Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4313

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-07-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
SHE 14/2307
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom voor bouwen en afwijkend gebruik crosscircuit blijft geschorst.

Verweerder heeft aan verzoekster op straffe van verbeurte van een dwangsom gelast om een tweetal overtredingen: bouwen en gebruiken zonder daartoe strekkende omgevingsvergunning. De begunstigingstermijn is gesteld op drie maanden. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank in haar uitspraak van 20 juli 2011 (AWB 10/1844) reeds heeft geoordeeld dat er sprake is van overtreding van het bestemmingsplan zodat verweerder bevoegd was handhavend op te treden. Dat oordeel staat in rechte vast. Aan de orde in de bij deze rechtbank aanhangige connexe beroepszaak is of er sprake is van redenen op grond waarvan verweerder van zijn verplichting om handhavend op te treden had behoren af te zien. Daarop vooruitlopend heeft verzoekster verzocht om schorsing van het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter oordeelt dat op de in 2010 verleende milieuvergunning niet het vertrouwen kan worden gebaseerd dat planologisch strijdig gebruik tot 2015 zal worden toegestaan. Ook is de opgelegde last niet onduidelijk geformuleerd. Evenmin kunnen het feit dat verzoekster wegens weersomstandigheden (tijdelijk) niet aan de last kan voldoen en de gestelde beperkte financiële middelen leiden tot het oordeel dat de last niet had mogen worden opgelegd, dan wel dat de begunstigingstermijn te kort is geweest. Wel oordeelt de voorzieningenrechter dat het niet uitgesloten is dat het standpunt van verweerder over het bestaande hekwerk met poort niet houdbaar zal blijken te zijn.

De voorzieningenrechter ziet, bij de weging van alle betrokken belangen, aanleiding om het bestreden besluit te schorsen (geschorst te houden). Hij gaat er daarbij vanuit dat er geen motorcrossactiviteiten plaatsvinden en dat de poort gesloten blijft. Verder acht de voorzieningenrechter nog van belang dat verweerders gemeente zeer recent aan de motorcrossvereniging die het terrein van verzoekster gebruikt een huurovereenkomst heeft aangeboden voor het gebruik als crossterrein.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening, geldigheid: 2014-07-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6368

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 14/2307

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Circuit Scheiweg te Volkel, verzoekster,

(gemachtigde: mr. drs. W.J.W. van Eijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uden, verweerder

(gemachtigde: [naam 1]).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder een last onder dwangsom aan verzoekster opgelegd om binnen drie maanden over te gaan tot het (laten) verwijderen en het verwijderd houden van de zonder omgevingsvergunning gebouwde bouwwerken en het (laten) beëindigen van het in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van het beoefenen van de motorcrosssport (laten) gebruiken van de bouwwerken en de gronden aan de Scheiweg ongenummerd te Volkel, kadastraal bekend gemeente Uden sectie T nummers 432 en 433, onder verbeurte van dwangsommen van € 5.000,- ineens voor het (laten) bouwen zonder omgevingsvergunning en € 10.000,- ineens voor het (laten) gebruiken van de bouwwerken en gronden zonder omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 10 juli 2014 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit geschorst. Daarbij zijn partijen uitgenodigd om op 17 juli 2014 ter zitting te verschijnen.

De vraag of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is behandeld ter zitting van 17 juli 2014. Verzoekster is verschenen bij [naam 2], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Verzoekster heeft in de jaren ’90 van de vorige eeuw het terrein aan de Scheiweg te Volkel aangekocht, teneinde daar een vaste motorcrossaccommodatie te realiseren. Eind 1999 heeft de raad van de gemeente Uden echter besloten om geen medewerking te verlenen aan nadere uitwerking van de plannen voor dit crossterrein. Verzoekster laat het terrein in afwachting van de realisatie van een regionaal motorcrossterrein enkele dagdelen per week gebruiken voor motorcrossactiviteiten.

1.2

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft verweerder aan verzoekster een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 3.22 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) verleend ten behoeve van het gebruik als motorcrossterrein en het plaatsen van een opslagruimte en een hekwerk op de percelen aan de Scheiweg. Op 13 april 2010 aan verzoekster een tijdelijke bouwvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van een opslagruimte en een hekwerk.

1.3

Het tegen deze besluiten gerichte beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 20 juli 2011 (AWB 10/1844) gegrond verklaard. Daarbij zijn de bestreden besluiten vernietigd en is de ontheffing en de bouwvergunning alsnog geweigerd. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder niet bevoegd de ontheffing te verlenen omdat er onvoldoende concrete en objectieve gegevens aan de ontheffing ten grondslag lagen die aannemelijk maakten dat het gebruik van en de aanwezigheid van bouwwerken ten behoeve van crossactiviteiten op het terrein aan de Scheiweg een tijdelijk karakter zullen hebben en de duur van het gebruik beperkt zal blijven tot 7 april 2015. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is ingetrokken.

1.4

Bij besluit van 27 oktober 2011 heeft verweerder het verzoek van [naam 3] en [naam 4] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel Scheiweg voor crossactiviteiten afgewezen. Dit besluit is bij besluit op bezwaar van

14

augustus 2012 gehandhaafd. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 5 april 2013 (SHE 12/2995) gegrond verklaard. Daarbij is het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.5

Bij besluit van 5 juni 2013 heeft verweerder zijn weigering handhavend op te treden van 27 oktober 2011 herroepen. Daarbij is aangegeven dat verzoekster bij afzonderlijke brief wordt aangeschreven. Bij brief van 3 juni 2013 heeft verzoekster zes maanden de gelegenheid gekregen om de overtredingen te beëindigen. Op 12 december 2013 is tijdens een controle geconstateerd dat de overtredingen niet zijn beëindigd. Bij brief van 7 januari 2014 heeft verweerder het voornemen tot aanschrijven verstuurd. Hierop heeft verzoekster haar zienswijze mondeling kenbaar gemaakt.

1.6

Bij bestreden besluit van 8 april 2014 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. De begunstigingstermijn bedraagt drie maanden. Bij uitspraak van

10

juli 2014 heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit in afwachting van de behandeling ter zitting geschorst.

2.

Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. Aan de orde is de vraag of de bij uitspraak 10 juli 2014 getroffen voorlopige voorziening opgeheven of gewijzigd dient te worden.

3.

Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat de motorcrossactiviteiten inmiddels zijn gestaakt en dat de poort gesloten zal blijven, ook om wild crossen op het terrein te voorkomen. Voorts is de aanwezige unit (container) verwijderd, waarmee deels gevolg is gegeven aan de oplegde last. Verzoekster heeft twee aanvragen omgevingsvergunning ingediend om het bestaande hekwerk met poort te legaliseren. Het geschil spitst bij de hier te maken beoordeling toe op het hekwerk met poort en de op het terrein aangebrachte verhogingen.

4.

Onderhavige percelen zijn gelegen binnen het ten tijde van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2006" en hebben daarin de bestemming 'Agrarisch gebied'.
Ingevolge artikel 8.1.1, onder a en d, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsuitoefening, in de vorm van agrarische bodemexploitatie en recreatief mede-gebruik.
Ingevolge artikel 8.2, onder a en b, van de planvoorschriften mag de tot 'Agrarisch gebied' bestemde grond uitsluitend worden bebouwd met a. kleine bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die noodzakelijk zijn uit een dagrecreatief medegebruik, zoals informatiepanelen, zitbanken, picknicktafels en schuilgelegenheden (…) en kleine schuilgelegenheden voor vee, dierenverblijven of veldschuren (…).
Ingevolge artikel 29.1 van de planvoorschriften is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden. Onder strijdig gebruik wordt ingevolge artikel 29.2 onder b, sub 4, van de planvoorschriften in elk geval tevens verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor (motor)crossen.

Inmiddels geldt voor de percelen het bestemmingsplan “Buitengebied 2014, Uden” dat op 20 februari 2014 door de raad van verweerders gemeente is vastgesteld en op 22 mei 2014 in werking is getreden. De percelen hebben daarin de bestemming 'Agrarisch'.
Ingevolge artikel 3.1, onder a en o, van de planvoorschriften zijn de als 'Agrarisch' aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen en extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 3.2.1, onder a, van de planvoorschriften mogen de voor agrarische aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, die ten dienste staat van de bestemming.

Ingevolge artikel 2.1, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank in haar uitspraak van 20 juli 2011 reeds geoordeeld heeft dat - zoals tussen partijen ook niet in geschil was - de bebouwing ter afscherming van het motorcrossterrein en de opslag van crossbenodigdheden en het gebruik ten behoeve van motorcross op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 2006” niet is toegestaan en dat het bestemmingplan daarvoor ook anderszins geen mogelijkheden biedt. Dit oordeel staat in rechte vast. De voorzieningenrechter stelt vast dat ook op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 2014, Uden” bebouwing en gebruik ten behoeve van motorcross niet zijn toegestaan en daarvoor ook anderszins geen mogelijkheden worden geboden. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op goede gronden bevoegd geacht om ter zake handhavend op te treden.

6.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.


7. Verzoekster voert aan dat verweerder heeft miskend dat voor het hekwerk en de poort op grond van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2014, Uden” omgevingsvergunning kan worden verleend. Het aanwezige hekwerk van 1,40 m hoog kan dienst doen als omheining ten behoeve van het weiden van schapen. Inmiddels is hiervoor een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. Voorts stelt verzoekster dat niet kan worden verlangd dat de hekwerken volledig verwijderd moeten worden, vanwege het omgevingsvergunningvrij zijn van hekwerken tot 1 m hoogte. Voor de verplichting tot het verwijderen van de verhogingen op het terrein ontbreekt volgens verzoekster een wettelijke grondslag.

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het hekwerk gelet op de constructie niet deels verwijderd kan worden. De verhogingen dienen te worden verwijderd omdat deze ten dienste staan van motorcrossactiviteiten en daarmee strijdig gebruik opleveren.

7.2

In artikel 2, lid 12 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat een erf- of perceelsafscheiding niet hoger dan 1 m vergunningsvrij is.

Artikel 3.2.6, onder c, van het bestemmingsplan “Buitengebied 2014, Uden” staat de bouw van erf- en terreinafscheidingen toe tot een bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor de voorgevel van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 1 m.

7.3

Ter zitting heeft verzoekster toegelicht te overwegen het terrein te gaan gebruiken voor het houden van schapen. In dat kader heeft verzoekster voor het bestaande hekwerk met poort een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. Gelet op de toepasselijke bestemmingsplanbepalingen valt niet uit te sluiten dat het hekwerk met poort vergund kan worden. Verweerder zal zich hierover nader dienen te beraden. Voor zover het hekwerk in zijn huidige vorm niet vergund kan worden, zal verweerder in de heroverweging van het bestreden besluit nader moeten bezien en motiveren in hoeverre de gehele verwijdering, gelet op hetgeen vergunningsvrij geplaatst mag worden, gelast kan worden. De enkele veronderstelling dat het gedeeltelijk verwijderen (constructief) niet mogelijk lijkt, is daarvoor onvoldoende. Ten aanzien van de verhogingen dient verweerder in het te nemen besluit op bezwaar nader te motiveren op welke grondslag verwijdering hiervan kan worden verlangd op het moment dat geen strijdig gebruik in de vorm van motorcrossactiviteiten (meer) plaatsvindt.

8.

Verzoekster voert aan dat gelet op de geldingsduur van vijf jaar van de op

29

december 2010 verleende milieuvergunning en de bouwvergunning van 16 maart 2010 op zijn minst het vertrouwen is gewekt dat tot en met 28 december 2015 gecrost zou mogen worden. Een zuivere belangenafweging had er volgens verzoekster toe moeten leiden dat voorlopig niet tot handhavend optreden overgegaan zou worden.

8.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van opgewekt vertrouwen en dat hij vanwege de beginselplicht tot handhaving gehouden is handhavend op te treden.

8.2

De voorzieningenrechter oordeelt dat de omstandigheid dat op 29 december 2010 voor de motorcrossactiviteiten een milieuvergunning voor de duur van vijf jaar is verleend, gelet op de verschillende beoordelingskaders, niet maakt dat er geen strijd met het bestemmingsplan bestaat. Evenmin kan op grond van deze milieuvergunning gesteld worden dat het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat motorcrossactiviteiten ter plaatse planologisch zouden zijn toegestaan. De omstandigheid dat verweerder in het verleden medewerking heeft willen verlenen aan het planologisch inpassen van het motorcrossterrein maakt dat niet anders. Bij uitspraak van 20 juli 2011 zijn de verleende ontheffing en bouwvergunning door de rechtbank herroepen. Niet gebleken is dat verweerder daarna nog medewerking heeft willen verlenen aan planologische inpassing van de motorcrossactiviteiten, zodat van gewekt vertrouwen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake (meer) kan zijn.

9.

Verzoekster voert aan dat de last onder dwangsom niet deugdelijk is geformuleerd en rechtsonzeker is omdat deze tot “dubbel” verbeuren van dwangsommen leidt. Er dient voor het verbeuren een duidelijk onderscheid gemaakt te worden tussen bouwen en gebruik alsmede de verschillende bouwwerken.

9.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de last deugdelijk is geformuleerd.

9.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster blijkens het bestreden besluit aan de last voor het (laten) bouwen zonder omgevingsvergunning kan voldoen door de aanwezige bouwwerken (unit en omheining met poort) van de percelen te verwijderen en verwijderd te houden. Ten aanzien van de strijd met het bestemmingsplan kan aan de last worden voldaan door het strijdige gebruik van de bouwwerken te staken, de aangebrachte verhogingen te verwijderen en de gronden om te ploegen. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende helder onderscheid gemaakt tussen bouwen en gebruik (van de bouwwerken). Geen rechtsregel verzet zich tegen een last die inhoudt dat eerst wanneer alle genoemde bouwwerken zijn verwijderd, geen dwangsom wordt verbeurd.

10.

Verzoekster voert aan dat zij op dit moment niet aan de last kan voldoen voor zover deze inhoudt het verwijderen van de verhogingen en de verplichting de gronden om te ploegen omdat de grond te drassig is. Voor het verwijderen van de verhogingen ontbreken de financiële middelen. De begunstigingstermijn is derhalve te kort.

10.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de begunstigingstermijn voldoende ruim is gesteld om de overtreding ongedaan te maken.

10.2

De voorzieningenrechter overweegt dat de begunstigingstermijn ertoe strekt gelegenheid te geven aan de last te voldoen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Daarbij is bepalend hoeveel tijd in redelijkheid nodig is de werkzaamheden als omschreven in de last uit te voeren. Uit het bestreden besluit blijkt dat verzoekster bij brief van 3 juni 2013 gedurende zes maanden de gelegenheid heeft gekregen voor het uitvoeren van de werkzaamheden en het zoeken naar een andere locatie. Bij brief van 7 januari 2014 heeft verweerder het voornemen tot aanschrijven kenbaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verzoekster een begunstigingstermijn gekregen van drie maanden. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geeft de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat zij niet binnen deze termijn aan de last zou kunnen voldoen. Dat verzoekster wacht tot het laatste moment met het uitvoeren van de last dient voor haar rekening te blijven. De omstandigheid dat verzoekster stelt niet voldoende financiële middelen te hebben om gevolg te geven aan de last, is niet relevant bij het bepalen van de duur van de begunstigingstermijn.

10.

Gelet op hetgeen met betrekking tot het hekwerk met poort en de verhogingen in rechtsoverwegingen 7 tot en met 7.3 overwogen is, ziet de voorzieningenrechter, bij weging van alle betrokken belangen, aanleiding om de getroffen voorlopige voorziening te handhaven tot en met zes weken na het te nemen besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter gaat er hierbij vanuit dat er geen motorcrossactiviteiten plaatsvinden en dat de poort gesloten blijft, zoals door verzoekster ter zitting aangegeven.

11.

Verzoekster heeft ter zitting gesteld dat Mac Bedaf, de motorcrossvereniging die het terrein van verzoekster gebruikt, zeer recent een huurovereenkomst met verweerders gemeente heeft gesloten over het gebruik als crossterrein. Verweerder heeft in reactie hierop aangegeven dat een intrekkingsbrief is verzonden en dat bezien dient te worden of de overeenkomst rechtsgeldig is. Het komt de voorzieningenrechter geraden voor dat verweerder bij het nemen van het besluit op bezwaar hieraan aandacht besteedt en aangeeft hoe deze huurovereenkomst zich verhoudt tot onderhavig handhavingsbesluit.

12.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- handhaaft de bij uitspraak van 10 juli 2014 uitgesproken schorsing van het primaire besluit tot en met zes weken na de bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.