De rechtbank ontleent ook ondersteuning voor het standpunt dat het toetsmoment het moment van het einde van de wachttijd moet zijn, aan de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). In de uitspraak van 14 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM1179) is de CRvB uitgegaan van de periode voor het einde van de wachttijd voor de beoordeling of de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

4.7

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het re-integratieresultaat dient te worden getoetst naar het moment van het einde van de wachttijd. Nu het primaire besluit, conform artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA, ruim voor het einde van de wachttijd is genomen, kon verweerder bij deze beslissing geen rekening houden met de situatie per einde wachttijd. Verweerder kon en moest bij de beoordeling van het bezwaar van eiseres echter wel rekening houden met de situatie per 15 juli 2013.

4.8.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat geen sprake was van een bevredigend re-integratieresultaat, terwijl verweerder bij besluit van 8 januari 2014 de verplichting tot doorbetaling van ziekengeld alsnog heeft verkort, omdat de tekortkoming van eiseres op dat moment was hersteld. Eiseres heeft aan het verzoek tot verkorting van de ziekengelddoorbetalingsverplichting ten grondslag gelegd dat, ten eerste, uit de WSW-beschikking volgt de arbeidshandicap van de werkneemster is ingedeeld in de categorie “ernstig” en dat zij niet in aanmerking komt voor begeleid werken en, ten tweede, dat de werkneemster structureel tegen 65% van de loonwaarde in werk is hervat. Uit het besluit van 8 januari 2014 volgt niet op welke van deze twee gronden verweerder de ziekengelddoorbetalingsverplichting uiteindelijk heeft verkort. Gesteld noch gebleken is dat de situatie op 8 januari 2014 anders was dan de situatie op 15 juli 2013. Eiseres was sinds 28 juni 2013 werkzaam in WSW-dienstverband en was hier op 8 januari 2014 nog steeds werkzaam. Daarnaast is niet gebleken dat de WSW-beschikking is gewijzigd en er zijn ook geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat er reden was om de situatie per 8 januari 2014 anders te beoordelen dan de situatie per 15 juli 2013. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder, nu verweerder heeft vastgesteld dat de tekortkoming van eiseres op 8 januari 2014 was hersteld, moeten concluderen dat de tekortkoming reeds op 15 juli 2013 was hersteld. Nu de tekortkoming van eiseres op het moment van het einde van de wachttijd was hersteld, was er, gelet op het onder 4.3 tot en met 4.6 overwogene, geen reden om de verplichting tot betaling van ziekengeld te verlengen.

4.9.

De rechtbank concludeert dat verweerder de verplichting van eiseres tot betaling van ziekengeld aan de werkneemster ten onrechte heeft verlengd.

5.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 13 juni 2013 te herroepen. Dit betekent dat de in dat besluit opgelegde verplichting tot doorbetaling van ziekengeld komt te vervallen en dat verweerder geen nieuw besluit op het bezwaar hoeft te nemen.

6.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7.

De rechtbank veroordeelt verweerder daarnaast in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-
(1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 30 oktober 2013;

- herroept het primaire besluit van 13 juni 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.S. Klerk, rechter, in aanwezigheid van
A.P.C. Lensvelt LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.