Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4238

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_3422
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2522, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers, aangesteld als werknemer bij de provincie Zeeland, verzoeken met een beroep op het gelijkheidsbeginsel in aanmerking te worden gebracht voor een non-activiteitsuitkering naar eenzelfde percentage van de bezoldiging als waarop de twee directeuren recht hebben. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Eisers wensen op grond van de Wob inzage in de volledige vertrekregelingen van de twee directeuren. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken twee directeuren zwaarder weegt dan het belang van het openbaar maken van deze gegevens.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur, geldigheid: 2014-09-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 13/3422, SHE 13/3423, SHE 13/3425, SHE 13/3431 en SHE 13/3432

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser 1], te [woonplaats], eiser 1 (SHE 13/3422),

[eiser 2], te [woonplaats], eiser 2 (SHE 13/3423),

[eiseres], te [woonplaats], eiseres (SHE 13/3425),

[eiser 3], te [woonplaats], eiser 3 (SHE 13/3431),

[eiser 4], te [woonplaats], eiser 4 (SHE 13/3432),

tezamen te noemen: eisers

en

de Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Kuipers en mr. drs. P.E.M. Bank).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 12 september 2012 (de primaire besluiten) heeft verweerder het verzoek van eisers op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) tot het verstrekken van de vertrekovereenkomsten met de twee directeuren, afgewezen. Bij deze besluiten heeft verweerder tevens de verzoeken van eisers afgewezen om voor de toepassing van de non-activiteitsuitkering aanspraak te maken op eenzelfde percentage van de bezoldiging als de twee directeuren.

Bij afzonderlijke besluiten van 7 mei 2013 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers gericht tegen de afwijzing van de verzoeken om het verstrekken van de vertrekovereenkomsten gegrond verklaard en de primaire besluiten in zoverre herroepen, aangezien voorafgaand aan de hoorzitting in bezwaar de twee met de directeuren gesloten overeenkomsten geanonimiseerd aan eisers zijn verstrekt. De bezwaren van eisers zijn voor het overige ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten gezamenlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft in elk van de zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2014. Bovengenoemde zaken zijn gevoegd behandeld, tezamen met de zaak SHE 13/3420. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Nadien zijn de zaken weer gesplitst in die zin dat in de zaak SHE 13/3420 separaat uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.

Eisers zijn allen aangesteld als werknemer bij de provincie Zeeland. In het kader van een reorganisatie en een daarmee gepaard gaande formatiereductie heeft verweerder op 6 maart 2012 de Non-activiteitsregeling Zeeland 2013 (NAR) vastgesteld. Op grond van deze regeling kan een werknemer die op 1 januari 2013 57 jaar of ouder is, met behoud van dienstverband gebruik maken van non-activiteitsverlof tot het moment van FPU- of ouderdomspensioen tegen het in de NAR genoemde percentage van zijn bezoldiging. Dit percentage is afhankelijk van de salarisschaal waarin de werknemer is ingedeeld.

3.

Op 2 mei 2012 heeft verweerder met elk van de eisers afzonderlijk een overeenkomst gesloten ter uitvoering van de NAR. Conform de overeenkomst genieten eisers non-activiteitsverlof met ingang van 2 mei 2012 en ontvangen zij een non-activiteitsuitkering conform de in die overeenkomsten vermelde percentages, variërend van 70% tot 80% van de bezoldiging.

4.

Bij brief van 11 juli 2012 hebben eisers op grond van de Wob verzocht de vertrekovereenkomsten die zijn gesloten met twee directeuren bekend te maken. Tevens hebben eisers verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een non-activiteitsuitkering naar eenzelfde percentage van de bezoldiging als waarop de twee directeuren recht hebben.

Geschil en beoordeling

5.

Eisers voeren aan dat de niet-geanonimiseerde vertrekovereenkomsten van de twee directeuren op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht deel van het bezwaardossier hadden moeten uitmaken. Eisers stellen dat de adviescommissie bezwaarschriften van de niet-geanonimiseerde overeenkomsten kennis heeft genomen, terwijl niet is gebleken dat de adviescommissie conform het bepaalde in artikel 7:4, zesde lid, van de Awb een beroep heeft gedaan op geheimhouding om gewichtige redenen. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit de brief van de adviescommissie bezwaarschriften van de provincie Zeeland van 19 mei 2014 volgt dat deze commissie in de bezwaarfase, anders dan eisers hebben gesteld, niet beschikte over de niet-geanonimiseerde vertrekovereenkomsten van de twee directeuren en daarvan evenmin kennis heeft genomen. De adviescommissie bezwaarschriften heeft enkel kennis genomen van de geanonimiseerde vertrekovereenkomsten van de twee directeuren. Deze geanonimiseerde vertrekovereenkomsten zijn kort vóór de hoorzitting in bezwaar ook aan eisers verstrekt. Het voorgaande betekent dat geen sprake is van een formeel gebrek in de besluitvorming van verweerder. De beroepsgrond slaagt niet.

6.

Eisers wensen met een beroep op het gelijkheidsbeginsel in financiële zin op gelijke wijze te worden behandeld als de twee directeuren. Eisers voeren in het kader van hun beroep op het gelijkheidsbeginsel aan dat de provincie Zeeland hen niet als een goed werknemer heeft behandeld. Gebleken is dat de twee directeuren een hoger percentage van de bezoldiging ontvangen dan is opgenomen in de NAR. Bovendien is met een derde directeur wel eenzelfde overeenkomst gesloten als met de overige werknemers. Eisers stellen dat met opzet een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven. De NAR-overeenkomsten zijn naar de mening van eisers tot stand gekomen onder invloed van dwaling, bedreiging, bedrog en/of misbruik van omstandigheden. Eisers verzoeken de rechtbank te beslissen dat de provincie Zeeland ter uitvoering van artikel 125ter van de Ambtenarenwet zich ten opzichte van eisers als NAR-deelnemers meer dan als een goed werkgever gedraagt. Eisers betogen voorts dat aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 3:49 en verder van het Burgerlijk Wetboek (BW) de NAR-overeenkomsten te vernietigen.

7.

De rechtbank stelt voorop dat bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel de bewijslast bij degene ligt die zich daarop beroept, in het onderhavige geval dus eisers. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet in hun bewijslast zijn geslaagd. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verweerder heeft immers in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat de overeenkomsten die met de twee directeuren zijn gesloten niet hun grondslag vinden in de NAR. Gelet op de tekst van de vertrekovereenkomsten van de twee directeuren enerzijds en de tekst van de overeenkomsten die zijn gesloten met eisers en de overige werknemers anderzijds, is aannemelijk dat de met de twee directeuren gesloten vertrekovereenkomsten niet hun grondslag vinden in de NAR. De rechtbank wijst in dit verband op het feit dat in die vertrekovereenkomsten in het geheel niet naar de NAR wordt verwezen, terwijl dat bij de overige overeenkomsten wel het geval is. Ook anderszins is niet gebleken dat de vertrekovereenkomsten van de twee directeuren op de NAR zijn gebaseerd. Daarnaast heeft verweerder toegelicht dat de positie van de twee directeuren een andere was dan die van de overige werknemers. De werknemers die in aanmerking kwamen voor deelname aan de NAR, waaronder eisers, hadden een keuze tussen deelnemen aan de NAR of het aanvaarden/zoeken van een passende of geschikte functie conform het Sociaal Statuut van de provincie Zeeland. De directeuren hadden niet de mogelijkheid werkzaam te blijven binnen de provincie Zeeland, omdat de provincie ervoor heeft gekozen de betreffende functies met extern personeel in te vullen en gelet op het Sociaal Statuut voor de directeuren geen andere passende of geschikte functies resteerden. Eisers geven aan dat het voor hen en de overige werknemers die aan het in de NAR neergelegde leeftijdscriterium voldeden, niet voelde als een daadwerkelijk bestaande keuze tussen de NAR of het aanvaarden/zoeken van een passende of geschikte functie conform het Sociaal Statuut. Zij stellen dat zij een grote druk hebben ervaren om van de NAR gebruik te maken. Eisers zijn van mening dat om die reden in hun geval geen sprake is van een wezenlijk andere positie dan die van de twee directeuren. De rechtbank is van oordeel dat eisers ook met deze stelling niet aannemelijk hebben gemaakt dat in hun geval sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Zelfs als eisers hierin zouden worden gevolgd, laat dit namelijk onverlet dat de met de twee directeuren gesloten overeenkomsten niet op de NAR zijn gebaseerd, terwijl dat bij de overeenkomsten van eisers wel het geval is. Voor zover eisers ter onderbouwing van hun beroep op het gelijkheidsbeginsel hebben gewezen op het feit dat met een derde directeur wel een ‘gewone’ NAR-overeenkomst is gesloten, merkt de rechtbank op dat uit de door verweerder ter zitting daarover gegeven toelichting blijkt dat ook daarmee geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Zoals verweerder heeft aangegeven had de betreffende directeur in 2011 reeds besloten met zijn werkzaamheden te stoppen en met pensioen te gaan. Hij heeft in 2011 afscheid genomen met de aantekening dat hij in dienst bleef. Toen verweerder op 6 maart 2012 de NAR had vastgesteld, koos de betreffende directeur alsnog voor deelname aan de NAR. De rechtbank leidt hieruit af dat de betreffende directeur al van plan was met werken te stoppen, toen de provincie Zeeland begin 2012 een start maakte met de reorganisatie en de daarmee gepaard gaande formatiereductie. Dat maakt dat zijn situatie een andere is dan die van eisers. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding het verzoek op grond van artikel 125ter van de Ambtenarenwet in te willigen.

8.

De rechtbank overweegt voorts dat haar van de door eisers gestelde dwaling, bedreiging, bedrog en/of misbruik van omstandigheden bij de totstandkoming van hun NAR-overeenkomsten niet is gebleken. Verweerder stelt terecht dat de overeenkomsten die zijn gesloten met eisers geheel conform de NAR zijn. Eisers waren bekend met deze regeling en wisten derhalve vooraf duidelijk wat de inhoud van de overeenkomst zou zijn en wat de financiële consequenties waren. Gelet hierop is geen sprake van een situatie waarin verweerder een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Zoals hiervoor is overwogen was de situatie waarin de twee directeuren verkeerden een andere dan die van eisers en vinden de met de twee directeuren gesloten overeenkomsten niet hun grondslag in de NAR. Verweerder was derhalve niet gehouden eisers te informeren over de met de twee directeuren gemaakte afspraken. Het voorgaande betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet om – nog los van de vraag of zulks binnen de grenzen van het onderhavige geschil mogelijk zou zijn – over te gaan tot vernietiging van de met eisers gesloten NAR-overeenkomsten.

9.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

10.

Eisers voeren aan dat zij op grond van de Wob inzage wensen in de volledige vertrekregelingen die zijn gesloten met de twee directeuren, ook in de gegevens die zijn weggelaten in de aan hen toegezonden versies.

11.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

12.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

13.

Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

14.

Uit vaste rechtspraak blijkt dat voor de vraag of openbaarmaking van gegevens in het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob kan worden geweigerd, bepalend is of bij openbaarmaking het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aan de orde is en zo ja, of dat belang zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:291).

15.

Daarnaast blijkt uit jurisprudentie van de ABRvS (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1003) dat waar het gaat om het beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Dat ligt anders indien het betreft het openbaar maken van namen. Namen zijn immers persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen het openbaar maken daarvan verzetten. Voorts blijkt uit vaste rechtspraak van de ABRvS dat gegevens over het salaris van een ambtenaar onder de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vallen (zie onder meer de uitspraak van 20 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7618 en de hiervoor genoemde uitspraak van 4 september 2013).

16.

De namen van de twee directeuren waarop de vertrekovereenkomsten betrekking hebben zijn bekend, zodat het anonimiseren van die gegevens in dit geval niet leidt tot het eerbiedigen van de persoonlijke levenssfeer. Gelet op het feit dat de gegevens over de bezoldiging en de daarmee samenhangende gegevens zijn te herleiden naar de namen van de directeuren, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op voormelde jurisprudentie, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken twee directeuren zwaarder weegt dan het (weliswaar zwaarwegend) belang van het openbaar maken van deze gegevens. Daarom heeft verweerder mogen weigeren om deze tot de personen van de directeuren te herleiden gegevens openbaar te maken.

17.

Verweerder heeft toegelicht dat in de door hem verstrekte geanonimiseerde vertrekovereenkomsten op grond van de NAR die zijn gesloten met de overige 157 medewerkers wel het percentage van de non-activiteitsuitkering is vermeld, omdat deze overeenkomsten niet of nauwelijks zijn te herleiden naar de persoon van de betreffende medewerker zelf. De overeenkomsten zijn alle op eenzelfde wijze geredigeerd en de enige variabele in de tekst van de overeenkomsten is het percentage van de non-activiteitsuitkering, hetgeen is vastgesteld conform de NAR. Met deze wijze van het verstrekken van gegevens komt, zoals verweerder terecht stelt, de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkers niet in het geding.

18.

Gelet hierop is het beroep van eisers gericht tegen de weigering van de openbaarmaking van de gegevens over de bezoldiging van de twee directeuren en de daarmee samenhangende gegevens ongegrond.

19.

Eisers hebben tot slot schadevergoeding gevorderd, omdat zij van mening zijn dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

20.

De redelijke termijn is, voor een procedure zoals hier aan de orde, in beginsel niet overschreden als de rechter in eerste aanleg uitspraak doet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen. In gevallen waarin de bezwaar en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, geldt als uitgangspunt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen (zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 en van 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1908).

21.

Voor de onderliggende beroepszaken betekent dat het volgende. In deze zaken zijn de bezwaarschriften door verweerder ontvangen op 22 oktober 2012. De rechtbank doet op 23 juli 2014 uitspraak. Dat betekent dat op het moment van deze uitspraak minder dan twee jaar zijn verstreken. Gelet hierop is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, zodat deze beroepsgrond faalt. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding derhalve af.

22.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank wijst tevens de door eisers overige gevorderde schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover betrekking hebbend op het Wob-verzoek, ongegrond;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Tadic, rechter, in aanwezigheid van

drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het Wob-verzoek, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Tegen deze uitspraak kan voor het overige gedeelte binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.