Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4632

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
01/821008-13 2
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor het gedurende een periode van ongeveer een maand in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen van 690 hennepplanten en het aanwezig hebben van 1000 hennepstekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/821008-13

Datum uitspraak: 31 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 juli 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

dat hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 29 juni 2013 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) in de uitoefening van beroep en/of bedrijf, opzettelijk een (grote) hoeveelheid (van ongeveer 1690) hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van de wet, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad;

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 te Gemert, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. Tevens is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Hij heeft daartoe kort gezegd onder meer aangevoerd dat de politie niet aan waarheidsvinding heeft gedaan, omdat zij de door de verdachte aangewezen huurder van de ruimtes waarin de hennepkwekerij is aangetroffen slechts eenmaal telefonisch als getuige hebben gehoord. In de visie van de raadsman is deze persoon door de politie ten onrechte niet aangemerkt als verdachte en als zodanig op het politiebureau gehoord.

De officier van justitie is van mening dat er geen gronden aanwezig zijn voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verdachte wisselend en inconsequent heeft verklaard over de persoon die de ruimtes van hem zou hebben gehuurd en dat er mede gelet daarop voor de politie geen aanleiding was om de door de verdachte aangewezen persoon, wiens (persoons)gegevens overigens door de aan de politie ter beschikking staande systemen zijn gehaald, als verdachte aan te merken en als zodanig te horen dan wel ander onderzoek naar die persoon te doen.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn. Daarvoor is alleen plaats in geval het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in de gegeven omstandigheden niet gebleken.

Verdachte heeft wisselend en inconsequent verklaard over de Turkse man, die volgens verdachte verantwoordelijk zou zijn voor de hennepkwekerij in zijn pand. De vermeende (huur)overeenkomst tussen verdachte en deze Turkse man, waarvan verdachte tegenover de politie stellig heeft verklaard dat deze in zijn pand aanwezig zou zijn, is na een bezoek door verdachte en de politie aan zijn pand door verdachte niet overgelegd kunnen worden. Verder heeft verdachte tijdens genoemd bezoek aan zijn woning aan de politie een kopie van een rijbewijs overhandigd op naam van [naam], een Nederlander, en toen gesteld dat die persoon de man was van de hennepkwekerij, en die als voornaam [naam] zou hebben. Gelet op het voorgaande vermag de rechtbank niet in te zien waarom de politie niet had mogen volstaan met een telefonisch getuigenverhoor met deze [naam]. Geenszins kan worden gesteld dat door deze handelwijze van de politie sprake is geweest van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte waardoor tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling. Mitsdien verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aan de vervolging in de weg zouden staan, kan de officier van justitie in de vervolging worden ontvangen.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2.

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit, zoals aan hem onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen1en de beoordeling daarvan ten aanzien van feit 1.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte 1690 hennepplanten opzettelijk aanwezig heeft gehad. In het bijzonder heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaringen van de verdachte afgelegd bij de politie en ter terechtzitting, bezien naar hun aard en inhoud, als kennelijk leugenachtig moeten worden beschouwd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de aangetroffen hennepkwekerij kan worden afgeleid.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank bezigt voor haar oordeel de navolgende bewijsmiddelen.

Een proces-verbaal van bevindingen van 31 januari 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant].2

Het perceel [adres 2] is gelegen in Gemert, gemeente Gemert-Bakel. Het pand is thans in gebruik als [restaurant], genaamd [bedrijf 1]. Op dit adres staat volgens de gemeentelijk basisadministratie als enige persoon ingeschreven [verdachte], geboren op [1976] te [geboorteplaats].

Ik heb vanaf januari 2013 van drie afzonderlijke buurtbewoners de informatie gekregen dat zij een hennepkwekerij vermoedden in het pand [adres 2] te Gemert. Genoemde buurtbewoners hadden op wisselende dagen en tijdstippen een voor hen herkenbare hennepgeur geroken in de directe nabijheid van dit restaurant.

Op 28 juni 2013 trad ik genoemde woning binnen. Ik zag dat een ruimte gevuld was met een grote hoeveelheid plastic zakken potgrond, kunststoffen kweekbakken en gebruikte en nieuwe transformatoren. Tevens zag ik direct achter de deur een trap naar boven leiden. Uit het trapgat zag ik fel licht. Bovengekomen zag ik dat kennelijk over de gehele vloeroppervlakte van de zolder in verschillende compartimenten hennepkweekruimten waren ingericht en in werking werden gehouden.

Kweekruimte A:

Ik zag dat dit een nieuw ingerichte ruimte was met een oppervlakte van ongeveer 16m2.

Ik zag dat hierin tien dozen stonden die elk honderd zogenaamde stekplanten bevatten van de soort Cannabis; de hoogte van de stekplanten was ongeveer 5 cm.

Kweekruimte B:

Ik zag dat in deze ruimte 340 volgroeide hennepplanten stonden op een oppervlakte van 31 m2. Ik zag dat de hoogte van de planten gemiddeld 1,50 meter bedroeg.

Kweekruimte C:

Ik zag dat in deze ruimte 350 volgroeide hennepplanten stonden op een oppervlakte van 32 m2. Ik zag dat de hoogte van de planten gemiddeld 1,50 meter bedroeg.

Voor alle ruimten die gevuld waren met hennepplanten gold dat daarin de planten door middel van een irrigatiesysteem van een vloeistof werden voorzien. De luchtverversing en luchtafvoer werden geregeld door aan- en afzuiginstallaties.

Ik zag dat meerdere hennepplanten in de kweekruimten B en C een dusdanige hoogte hadden, dat deze de in werking zijnde assimilatielampen raakten en droog- en schroeisporen vertoonden.

Een proces-verbaal van bevindingen van 29 juni 2013, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant].3

Op 28 juni 2013 werd in het pand [adres 2] in Gemert een hennepkwekerij aangetroffen.

In de hennepkwekerij in het pand stelden wij een onderzoek in naar de aard van het in beslag genomen plantenmateriaal. Wij zagen en roken dat het plantenmateriaal in de hennepkwekerij ons, verbalisanten, bekend voorkwam als hennep c.q. hennepdelen. Wij, verbalisanten, herkenden het plantenmateriaal aan zijn specifieke geur en aan zijn specifieke uiterlijke kenmerken als zijnde hennep.

Door ons, verbalisanten, werden voornoemde hennepplanten c.q. hennepdelen indicatief getest. Wij testten de hennepplanten c.q. hennepdelen afkomstig uit ruimte A, ruimte B en ruimte C. Ik zag dat de uitgevoerde testen positief reageerden op de aanwezigheid van hennep. Hieruit bleek mij dat de hennepplanten c.q. hennepdelen vermoedelijk hennep betrof als vermeld op lijst II van de Opiumwet.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank hecht geen geloof aan de bewering van de verdachte, dat hij de ruimtes in zijn pand had onderverhuurd aan een Turkse man (al dan niet) genaamd [naam] en dat deze persoon verantwoordelijk is voor de aangetroffen hennepkwekerij. Vastgesteld wordt dat verdachte op dit punt wisselend en inconsequent heeft verklaard. Op 28 juni 2013 heeft hij bij de politie verklaard dat hij de aangetroffen kweekruimtes in zijn pand had verhuurd aan een Turkse man. Een persoon genaamd [naam] zou verdachte in contact hebben gebracht met die Turkse man. Ter terechtzitting van 17 juli 2014 heeft verdachte onder meer verklaard dat genoemde [naam] de Turkse man was die de betreffende ruimtes van hem had gehuurd.

Ook over het bestaan van een contract tussen verdachte en de Turkse man heeft verdachte wisselend verklaard. Op 29 juni 2013 heeft hij bij de politie verklaard dat er tussen hen een contract zou zijn getekend en dat hij de gegevens van de Turkse man van diens identiteitsbewijs zou hebben genoteerd, terwijl hij een dag eerder had verklaard dat er nimmer een contract was opgemaakt.

Verdachte heeft tijdens het opsporingsonderzoek noch ter terechtzitting op vragen naar de identiteit van de huurder voldoende verifieerbare antwoorden of gegevens, zoals een huurcontract of een bewijs dat aan hem huur is betaald, verstrekt. Verdachte is weliswaar op 30 juni 2013, vergezeld door verbalisanten, naar zijn woning gegaan om papieren met gegevens te zoeken waarop de identiteit van de Turkse man zou staan, maar hij heeft toen slechts een kopie van een rijbewijs op naam van [naam] aan verbalisanten overhandigd en gesteld dat de persoon op die kopie de man van de hennepkwekerij was. Uit onderzoek van de politie is geen reden of omstandigheid gebleken waaruit enige betrokkenheid van deze [naam] bij de aangetroffen hennepkwekerij zou kunnen blijken.

Voorts acht de rechtbank het niet aannemelijk geworden dat de verdachte niets afwist van de hennepkwekerij in zijn pand. De verklaring van verdachte dat hij nimmer een hennepgeur heeft waargenomen strookt geenszins met het gegeven dat drie buurtbewoners in de nabijheid van het restaurant een voor hen bekende hennepgeur hebben geroken. Verdachte heeft bij de politie en ter zitting voorts verklaard dat hij niet heeft gemerkt dat er goederen voor het opbouwen/onderhouden van de hennepkwekerij naar de kweekruimtes zijn gebracht. De rechtbank acht deze verklaring ook onaannemelijk, gelet op het feit dat verdachte woonachtig en werkzaam was in het pand waar de hennepkwekerij is aangetroffen en hij ter zitting heeft bevestigd dat men alvorens de betreffende ruimtes te kunnen betreden, eerst door een gedeelte van het restaurant moet lopen.

In aanmerking genomen dat verdachte in de ten laste gelegde periode de enige bewoner was van het pand en gegeven het feit dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van de omvangrijke hennepkwekerij in dat pand, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is die een groot aantal hennepplanten heeft geteeld en aanwezig heeft gehad en dat hij dit – bij gebreke van bewijs voor medeplegers – als alleen handelende dader heeft gedaan. Gelet op het groeistadium van de aangetroffen 690 hennepplanten in kweekruimtes B en C, acht de rechtbank voldoende bewezen dat verdachte deze hennepplanten in de periode van 1 juni 2013 tot en met 28 juni 2013 heeft geteeld. Ten aanzien van de aangetroffen 1000 hennepstekken overweegt de rechtbank dat niet met voldoende zekerheid kan worden bewezen dat verdachte deze heeft geteeld. De rechtbank acht evenwel op basis van de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen voldoende komen vast te staan, dat verdachte deze hennepstekken op 28 juni 2013 opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(1.)

in de periode van 1 juni 2013 tot en met 28 juni 2013 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, in de uitoefening van beroep en/of bedrijf, opzettelijk een grote hoeveelheid van 690 hennepplanten, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld

en

op 28 juni 2013 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, in de uitoefening van beroep en/of bedrijf, een grote hoeveelheid van 1000 hennepplanten, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring en een strafoplegging mocht komen, heeft de raadsman matiging van de strafeis van de officier van justitie bepleit. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn financiële situatie, en het feit dat verdachte niet eerder voor overtreding van de Opiumwet werd veroordeeld, acht de raadsman een werkstraf [de rechtbank begrijpt: taakstraf] een passender sanctie dan een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat hij gedurende een periode van ongeveer een maand bedrijfs- en/of beroepsmatig op grote schaal opzettelijk hennepplanten heeft geteeld. Voorts heeft hij een aanzienlijke hoeveelheid hennepstekken opzettelijk aanwezig gehad.

Hennep bevat de voor de gezondheid van personen schadelijke stof THC. Met het kweken van hennep, zeker wanneer dat gebeurt op een schaal als waarvan hier sprake is, worden grote illegale winsten behaald. Daarmee heeft het kweken van hennep een sterk corrumperende werking. Verdachte heeft met voorbijzien aan de gezondheidsrisico’s voor gebruikers en de gevaarzetting uit louter winstbejag de hennepkwekerij geëxploiteerd.

De rechtbank zal voor de strafmaat aansluiting zoeken bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Aan de hand van de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting kan voor het telen van 500 tot 1000 hennepplanten een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden als passend worden beschouwd. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding af te wijken van de straffen die in soortgelijke zaken gebruikelijk worden opgelegd en zal aldus een lichtere straf opleggen, dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De voorwaardelijke gevangenisstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd als de verdachte zich gedurende de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straffen:

* een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde onvoorwaardelijke taakstraf;

waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uren te verrichten arbeid;

* een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Senden, voorzitter,

mr. M.T. van Vliet en mr. J. Leyenaar-Holleman, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 31 juli 2014.

1 In de voetnoten wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district Helmond, team Peelland, registratienummer PL2212-2013087396, afgesloten op 1 februari 2014, in totaal 167 doorgenummerde bladzijden.

2 Eindproces-verbaal, pag. 5-8.

3 Eindproces-verbaal, pag. 94.