Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4312

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-07-2014
Datum publicatie
28-07-2014
Zaaknummer
01/855071-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.

Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 13 jaar. De rechtbank heeft een werkstraf van 80 uren en een voorwaardelijke jeugddetentie van 1 maand opgelegd met als bijzondere voorwaarde toezicht van de jeugdreclassering.

De ouders van de verdachte dienen als wettelijk vertegenwoordiger de schade van € 2.221,50 te vergoeden aan het slachtoffer. Deze schadevergoeding is hoofdelijk opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/855071-13

Datum uitspraak: 28 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1999],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 juni 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 september 2013 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel (een (zware) hersenschudding en/of geheugenverlies en/of een breuk in het oogkasbotje) heeft toegebracht, door die [slachtoffer] opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg - al dan niet terwijl hij in een kwetsbare positie op de grond lag - meermalen althans eenmaal in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of tegen het lichaam te schoppen.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 september 2013 te 's-Hertogenbosch met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres 2] en/of [adres 3], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit;

- het blokkeren van de doorgang voor en/of het omsingelen van die [slachtoffer] en/of;

- het achter die [slachtoffer] aanrennen en/of;

- het ten val brengen en/of tackelen en/of vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer] en/of;

- het meermalen althans eenmaal slaan in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het meermalen alhans eenmaal schoppen in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer].

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op 9 september 2013 is [slachtoffer] te ’s-Hertogenbosch door een groep jongens geslagen en getrapt. Hij heeft daarbij een hersenschudding en een breuk in de oogkas opgelopen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen is en dat verdachte daarom van deze feiten dient te worden vrijgesproken. [verdachte] zegt dat hij erbij was en het heeft gezien, maar dat hij zelf niets heeft gedaan. [slachtoffer] zegt ook in zijn aangifte direct dat [verdachte] erbij was, maar niets heeft gedaan. [medeverdachte 1] (p.173) heeft [verdachte] niets zien doen. Alleen [medeverdachte 2] (p.198) en [medeverdachte 3] (p. 178) verklaren dat [verdachte] heeft meegedaan, maar niet precies hoe. Nu niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] een duidelijk aandeel in het geweld heeft gehad, dient hij te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Verdachte heeft slechts staan kijken naar het vechten, maar hij heeft geen significante bijdrage daaraan geleverd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank stelt voorop dat zij met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel is dat er geen sprake is van voorbedachte raad.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht bevat een opsomming van de aandoeningen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen, wanneer dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

In de tenlastelegging is als feitelijke omschrijving van het zwaar lichamelijk letsel het volgende opgenomen:
- een (zware) hersenschudding;
- geheugenverlies;
- een breuk in het oogkasbotje.

.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Door de vakgroep Neurologie van het Jeroen Bosch Ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch is bij onderzoek van [slachtoffer] [slachtoffer] op 9 september 2013 de volgende diagnose gesteld: trauma capitis (= hoofd- en hersenletsel) met commotio cerebri (=hersenschudding) en fractuur maxilla (=bovenkaak) voorwand rechts. Ten aanzien van de fractuur wordt gesteld dat gedurende een week een snuitverbod in acht dient te worden genomen en dat er geen controle noodzakelijk is.


Gelet op hetgeen de rechtbank ter terechtzitting heeft vastgesteld omtrent de aard van die klachten, dat uit de medische informatie niet blijkt dat sprake is van een zware hersenschudding, het niet noodzakelijk zijn van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, is de rechtbank van oordeel dat die lichamelijke klachten niet zodanig zijn dat zij naar gewoon spraakgebruik als ‘zwaar lichamelijk letsel’ zijn aan te merken.

De rechtbank wijst er in dit kader nog op dat de psychische klachten, waarvan wordt gesteld dat zij door het incident zijn veroorzaakt, niet kunnen worden aangemerkt als (zwaar) lichamelijk letsel, nu de wetgever zowel bij de totstandkoming van artikel 82 als bij latere wetswijzigingen uitdrukkelijk (slechts) heeft gedoeld op het toebrengen van lichamelijk nadeel. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar een arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 30 maart 2001 (NJ 2001, 486).

Bewijsoverweging.

Uit het dossier en de hierna opgenomen bewijsmiddelen blijkt het volgende.

[medeverdachte 3] heeft verklaard (p.178):

Heel de groep begon [slachtoffer] te slaan en schoppen. Alles ging door elkaar. Iedereen sloeg en schopte hem. Dat waren dus de onbekende jongen met het groene jasje, [medeverdachte 4], [verdachte] en [medeverdachte 1]. Ik zag dat [medeverdachte 2] toen voor de mensen sprong en ik hoorde hem zeggen: “stop”. Hierna gaf volgens mij [verdachte] een trap op de voet van [slachtoffer]. Ik zag dat [slachtoffer] door deze trap op de grond viel.

Op een vraag van de politie of [medeverdachte 3] 100% zeker weet dat [verdachte] [slachtoffer] heeft getrapt waardoor hij op de grond viel, heeft [medeverdachte 3] vervolgens geantwoord:

Ik heb [verdachte] wel zeker zien trappen, maar ik heb niet gezien dat [slachtoffer] hierdoor viel. Maar toen ik thuis kwam, kreeg ik een app van [verdachte], waarin hij zei dat hij [slachtoffer] gevloerd had met zijn trap.

In een daarop volgend verhoor (p. 180) heeft de politie [medeverdachte 3] het volgende voorgehouden. Jij hebt gezegd dat toen [slachtoffer] door [verdachte] werd getrapt hij op de grond terecht kwam en dat [verdachte] hem daarna schopte. Kan jij vertellen waar [verdachte] [slachtoffer] raakte?

[medeverdachte 3] antwoordde daarop: Nee, [verdachte] trapte hem en toen viel [slachtoffer] op de grond, iemand anders trapte [slachtoffer] toen hij op de grond lag.

[medeverdachte 2] heeft verklaard (p. 198): Ik heb [verdachte] een soort van rustige trap zien geven op de voet van [slachtoffer], waardoor hij viel. Dit was ergens op het einde. Verder heeft hij niets gedaan. (…). Ik ging tussen hen in staan om hen weg te duwen en [slachtoffer] te beschermen, hierna werd hij dus gevloerd door [verdachte].

Bij gelegenheid van het verhoor inbewaringstelling door de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 2] verklaard: [verdachte] heeft hem getackeld.

[getuige 1] (p. 135) heeft verklaard dat zij gezien heeft dat 3 à 4 jongens achter een jongen aanrenden en dat de kleinste daarvan de jongen heeft getackeld.

De officier van justitie en de raadsman hebben vrijspraak bepleit respectievelijk gevraagd voor hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd. Daartoe is onder andere aangevoerd dat [slachtoffer] heeft verklaard dat [verdachte] hem niets gedaan heeft. [verdachte] zelf ontkent [slachtoffer] te hebben geschopt of geslagen.

De rechtbank komt evenwel tot een ander oordeel en overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer] heeft verklaard:

Ik kan me alleen herinneren dat [verdachte] heeft staan lachen en staan kijken en als een van de eersten is weggegaan, omdat hij met de andere meekijkers het dichtst bij de fietsen stond. Ik kan me niet herinneren dat hij me geschopt of geslagen heeft (p. 133).

Naar het oordeel van de rechtbank sluit dit op zichzelf evenwel niet uit dat ofwel [slachtoffer] niet gezien heeft door wie hij is getackeld dan wel dat hij zich dat niet meer herinnert.

Zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2] hebben (deels) belastend over zichzelf verklaard en deels ook belastend over hun mededaders. Hetgeen door hen daaromtrent is verklaard, vindt ook steun in verklaringen van mededaders en het slachtoffer. [medeverdachte 3] geeft een reden waarom hij denkt dat [slachtoffer] na de trap (op de voet) is gevallen, namelijk dat [verdachte] hem nadien daarover een whatsapp-bericht heeft gestuurd. Wanneer de politie ervan uitgaat dat [verdachte] [slachtoffer] ook nog zou hebben getrapt, corrigeert [medeverdachte 3] dat. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verklaring van [medeverdachte 3] over [verdachte] dan ook niet beschouwd worden als een (ten onrechte) de schuld aan [verdachte] geven van een deel van het gebeurde. In die overtuiging vindt de rechtbank voorts steun in de verklaring van [medeverdachte 2], welke met de verklaring van [medeverdachte 3] inhoudelijk overeenstemt voor zover het betreft de wijze waarop [slachtoffer] ten val is gebracht. Deze overeenstemmende verklaring sluit naar het oordeel ook uit dat beiden zich vergissen in hetgeen zij hebben waargenomen en wat daarover door hen is verklaard.

De bewijsmiddelen.

Een dossier van de politie Brabant-Noord, met kenmerk PL21X0-2013117953, afgesloten d.d. 12 november 2013, aantal doorgenummerde bladzijden: 249.

Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden. Dit dossier houdt onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende in.

(blz. 121-122) Aangifte [slachtoffer], op 10 september 2013.

Ik ben maandag 9 september 2013, omstreeks 15.00 uur, toen samen met een vriend van mij genaamd [getuige 2] (de rechtbank leest: [getuige 2]) naar huis gefietst.

Wij zijn in de richting van de [adres 3] (de rechtbank begrijpt: te ’s-Hertogenbosch) gefietst. Toen wij daar net onder het fietstunneltje bij de Heinis waren, werd ik door jongens met hun fietsen geblokkeerd. Ik bedoel daarmee dat zij met hun fietsen om mij heen stonden en mij als het ware omsingelden. Ik ben toen van mijn fiets afgestapt en ben weggerend. Toen ik wegrende voelde ik dat iemand tegen mijn rechterschouder trapte. Ik ben toen op de grond gevallen. Ik werd toen door een jongen bij mijn armen vastgepakt. Ik werd toen door een stuk of vier jongens in mijn gezicht geslagen. Ik zag dat zij mij met hun handen sloegen en mij met hun voeten schopten. Ik werd het meest in mijn gezicht geslagen en een paar keer over mijn gehele lichaam geschopt. Ik voelde pijn in mijn gezicht. Het waren ongeveer 4 à 5 jongens die mij sloegen.

(blz. 131-134) Nadere verklaring aangever, afgelegd op 17 september 2013:

Ik fietste richting huis. Op de [adres 3] hield een van die jongens van de groep mij tegen. Deze jongen is klein, hij is ongeveer 1.65 meter lang. Ik fietste voor mijn vriend, want ik wilde snel naar huis en mijn vriend moest een andere kant op. Toen kwam die jongen die ik zojuist beschreef mij voorbij gefietst en hij stopte ineens voor mij. Ik kon niets anders doen dan stoppen. Toen kwam die hele groep er ineens aan. Ik stapte van mijn fiets af en ik rende weg. Ik rende naar de stoplichten toe richting [adres 2]. Toen werd ik tegen mijn schouder aan getrapt. Dit was een vechtsporttrap, omdat ik rende en iemand kan niet zomaar tijdens het rennen zo’n hoge harde trap geven. [medeverdachte 3] gaf mij die trap. Dit weet ik, omdat ik omkeek toen ik die trap kreeg en hij de enige was die achter mij liep. Door die trap viel ik tegen de grond aan. Toen zijn ze allemaal om me heen gaan staan en hebben ze mij geschopt en geslagen.

[medeverdachte 3] heeft mij van achteren getrapt en die jongen met dat zwarte jasje die heeft mij op mijn oog geslagen, met zijn volle vuist erop. [medeverdachte 3] heeft mij ook geslagen. Ze hebben mij allemaal wel geschopt en geslagen, maar [medeverdachte 3] en die jongen met het zwarte jasje hebben het meeste gedaan. Ik lag op de grond. Ik voelde dat ik op diverse plaatsen op mijn lijf geraakt werd, maar op mijn hoofd het meeste.

(blz. 139-140) Verklaring van de [getuige 2], afgelegd op
10 september 2013:

Op 9 september (de rechtbank leest: 2013) zijn [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) en ik de school uit gefietst. Ter hoogte van [bedrijf] werden wij ingehaald door een kleine Marokkaan op de fiets. Ik zag dat deze persoon ons inhaalde. Ik zag dat hij naast [slachtoffer] ging fietsen. Ik zag dat de jongen vervolgens aan de fiets van [slachtoffer] trok. Hierdoor kwam [slachtoffer] tot stilstand. Ik zag dat er vervolgens een groep van ongeveer
8 à 10 man aankwamen. Ik zag dat het allemaal Marokkanen waren.

Ik zag dat de jongen met het grijze vest [slachtoffer] een keer of 3 tegen zijn been schopte.

Bij het bruggetje richting de [adres 2] (de rechtbank begrijpt: te ’s-Hertogenbosch) werd [slachtoffer] ingehaald. Hij werd door iemand onderuit getrapt. Vervolgens kwam de jongen met het gele jack aanrennen. Ik zag dat deze jongen [slachtoffer] in zijn gezicht sloeg. [slachtoffer] werd vervolgens onderuit getrapt. Toen hij op zijn knieën op de grond zat, is [slachtoffer] nog meerdere malen geschopt en geslagen.

(blz. 174-181) Verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3], afgelegd op 11 en 12 september 2013:

Op 9 september 2013 hoorde ik dat [medeverdachte 2] en [slachtoffer] ruzie hadden. Ik zag dat [medeverdachte 2] [slachtoffer] begon te schoppen op zijn bovenbeen, 2 à 3 keer. Ik zag dat [slachtoffer] opeens wegfietste richting de fietsbrug. Ik zag dat iedereen achter hem aan fietste, ik ook. Toen we onder de fietsbrug waren, stopten [medeverdachte 4] en de onbekende jongen met het groene jasje hem op het fietspad. Ik zag dat [medeverdachte 1] ook naar hen toe liep en [slachtoffer] met de vlakke hand in het gezicht sloeg. Ik zag dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] hierop een vuistslag in zijn gezicht gaf en een lowkick op zijn bovenbeen. Ik zag dat [slachtoffer] toen begon te rennen en dat [slachtoffer] tijdens het rennen een vuistslag naar achteren gaf. Ik zag dat [slachtoffer] hiermee de onbekende jongen met het groene jasje raakte. Hierop rende ik ook naar [slachtoffer] toe en gaf hem een knie op zijn bovenbeen of in zijn zij. Heel de groep begon [slachtoffer] te slaan en schoppen. Alles ging door elkaar, iedereen sloeg en schopte hem. Dat waren dus de onbekende jongen met het groene jasje, [medeverdachte 4], [verdachte] en [medeverdachte 1]. Hierna gaf volgens mij [verdachte] een trap op de voet van [slachtoffer]. Ik zag dat [slachtoffer] door deze trap op de grond viel. Ik zag dat volgens mij alleen [medeverdachte 4] hem nog schopte toen [slachtoffer] op de grond lag, volgens mij een keer. Ik zag in ieder geval dat [medeverdachte 4] hem ergens boven zijn benen raakte.

Ik heb [verdachte] wel zeker zien trappen, maar ik heb niet gezien dat [slachtoffer] hierdoor viel. Maar toen ik thuis kwam, kreeg ik een app van [verdachte], waarin hij zei dat hij [slachtoffer] gevloerd had met zijn trap.

[verdachte] trapte hem en toen viel [slachtoffer] op de grond. Iemand anders trapte [slachtoffer] toen hij op de grond lag. Dat is volgens mij [medeverdachte 4] geweest.

(blz. 196-199) Verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2], afgelegd op
19 september 2013:

Ik heb hem 3 keer geschopt. Ik heb hem 3 keer op hetzelfde been op dezelfde plek geschopt, daarna werd hij mishandeld.

Ik heb hem met de vlakke hand in zijn gezicht geslagen, dat was niet hard. Dat deed ik voordat ik hem 3 trappen op zijn been gaf.

[medeverdachte 5] heeft zelf nog geprobeerd [slachtoffer] te schoppen trouwens. [slachtoffer] rende hierna weg met die andere jongens achter hem aan. Daar ergens heeft [medeverdachte 5] ook die trap gegeven, die mis was.

Ik ben als eerste 1 op 1 begonnen met die vlakke hand en trappen. [medeverdachte 1] gaf [slachtoffer] 1 op 1 een lowkick op zijn been. Meer heb ik niet gezien.

De volgorde weet ik niet precies, maar ik heb [verdachte] een soort van rustige trap zien geven op de voet van [slachtoffer] waardoor hij viel. Dit was ergens op het einde.

[medeverdachte 3] heb ik [slachtoffer] alleen een vliegende knie zien geven ergens aan de zijkant van zijn lichaam. Dit was tijdens de mishandeling, net nadat [medeverdachte 1] hem die lowkick gaf.

[medeverdachte 5] heb ik alleen die trap zien geven, die mis was. [medeverdachte 4] heb ik een vliegende trap zien geven, zelfde als [medeverdachte 5], maar die was ook mis.

Ik denk dat [medeverdachte 3] die harde klap heeft gegeven. Omdat de volgende dag op school, [medeverdachte 3] tegen mij zei: “Ik heb hem een klap gegeven op zijn oog, van achteren.” Ik zag dat hij toen een beweging maakte, een ‘hoek-stoot”, volgens mij met zijn rechterhand maakte hij dit gebaar.

(blz. 135-136) Verklaring van de [getuige 1], afgelegd op 10 september 2013:

Op 9 september 2013 fietste ik op de [adres 3] in de richting van de [adres 2] (de rechtbank begrijpt: te ’s-Hertogenbosch). Toen ik bijna onder de fietsbrug fietste, zag ik een grote groep jongens bij een aantal fietsen staan. Ik zag links naast het fietspad, op het grasveld, 3 à 4 jongens achter 1 jongen aanrennen. Ik zag dat de kleinste jongen, de jongen waar hij achterna rende, tackelde en gelijk door rende naar zijn fiets. Ik zag dat de 2 à 3 jongens die achter de kleinste jongen aanrenden, de jongen die getackeld werd, sloegen en schopten toen hij op de grond lag.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 9 september 2013 te 's-Hertogenbosch met anderen, op of aan de openbare weg, de [adres 2] en [adres 3], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit:

- het blokkeren van de doorgang voor en het omsingelen van die [slachtoffer] en

- het achter die [slachtoffer] aanrennen en

- het ten val brengen en/of tackelen van die [slachtoffer] en

- het meermalen slaan in het gezicht en/of tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] en

- het meermalen schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken en heeft zich niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte wordt berecht onder het jeugdstrafrecht. Bij het jeugdstrafrecht gelden andere richtlijnen voor de straftoemeting. Bij de strafoplegging wordt meegewogen wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt meer dan bij volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer. Toen het slachtoffer na schooltijd naar huis wilde fietsen, werd hem de doorgang geblokkeerd en werd hij omsingeld door een groep jongens. Op het moment dat het slachtoffer weg wilde rennen, werd hij ten val gebracht, waarna hij op de grond terecht is gekomen. Hij is meermalen geschopt en geslagen door de groep jongens. Een grote groep jongens tegen één jongen alleen. Een laffe daad en een zeer beangstigende ervaring voor het slachtoffer. Het slachtoffer heeft als gevolg van het geweld behoorlijk ernstig letsel opgelopen. Naast het feit dat een slachtoffer van een dergelijk strafbaar feit nog langdurig psychische nasleep kan ondervinden, wat ook blijkt uit de slachtofferverklaring die de zus van het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgedragen, versterkt het ook de al in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 24 juni 2014, opgemaakt door E. van der Heijden, raadsonderzoeker.
Uit deze rapportage blijkt dat de kans op recidive door de Raad als hoog wordt ingeschat.
Met betrekking tot de strafoplegging adviseert de Raad tweeledig: één advies dat ziet op de situatie dat verdachte de waarheid heeft gesproken en zijn aandeel dus gering is en één advies dat ziet op de situatie dat verdachte een groter aandeel heeft gehad dan hij zelf heeft aangegeven. In dat laatste geval heeft de Raad zorgen over zijn gewetensontwikkeling, zijn vriendenkeuze en de wijze waarop hij met emoties omgaat. Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte een groter aandeel heeft gehad in de openlijke geweldpleging dan hij zelf heeft toegegeven, zal de rechtbank dit laatste advies van de Raad opvolgen. De Raad adviseert in dit kader als bijzondere voorwaarde de jeugdreclasseringsmaatregel toezicht en begeleiding voor de duur van 2 jaar op te leggen, ook als dit inhoudt meewerken aan een groepsaanpak. Daarnaast acht de Raad een forse werkstraf op zijn plaats om het gedrag van verdachte te sanctioneren. Voorts adviseert de Raad een voorwaardelijke jeugddetentie om een stevige stok achter de deur te hebben om mee te werken aan datgene wat noodzakelijk is voor verdachte.


Verder houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte naar aanleiding van dit feit van school is gestuurd en gedurende bijna een maand huisarrest heeft opgelegd gekregen. De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte ten tijde van het delict nog erg jong was, te weten 13 jaar.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan jeugddetentie voor de duur van één maand. De rechtbank zal deze jeugddetentie voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zal na te noemen bijzondere voorwaarde worden gekoppeld.

Verder wordt aan verdachte een werkstraf van 80 uur opgelegd.

De rechtbank houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat niet elke verdachte evenveel geweld heeft toegepast. Verdachte behoort tot de groep die het minste geweld heeft gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen, gelet op de door haar gevorderde vrijspraak.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak gevraagd van de ten laste gelegde feiten en op grond daarvan gevraagd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten

- immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 2,000,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

- materiële schadevergoeding, bestaande uit reiskosten tot een bedrag van € 100,=, telefoonkosten, parkeerkosten, dagvergoeding opname ziekenhuis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de volgende onderdelen van de vordering afwijzen, te weten de gevorderde materiële schadevergoeding voor het annuleren van de catering, nu dit geen rechtstreekse schade voor verdachte betreft.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de volgende onderdelen van de vordering, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De post schoenen. Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd, er blijkt niet wat de schade is en uit het dossier blijkt overigens ook niet dat er aan de schoenen schade is toegebracht.

De kosten van de reparatie van de fiets. Ook in dit geval blijkt niet uit het dossier dat er schade aan de fiets is toegebracht.

De kosten voor het opvragen van medische gegevens. Deze post is niet onderbouwd.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde vergoeding voor de schade wegens studievertraging, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de ouders van verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder worden de ouders van verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij (dan wel hun wettelijk vertegenwoordigers) jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 141.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

T.a.v. het primair ten laste gelegde:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

T.a.v. het subsidiair ten laste gelegde:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf :

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

Werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie

Jeugddetentie voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n)dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de aanwijzingen hem in het kader van jeugdreclassering te geven door of namens het Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, Oude Vlijmensweg 112 te 's-Hertogenbosch, ook als deze inhouden meewerken aan een training/interventie eventueel in groepsverband;

Geeft opdracht aan voornoemd Bureau tot het verlenen van hulp en steun ter naleving van de bijzondere voorwaarde.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde

voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr. uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 19 september 2013 reeds geschorst.

Wijst de civiele vordering van EUR 2.221,50 toe.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de ouders van verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van EUR 2.221,50 (zegge: tweeduizend tweehonderdeenentwintig euro en vijftig cent), te weten EUR 2.000,= immateriële schadevergoeding en EUR 221,50 materiële schadevergoeding (post reiskosten, telefoonkosten, dagvergoeding opname ziekenhuis en parkeerkosten).

Het toegewezen bedrag betrekking hebbende op de materiële schadevergoeding te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der

algehele voldoening en het toegewezen bedrag betrekking hebbende op de

immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De ouders van verdachte zijn niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) de wettelijk vertegenwoordigers van de mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij af voor zover deze betrekking heeft

op het annuleren van de catering.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Veroordeelt de ouders van verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt de ouders van verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 19 september 2013 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 28 juli 2014.