Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4630

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
C/01/280756/KG ZA 14-415
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verbod aan moeder om met de kinderen naar Engeland te verhuizen.

Moeder heeft alleen het gezag.

Norm van artikel 1:247 BW ziet ook op het geval één van de ouders het gezag heeft. Noodzaak tot verhuizing voorshands niet aannemelijk gemaakt en onvoldoende nagedacht over de gevolgen voor de kinderen wegens verhuizing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:247, geldigheid: 2014-07-29
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:253b, geldigheid: 2014-07-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2014/149 met annotatie van M.M. Schouten
PFR-Updates.nl 2014-0216
RFR 2014/129
FJR 2015/52.2

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/280756 / KG ZA 14-415

Vonnis in kort geding van 24 juli 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.G.J. de Vries te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. B. Kaya te Eindhoven.

Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens pleitnota

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie zijn geboren:

  • -

    [minderjarige] op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

  • -

    [minderjarige] op[geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.2.

De moeder heeft het eenhoofdig gezag over de kinderen en de kinderen hebben hoofdverblijf bij haar. Partijen hebben in onderling overleg een omgangsregeling afgesproken.

2.3.

Bij deze rechtbank is onder zaaknummer C/01/280896 / FA RK 14-3610 tussen partijen een verzoek aanhangig van vader tot wijziging van het eenhoofdig gezag van moeder in een gezamenlijk gezag van partijen en tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen.

3 Het geschil

3.1.

De vader vordert samengevat - de moeder te verbieden om met de kinderen naar Engeland dan wel het buitenland te verhuizen, althans de moeder te bevelen om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn met de kinderen te gaan wonen binnen een straal van 25 km van zijn woonplaats, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat moeder in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen.

3.2.

De vader legt aan zijn vordering ten grondslag dat de moeder voornemens is zich per 1 augustus 2014 met de kinderen te vestigen in Engeland. Omdat de moeder het eenhoofdig gezag heeft over de kinderen heeft zij geen toestemming nodig voor de verhuizing, doch de vader is van mening dat door de verhuizing de belangen van de kinderen onaanvaardbaar in het gedrang komen. Door de verhuizing wordt de band met vader verbroken en kan de geldende omgangsregeling niet meer worden uitgevoerd. Verder stelt de vader dat de zoon van partijen heeft aangegeven helemaal niet te willen verhuizen.

3.3.

De moeder voert verweer. Zij betwist dat sprake is van een spoedeisend belang. Voorts stelt zij dat zij haar beslissing om met de kinderen naar Engeland te verhuizen weloverwogen heeft genomen. Zij heeft geen band met Nederland, anders dan de relatie met de vader en deze relatie is verbroken. Haar familie woont in Engeland en ondanks pogingen daartoe kan zij niet aarden in Nederland. Dit heeft, aldus de moeder, tevens een negatieve weerslag op de kinderen.

De moeder stelt voorts dat door de verhuizing de omgangscontacten tussen de vader en de kinderen gewaarborgd kunnen blijven, waarbij zij bereid is de kinderen naar Nederland te brengen. Er kan op regelmatige basis telefonisch contact en contact via Skype plaatsvinden. De kinderen zijn aangemeld op een Engelse school en krijgen een extra Engelse taalcursus. Er is geen reden om aan te nemen dat de belangen van de kinderen onaanvaardbaar in het gedrang komen, aldus de moeder.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat de moeder voornemens is om per 1 augustus 2014 met de kinderen te gaan verhuizen. Daarmee staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter vast dat sprake is van een spoedeisend belang.

4.2.

De moeder oefent op grond van artikel 1:253b Burgerlijk Wetboek (BW) van rechtswege alleen het gezag uit over de kinderen. Op grond van artikel 1:247 lid 1 BW heeft de moeder de plicht en het recht om de kinderen te verzorgen en op te voeden. In artikel 1:247 lid 3 BW is bepaald dat het ouderlijk gezag mede de verplichting omvat van de moeder om de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de andere ouder te bevorderen. Deze norm beperkt zich niet tot ouders met gezamenlijk gezag, doch is eveneens van toepassing op de ouder die eenhoofdig gezag heeft. De vader, als niet gezagdragende ouder, heeft op grond van artikel 1:377a lid 1 BW het recht op en de verplichting tot omgang met de kinderen.

4.3.

Het staat de moeder in beginsel vrij haar leven naar eigen goeddunken in te richten en haar woonplaats te kiezen. Omdat zij het eenhoofdig gezag heeft, heeft zij ook de bevoegdheid om over de woonplaats van de kinderen te beslissen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt die vrijheid begrensd door de belangen van de kinderen, welke niet onaanvaardbaar in het gedrang mogen komen.

4.4.

Op grond van vaste jurisprudentie dienen bij een verhuizing van een ouder met de kinderen en de daarbij te maken afweging van de belangen van de moeder, de vader en de kinderen, de belangen van de kinderen een eerste overweging te zijn. In het kader van dit kort geding dient de voorzieningenrechter een afweging te maken tussen het belang van moeder om op korte termijn met de kinderen te verhuizen, het belang van vader om ongewijzigd omgang te kunnen hebben met de kinderen en de belangen van de kinderen bij die omgangscontacten en bij een voortzetting van hun huidige verblijf in Nederland.

4.5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op grond van afspraken die partijen zelf hebben gemaakt de kinderen ieder weekend bij de vader verblijven, alsmede ook op wisselende doordeweekse dagen. Dat deze afspraken niet zijn vastgelegd in een rechterlijke uitspraak is niet relevant, nu dit geen vereiste is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben de vader en de kinderen een belang bij continuering van omgangscontacten. Gelet op de frequente omgangscontacten is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door de moeder voorgestelde vakantieregeling, telefooncontacten en skypecontacten voorshands onvoldoende compensatie bieden voor het wegvallen van de wekelijkse contacten. De voorzieningenrechter neemt tevens in aanmerking dat door de vader onweersproken is gesteld dat hij voor het bezoeken van de kinderen in Engeland aanzienlijke reiskosten moet maken.

4.6.

Vast staat dat de kinderen zijn geboren en getogen in Nederland. Omdat partijen al langere tijd in Nederland wonen is aannemelijk is dat het sociale leven van de kinderen zich volledig afspeelt in Nederland. Bij de beoordeling van het belang van de kinderen in het kader van de verhuizing dienen naar het oordeel van de voorzieningenrechter door de moeder ook de gevolgen in ogenschouw te worden genomen van de verbreking van de schoolse en sociale contanten van de kinderen. De enkele stelling van de moeder dat de kinderen zijn aangemeld op een school in Engeland en dat de kinderen een Engelse taalcursus volgen is daarvoor onvoldoende.

4.7.

De moeder stelt dat de verhuizing voor haar noodzakelijk is, omdat zij geen enkele band meer heeft met Nederland en niet kan aarden. Dit leidt bij haar tot psychische problemen, hetgeen tevens een weerslag heeft op de kinderen, aldus de moeder. De moeder heeft ter zitting gesteld dat partijen elf jaar hebben samengewoond en dat zij hun samenwoning twee jaar geleden hebben beëindigd. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de wens van moeder, maar acht gelet op de lange periode dat de moeder al in Nederland woont de noodzaak om op korte termijn te verhuizen voor haar en de kinderen onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat sprake is van psychische problemen is onvoldoende en niet aangetoond is op welke wijze de kinderen hinder ondervinden van die klachten.

4.8.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter na afweging van alle belangen voorshands van oordeel dat er geen noodzaak is voor een verhuizing op korte termijn naar Engeland. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is nagedacht door de moeder over de gevolgen voor de kinderen van de verhuizing en de omgangscontacten van de kinderen met de vader bij een verhuizing. Daarbij neemt de voorzieningenrechter tevens in aanmerking dat de moeder de vader niet heeft geconsulteerd over haar voornemen. Bij conclusie van antwoord heeft zij weliswaar het aanbod gedaan om met vader te komen tot een structurele omgangsregeling, doch in het kader van dit kort geding bestaat geen ruimte voor verdere onderhandelingen tussen partijen, mede gelet op het spoedeisend belang.

4.9.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat de vordering van de vader kan worden toegewezen, totdat in de aanhangige bodemprocedure met betrekking tot het gezag is beslist. De voorzieningenrechter ziet aanleiding een dwangsom te verbinden aan het verbod om te verhuizen, zoals gevorderd. Daartegen is geen verweer gevoerd.

4.10.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt de moeder,[gedaagde] om met de minderjarige kinderen van partijen naar Engeland dan wel het buitenland te verhuizen en beveelt de moeder om met de minderjarige kinderen van partijen te gaan wonen binnen een straal van 25 kilometer van de woonplaats van de vader, totdat in de aanhangige bodemprocedure met betrekking tot het gezag is beslist;

5.2.

veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,00

voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het onder 5.1 uitgesproken verbod of bevel voldoet;

5.3.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boersma en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.1

1 type: awe coll: