Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4656

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
01/845307-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een standbeeld op de Stationsweg te 's-Hertogenbosch beschadigd door spiritus op en rondom het standbeeld te sprenkelen en vervolgens in de buurt van de gesprenkelde spiritus een kaars aan te steken, waardoor er brand is ontstaan. De rechtbank legt de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/845307-14
Parketnummer vordering: 01/190397-11

Datum uitspraak: 31 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

thans gedetineerd te Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 juli 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 april 2014 te 's-Hertogenbosch, althans elders in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een standbeeld (staande op de Stationsweg en/of zijnde een rijksmonument), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan gemeente 's-Hertogenbosch, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/190397-11 is aangebracht bij ongedateerde vordering (ingekomen ter griffie d.d. 18 juni 2014). Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 18 november 2011. Een kopie van de vordering is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen1en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beschadiging. Zij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte door de sokkel van het standbeeld te besprenkelen met spiritus en vervolgens daar dichtbij een kaars aan te steken welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het standbeeld brandschade zou kunnen oplopen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij - kort gezegd - onder meer het volgende aangevoerd. Bij verdachte ontbrak het opzet op de beschadiging van het standbeeld. Verdachte houdt zich bezig met spirituele zaken en heeft met een ritueel het standbeeld willen vereren. Bij verering kan nimmer sprake zijn van opzet. Verdachte heeft weliswaar het standbeeld met spiritus besprenkeld, maar hij beoogde daarmee slechts het beeld te reinigen. Evenmin was er bij verdachte sprake van voorwaardelijk opzet op de beschadiging. Verdachte heeft immers de kans dat het standbeeld door zijn handelen beschadigd zou raken niet bewust aanvaard. Van het op de koop toenemen van de gevolgen is geen sprake geweest.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank bezigt voor haar oordeel de navolgende bewijsmiddelen.

Als verklaring (aangifte) van [persoon], namens de gemeente ’s-Hertogenbosch, van 29 april 2014.

Ik ben werkzaam als toezichthouder maatschappelijk vastgoed van de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Ik kreeg op 29 april 2014 te horen dat er een monument vernield zou zijn. Ik hoorde dat het zou gaan om “Het Beeld Carnaval”. Het beeld staat op het plantsoen aan de Stationsweg in ‘s-Hertogenbosch. Ik ben vanmiddag gaan kijken en zag op het beeld en op de sokkel kaarsvet. Daarnaast zag ik dat een stuk van de sokkel zwartgeblakerd was. Het leek alsof er een brandje was geweest onderaan de sokkel. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.2

Als verklaring van [getuige] van 28 april 2014.

Ik werk aan [adres] in 's-Hertogenbosch. Vanuit mijn werklocatie heb ik zicht op een groot deel van de Stationsweg. Op 28 april 2014 zag ik dat er een man stond bij het standbeeld dat staat op het plantsoen aan de Stationsweg. Ik zag dat er een vuurtje brandde tegen het standbeeld. Ik zag in ieder geval een kaars of een olielampje branden. Vervolgens zag ik dat de man een blauwe plastic fles in zijn handen had. Ik zag dat hij op en rond het standbeeld aan het spuiten was. Ik zag dat er een vloeistof uit de fles kwam en dat deze terechtkwam op het plantsoen, de straat en het standbeeld. Ik herkende de fles als een spiritus- of terpentinefles.3

Als verklaring van verdachte van 17 juli 2014.

Ik heb op 28 april 2014 spiritus gesprenkeld op het standbeeld dat staat op de Stationsweg in ’s-Hertogenbosch. Vervolgens heb ik daar een kaars neergezet en deze kaars aangestoken. Ik heb op de vlam nog wat onkruid en gebruikte lucifers gelegd. Het is mogelijk dat de vlam van de kaars in aanraking is gekomen met de spiritus. De schade is ontstaan doordat de aangestoken kaars te dicht bij de sokkel heeft gestaan.4

Namens verdachte is het verweer gevoerd dat bij verdachte het opzet heeft ontbroken, eveneens in voorwaardelijke zin, op de beschadiging van het standbeeld. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte spiritus heeft gesprenkeld op en rondom het standbeeld en vervolgens in de buurt van de gesprenkelde spiritus een kaars heeft aangestoken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat brand zou ontstaan en dat aldus daardoor het standbeeld beschadigd zou kunnen raken. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans op het ontstaan van een brand door een vlam dicht bij een goed te plaatsen dat kort daarvoor met spiritus - een zeer ontvlambare vloeistof - is besprenkeld, aanmerkelijk is. In de onderhavige zaak heeft deze kans zich ook verwezenlijkt. Nu verdachte, ondanks de algemene bekendheid dat spiritus een zeer ontvlambare vloeistof is, toch een kaars zo dicht in de buurt van het standbeeld heeft geplaatst waarop hij kort daarvoor spiritus had gesprenkeld, deze kaars vervolgens heeft aangestoken en daarbij overigens nog de vlam heeft willen uitbreiden of aanwakkeren door er onkruid en gebruikte lucifers op te leggen, heeft hij welbewust het risico genomen dat er brand zou kunnen ontstaan waardoor het standbeeld beschadigd zou kunnen worden en dit risico ook aanvaard. Verdachte heeft daarom voorwaardelijk opzet gehad op de beschadiging. Dat verdachte de kaars heeft aangestoken uit, naar eigen zeggen, spirituele overtuiging, betekent geenszins dat er daarom nimmer sprake kan zijn geweest van voorwaardelijk opzet op de beschadiging.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 28 april 2014 te ’s-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk een standbeeld (staande op de Stationsweg), toebehorende aan gemeente 's-Hertogenbosch, heeft beschadigd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de maatregel van plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft afwijzing van de vordering van de officier van justitie bepleit. Niet is voldaan aan het vereiste in artikel 38m, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht. Immers is niet gebleken dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Voorts rechtvaardigt de geringe aard en ernst van het ten laste gelegde feit het opleggen van een dergelijke verstrekkende maatregel niet. Het opleggen van de ISD-maatregel is daarom disproportioneel. Bij verdachte is nog steeds sprake van psychische problematiek. Door gedragsdeskundigen werd reeds in een eerdere strafzaak geadviseerd om verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Nu zijn psychische problematiek in zoverre niet is gewijzigd, dient ook het onderhavige feit verdachte in mindere mate te worden toegerekend. De raadsman heeft voorgesteld aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de verslavingsreclassering Novadic-Kentron van 4 juni 2014, opgemaakt en ondertekend onder meer door [reclasseringswerker], reclasseringswerker. Dit rapport houdt onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

“(…) Er is een hoge kans op recidive. Betrokkene is in het verleden vaker in aanraking geweest met politie en justitie. Hij wordt aangemerkt als een zogenaamde geprioriteerde veelpleger. Betrokkene veroorzaakt samen met zijn vriendin veel overlast in de omgeving van Eindhoven en omstreken. Gedurende de afgelopen maanden zijn er maar liefst 350 meldingen geweest van de politie. Betrokkene pleegt winkeldiefstallen, overtreedt gebiedsverboden, eet zonder te betalen, vervuilt hotelkamers etc. Rapporteur verwacht dat hier geen einde aan zal komen zonder dat hierop ingezet wordt middels een adequaat hulpverleningstraject. Hij is uitvoerig bekend binnen de GGZ en houdt alle hulpverlening (waaronder ook Forensisch FACT) af. Hij heeft klinische opnames afgebroken en een Rechtelijke Machtiging werd meerdere malen niet bekrachtigd (mede) doordat betrokkene in staat is om zich goed voor te doen en zijn ziekte te maskeren, zo blijkt uit de Pro Justitia rapportages. Een BOPZ-zitting die ingepland stond op 15 mei 2014 heeft geen doorgang kunnen vinden vanwege de huidige detentie van betrokkene. Betrokkene heeft zich in het verleden niet gehouden aan afspraken met de reclassering. Betrokkene is psychiatrisch niet stabiel, waardoor een hulpverleningstraject in een ambulant kader niet van de grond komt.

Uit de RISc blijkt verder dat er sprake is van problemen op nagenoeg alle leefgebieden: huisvesting (betrokkene is zonder vaste woon- of verblijfplaats en zwerft met zijn vriendin op straat), arbeid (het ontbreekt betrokkene aan een zinvolle dagbesteding), financiën (betrokkene heeft weliswaar een (fors) inkomen uit een erfenis maar kan hier met zijn levensstijl niet van rondkomen), relatie (zijn familie vormt een beperkte bron van steun en zijn vriendin heeft een negatieve invloed op betrokkene), relaties met vrienden (betrokkene maakt moeilijk contact met andere mensen en heeft een zeer beperkt sociaal netwerk), middelengebruik (er is sprake van problematisch middelengebruik wat weer een negatieve werking heeft op de gemoedstoestand van betrokkene), emotioneel welzijn (er is sprake van prominent aanwezige psychiatrische problematiek) denkpatronen, gedrag en vaardigheden (vanuit zijn psychiatrische problematiek is er sprake van een gebrek aan ziekte inzicht) en houding (hij heeft een afhoudende/afwerende houding ten aanzien van hulp, behandeling en begeleiding).

Er is sprake van beperkte bronnen van steun. Het contact met zijn familie is oppervlakkig en beperkt, zeker wanneer betrokkene psychotisch is.

(…)

Risico op onttrekken aan voorwaarden. Hoog. Betrokkene weet zijn psychotische toestand te verhullen waardoor een RM niet van de grond komt. Betrokkene heeft zich in het verleden niet gehouden aan afspraken met de reclassering. Betrokkene is psychiatrisch niet stabiel, waardoor een hulpverleningstraject in een ambulant kader niet van de grond komt.

Wij willen de rechtbank (…) een ISD-maatregel in overweging geven.”

Reclasseringswerker[reclasseringswerker] voornoemd is ter terechtzitting van 17 juli 2014 als deskundige gehoord. Zij heeft gepersisteerd bij het primaire advies van de reclassering tot oplegging van de ISD-maatregel.

De rechtbank overweegt dat op basis van de hiervoor genoemde adviesrapportage van Novadic-Kentron en de toelichting daarop ter terechtzitting door de deskundige, alsook uit de houding van verdachte ter terechtzitting, genoegzaam volgt dat er bij verdachte sprake is van evidente psychiatrische problematiek. De rechtbank zal er dan ook, zoals de raadsman heeft betoogd, van uitgaan dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Er is bij verdachte sprake van problemen op vrijwel alle leefgebieden waarbij met name zijn hardnekkige alcohol- en drugsverslaving op de voorgrond treedt. Ten gevolge hiervan heeft verdachte zich reeds jarenlang met grote regelmaat schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De tot nu toe ingezette hulptrajecten zijn niet effectief geweest. De beëindiging van recidive kan niet zonder een strak juridisch kader, zoals een ISD-traject, worden verwezenlijkt.

Het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Anders dan de raadsman heeft gesteld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het uittreksel justitiële documentatie (UJD) van verdachte van 17 juni 2014 dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld wegens een misdrijf. De rechtbank doelt daarbij op de navolgende veroordelingen:

  • -

    vonnis politierechter d.d. 14 augustus 2012, onherroepelijk geworden op 16 december 2013, gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar (parketnummer 01/820804-11) [pagina 4 van 13 UJD]; deze voorwaardelijke straf is ten uitvoer gelegd bij beslissing van de meervoudige kamer van 16 december 2013;

  • -

    vonnis politierechter d.d. 12 december 2012, onherroepelijk geworden op 28 december 2012, gevangenisstraf voor de duur van 15 dagen (parketnummer 01/825583-12) [pagina 8 van 13 UJD];

  • -

    vonnis politierechter d.d. 12 maart 2014, onherroepelijk geworden op 27 maart 2014, gevangenisstraf voor de duur van 1 week (parketnummer 01/845092-14) [pagina 8 van 13 UJD].

Uit het door de officier van justitie overgelegde executieoverzicht blijkt dat de voornoemde straffen volledig zijn geëxecuteerd.

Er moet ernstig mee rekening gehouden worden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van goederen eist het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, aangezien verdachte aan de lopende band nieuwe strafbare feiten pleegt en de frequente oplegging van de eerdere (meest) vrijheidsstraffen, ook in voorwaardelijke vorm, hem daarvan kennelijk niet weerhoudt.

De rechtbank oordeelt aldus dat in de onderhavige zaak is voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht stelt aan het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken van redenen waarom deze maatregel niet zou moeten worden opgelegd. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen en vastgesteld, met name ten aanzien van de justitiële documentatie van verdachte, het hoge recidiverisico en zijn verslavingsproblematiek, heeft de rechtbank onvoldoende vertrouwen in een aanpak van verdachtes problematiek en een beperking van het recidivegevaar buiten het strikte kader van de ISD-maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank is de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders de enige passende maatregel, zowel voor de maatschappij als voor verdachte zelf, omdat de maatregel mede ertoe strekt een bijdrage te leveren aan de oplossing van de ernstige verslavingsproblematiek van verdachte, alsmede aan de andere problematiek waarmee het door verdachte voortdurend plegen van strafbare feiten samenhangt.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. De rechtbank overweegt in dit kader dat er geen sprake is geweest van een onwenselijk lange duur van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank zal voorts beslissen dat negen maanden na de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal plaatsvinden.

De motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 01/190397-11.

De rechtbank stelt vast dat veroordeelde bij vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 18 november 2011 is veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering in de zaak met genoemd parketnummer. De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit, omdat niet is gebleken dat veroordeelde op de hoogte was van deze aan hem opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Uit de stukken volgt immers niet dat de mededeling voorwaardelijke veroordeling aan verdachte rechtens juist is betekend, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt het volgende.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen, omdat de rechtbank de tenuitvoerlegging in het licht van de op te leggen ISD-maatregel niet opportuun acht.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38s en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende maatregel:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar;

beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel;

bepaalt dat het openbaar ministerie uiterlijk negen maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, op de voet van artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, aan de rechtbank bericht over de noodzaak van de voortzetting van deze tenuitvoerlegging;

beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

wijst af de ongedateerde vordering met parketnummer 01/190397-11 van de officier van justitie (ingekomen ter griffie d.d. 18 juni 2014).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Leyenaar-Holleman, voorzitter,

mr. M.T. van Vliet en mr. M. Senden, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 31 juli 2014.

1 In de voetnoten wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district Meierij, met registratienummer PL21X1-2014041210, afgesloten op 29 april 2014, in totaal 26 doorgenummerde bladzijden.

2 Eindproces-verbaal, pag. 18.

3 Eindproces-verbaal, pag. 22.

4 Afgelegd ter terechtzitting van 17 juli 2014.