Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4177

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
28-07-2014
Zaaknummer
C/01/279567 / KG ZA 14-340
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing conservatoir beslag tot afgifte van een merrie en twee van haar veulens onder de opschortende voorwaarde dat door de beslagene niet voor 15 augustus 2014 te 16.00 uur ten gunste van de beslaglegger een bankgarantie wordt gesteld voor een bedrag van € 10.000,-- door een Nederlandse bank conform het Rotterdams model.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

zaaknummer / rolnummer: C/01/279567 / KG ZA 14-340

Vonnis in kort geding van 22 juli 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Haren,

eiseres,

advocaten mrs. L.M. Schelstraete en B.E.J. Loeffen te Tilburg,

tegen

[gedaagde],

wonende te Sint-Oedenrode,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.J. van Os te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiseres]en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 juni 2014, met 10 producties,

  • -

    de brief van mr. Loeffen van 7 juli 2014 met één aanvullende productie,

  • -

    het faxbericht van mr. Van Os van 7 juli 2014, met twee producties,

  • -

    het faxbericht van mr. Van Os van 8 juli 2014, met één aanvullende productie,

  • -

    het faxbericht van mr. Loeffen van 8 juli 2014, met twee aanvullende producties,

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 juli 2014,

  • -

    de pleitnota van [eiseres],

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 4 januari 2009 heeft [gedaagde] op marktplaats een advertentie geplaatst waarin zij de merrie Roquera I, die op dat moment in eigendom toebehoorde aan [naam 1] (hierna: [naam 1]), namens [naam 1] voor een nog nader overeen te komen prijs te koop heeft aangeboden. In die advertentie wordt tevens aangegeven dat ook bruikleen eventueel mogelijk is. Roquera I betreft een paard van een andalusisch ras, Pura Raza Espanola (PRE) genaamd. PRE paarden kunnen worden geregistreerd bij het Spaanse stamboek ANCCE.

2.2.

In januari 2009 is [eiseres]twee keer bij [gedaagde] langs geweest om Roquera I te bekijken. De eerste keer is zij Roquera I alleen komen bekijken en de tweede keer samen met haar dochter.

2.3.

Op 7/8 maart 2009 heeft [eiseres]het paard Roquera I bij [gedaagde] opgehaald. In de jaren daarna heeft [eiseres]periodiek veulens gefokt bij Roquera I, waaronder de veulens Don Diego en Solana.

2.4.

In de brief van [eiseres]aan [gedaagde] van 6 september 2013 valt, voor zover thans van belang, te lezen als volgt:

“(…) In januari 2009 heb je gereageerd op mijn advertentie, bijgaand vind je een kopie. Mijn Spaanse merrie Roquera I was te koop of voor bruikleen naar overeenkomst (n.o.t.k.). Ik heb je volledig mondeling en per e-mail naar waarheid geïnformeerd over mijn merrie en de reden voor verkoop/bruikleen.

Per e-mail is door jou duidelijk omschreven hoe en wat je kon en wilde gaan doen met deze Spaanse merrie.

Na bezichtigingen zijn wij mondeling overeengekomen dat je mijn merrie mocht gebruiken voor hobbymatig “een keertje” een veulentje fokken en dat je voor de papieren, nl paspoort + carta E 800 zou betalen.

Dit bedrag zou je ten alle tijde terug krijgen als je haar in dezelfde gezonde conditie met paspoort en carta om welk reden dan ook bij mij terug zou brengen, deze overeenkomst heet een bruikleen.

In maart 2009 heb je haar en de papieren opgehaald en E 800 betaald.

De overeenkomst is in goed vertrouwen gemaakt.

Je zou af en toe een veulentje bij haar fokken en deskundig en goed voor haar zorgen. De carta had je nodig voor registratie van een eventueel veulen.

Een paar maanden later (mei 2009) heb je op eigen initiatief de toen al drachtige Roquera I naar de Spaanse stamboek (apto)keuring gebracht.

Zij was op 14 jr leeftijd in een uitstekende gezondheid en is meteen goedgekeurd en opgenomen in het Spaanse stamboek ANCCE.

Door deze registratie heb je met de carta een fokkerscode voor haar op jouw naam gekregen.

Ik concludeer:

- - Dat je nu vindt dat mijn merrie Roquera I jouw eigendom is

- - Dat je niet deskundig voor mijn merrie zorgt

- - Dat je commercieel mijn merrie gebruikt/misbruikt

- - Dat deze merrie in de afgelopen 4 jaar tijd tenminste 3 veulens heeft gehad

- - Dat deze merrie in juni jl een voor haar veel te groot veulen heeft gekregen

- - Dat deze merrie nu op 18 jr. leeftijd wederom drachtig is

- - Dat de nu voor de 2e maal gebruikte dekhengst, voor deze oude merrie, veel te groot is

- - Dat je volledig bent geïnformeerd dat de merrie maat en kleur geeft van de dekhengst, zowel

door de info in de advertentie als persoonlijk per e-mail in 2010

- - Dat je ondeskundig en niet naar overeenkomst met mijn merrie fokt

- - Dat je daarmee gezondheid en leven van deze merrie in gevaar brengt

- - Dat je mij mijn merrie niet meer in bruikleen mag houden.

Daarom verzoek ik je zeer dringend mijn merrie Roquera I met paspoort/ papieren binnen 7 dagen uiterlijk zondag 15 september as, in NIET-DRACHTIGE conditie met of zonder haar merrieveulen Solana, bij mij thuis (…), af te leveren.

Een veterinair onderzoek zal Roquera’s conditie vaststellen en de kosten zijn voor jouw rekening. Mocht zij toch drachtig blijken te zijn dan zal bovendien een schadevergoeding van E 15.000 worden gevraagd.

Het merrieveulen “Solana” is jouw eigendom.

Mocht je niet voldoen aan mijn dringende verzoek om haar terug te brengen dan ben je mij € 15.000 + rente schuldig als aankoopsom d.d. 7/3/2009.

Indien nodig zal dit bedrag via een juridische procedure worden geëist”.

2.5.

Bij brief van 8 oktober 2013 heeft de advocaat van [gedaagde] [eiseres]gesommeerd om uiterlijk op 23 oktober 2013 te 12.00 uur het paard Roquera I inclusief paspoortbescheiden aan [eiseres]te retourneren, bij gebreke waarvan een gerechtelijke procedure aanhangig zou worden gemaakt.

2.6.

Bij brief van 29 oktober 2013 heeft de toenmalige raadsvrouwe van [eiseres]aan de advocaat van [gedaagde] te kennen gegeven dat [eiseres]van mening is dat er geen sprake is van een bruikleenovereenkomst tussen partijen, maar van een koopovereenkomst en dat zij geen gehoor zal geven aan de sommatie.

2.7.

Bij e-mailbericht van 9 februari 2014 heeft [gedaagde], voor zover van belang, aan [eiseres]medegedeeld als volgt:

(…).

Ik wacht nog op de papieren,[naam 2] was op ski vakantie maar beloofde me het meteen terug te sturen als hij thuis komt.

(…)

Zodra ik de papieren heb, bel ik je want dit is het officiële verkoopdocument bedacht ik later, dus dan moet ze eigenlijk ook betaald zijn als ik je ze meegeef. Ze kan nog wel even blijven, maar omdat ik in een scheiding zit en mijn ex wil dat ik per z.s.m. het huis verlaat, zou het wel beter zijn als ze per 1 maart naar jou kan.(…)

2.8.

Op 2 april 2014 heeft [gedaagde] ten laste van [eiseres]conservatoir beslag tot afgifte op het paard Roquera I en op de twee veulens “Don Diego” en “Solana”, doen leggen. [eiseres]weigert tot op heden om de bij deze paarden behorende paspoorten en/of (eigendoms)bescheiden aan de deurwaarder af te geven, ondanks het daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 27 februari 2014. [eiseres]heeft tot op heden slechts enkele kopieën van documenten aan de deurwaarder verzonden.

2.9.

Bij dagvaarding van 4 april 2014 heeft [gedaagde] jegens [eiseres]een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarbij [eiseres]in de hoofdzaak onder meer heeft gevorderd om het paard Roquera I, alsmede de zich nog onder [eiseres]bevindende veulens van Roquera I, inclusief de daarbij behorende paspoorten, binnen 5 dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan [gedaagde] af te geven en/of ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag tot een maximum van € 25.000,-- indien [eiseres]hiermee in gebreke blijft. Tevens heeft [gedaagde] bij incidentele vordering ex artikel 223 Rv gevorderd dat het [eiseres]wordt verboden om gedurende de duur van het geding wordt verboden om het paard Roquera I opnieuw drachtig te laten worden, op straffe van een dwangsom van € 35.000,-- per overtreding. De bodemprocedure staat thans voor vonnis in het incident.

2.10.

Bij e-mailbericht van 26 mei 2014 heeft [gedaagde] aan [eiseres]onder meer laten weten als volgt:

“(…) Ik heb net bij de post gekeken en de papieren zaten er nog niet bij! Zal dan wel op z’n vroegst as di. aankomen.

Ik laat het aan jou over of je haar toch morgen wil ophalen, haar paspoort en stamboek-ID gaan dan natuurlijk met haar mee, of dat je het uitstelt.

Als je wilt kunnen we een verklaring opstellen dat de koop niet door gaat als de verkoopovereenkomst niet getekend is door de huidige eigenaar. Dan zou het paard terug moeten komen en ben ik jou het aankoopbedrag ad E 800 verschuldigd.

Maar ik denk dat het verstandiger en praktischer is om te wachten tot die papieren er zijn.

Ik hoor wel van je!!

(…)”.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres]vordert - kort weergegeven - de opheffing van het op 2 april 2014 door [gedaagde] ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag tot afgifte op de paarden Roquera I, Don Diego en Solana.

3.2.

[eiseres]legt aan haar vordering, kort weergegeven, het navolgende ten grondslag. [eiseres]betwist dat [naam 1] [gedaagde] een last heeft gegeven tot het leggen van beslag en het voeren van en bodemzaak. Er is meer dan summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de door [gedaagde] ingestelde vorderingen en van het onnodige van de door [gedaagde] gelegde beslagen. [eiseres]betwist uitdrukkelijk dat er tussen partijen een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen ter zake van het paard Roquera I. Bewijsstukken hieromtrent ontbreken. Wel is er voldoende bewijs dat er sprake is van een koopovereenkomst tussen partijen. Voor zover niet kan worden aangenomen dat er sprake is van een koopovereenkomst, maar van een overeenkomst van bruikleen, is [eiseres]van mening dat zij op grond van artikel 3:99 lid 1 BW middels verkrijgende verjaring het eigendomsrecht ter zake van Roquera I heeft verworven. [eiseres]heeft recht en belang bij opheffing van de conservatoire beslagen, nu deze beslagen haar belemmeren bij de dagelijkse verzorging en training van de paarden waarop de conservatoire beslagen rusten.

3.3.

Het verweer van [gedaagde] komt, kort weergegeven, op het navolgende neer. [eiseres]heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de door [gedaagde] aan het beslag ten grondslag gelegde vordering ondeugdelijk is. Voor een diepgaande beoordeling van de vordering van [gedaagde] is in het kader van dit kort geding geen plaats.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] op grond van een last van [naam 1] in eigen naam tot beslaglegging ten laste van [eiseres]heeft kunnen overgaan, waarbij [gedaagde] geen melding hoefde te maken van de last. Wel kan [eiseres]het verweer voeren dat [gedaagde] geen last heeft. Vgl. Hoge Raad 26 november 2004, NJ 2005/41 (Haantjes/Damstra). In dat geval dient [gedaagde] te bewijzen dat die last er wel is. Echter, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het beroep door [eiseres]op het ontbreken van de last niet tijdig gedaan, nu in de inleidende dagvaarding door [eiseres]is nagelaten om bewijs van het bestaan van de last te vragen. Hieruit volgt dat het er thans voor moet worden gehouden dat de last er aan de zijde van [gedaagde] is op grond van de bevestiging van het bestaan daarvan.

4.2.

Anders dan partijen kennelijk menen, hoeft [eiseres]niet te stellen en aannemelijk te maken dat zij spoedeisend belang heeft bij opheffing van het beslag. Art. 705 Rv geeft de voorzieningenrechter de bevoegdheid een beslag op te heffen. Spoedeisend belang wordt in dit artikel niet als vereiste genoemd.

4.3.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Ten aanzien van een verhaalsbeslag leert de Hoge Raad dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing van het beslag vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of het beslag onnodig is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. Zie: Hoge Raad 14 juni 1996, NJ 1997/481 (De Ruyterij/MBO).

4.4.

De voorzieningenrechter meent dat de door de Hoge Raad geformuleerde regels met betrekking tot de procedure tot opheffing van een conservatoir verhaalsbeslag, met inachtneming van het feit dat geen sprake is van een verhaalsbeslag maar van een beslag tot afgifte, overeenkomstig moeten worden toegepast. Dit betekent dat de beslagene aannemelijk moet maken dat de beslaglegger geen eigenaar is van de beslagen zaak of zaken, terwijl de voorzieningenrechter altijd de belangen van partijen dient af te wegen. Bij die afweging is van belang dat beslag tot afgifte wordt gelegd om de vordering tot afgifte niet illusoir te maken en de beslaglegger tot schadevergoeding verplicht is in het geval het beslag tot afgifte ten onrechte blijkt te zijn gelegd.

4.5.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet summierlijk aannemelijk geworden dat de door [gedaagde] gepretendeerde vordering, die aan het ten laste van [eiseres]gelegde beslag tot afgifte ten grondslag ligt, ondeugdelijk is.

4.6.

Weliswaar heeft [gedaagde] ter onderbouwing van haar vordering als productie 13 de vermeende (ver)koopovereenkomst in het geding gebracht, maar [gedaagde] heeft (het bestaan van) deze overeenkomst gemotiveerd bestreden. Zo stelt [gedaagde] zich onder meer op het standpunt dat zij deze (ver)koopovereenkomst niet kent en dat de handtekening op die overeenkomst van de heer [naam 1] vervalst is met behulp van de handtekening op de machtiging van [naam 1], welke machtiging als productie 8 bij het beslagrekest van 19 februari 2014 is bijgevoegd. [gedaagde] stelt voorts dat [eiseres]niet eerder over deze handtekening van [naam 1] kon beschikken dan vanaf het moment dat zij het beslagrekest in handen kreeg. Dit verklaart naar de mening van [gedaagde] ook waarom de vermeende koopovereenkomst niet in een eerder stadium door [eiseres]is overgelegd, maar eerst een dag voor de zitting van 9 juli 2014.

4.7.

[gedaagde] heeft voorts ten verwere gesteld dat de handtekening van [naam 1] in de door [eiseres]overgelegde koopovereenkomst kenmerkende verschillen vertoont met de handtekening van [naam 1] in de hiervoor genoemde machtiging. Ook is volgens [gedaagde] de naam van [naam 1] niet juist geschreven: in de (ver)koopovereenkomst staat ‘De Muenyck’ in plaats van ‘[naam 1]’. Een kennelijke verschrijving van de eigen naam is naar de mening van [gedaagde] niet geloofwaardig. Voorts merkt [gedaagde] nog op dat het adres in de vermeende (ver)koopovereenkomst niet juist is. Dit betreft naar de stelling van [gedaagde] het adres van [naam 1], zoals is opgenomen in de inschrijving van Roquera I in het Franse eigendomsregister “Les Haras Nationaux” uit 2003 (vgl. productie 3 zijdens [gedaagde]), maar de heer [naam 1] was in 2009 reeds verhuisd naar een ander adres. [gedaagde] is dan ook van mening dat de koopovereenkomst niet deugt, in welke gedachte zij wordt gesterkt doordat er over de als productie 13 overgelegde (ver)koopovereenkomst een lijn loopt, waardoor bij [gedaagde] het vermoeden rijst dat er door [eiseres]documenten onder het kopieerapparaat zijn ‘gecombineerd’.

4.8.

De voorzieningenrechter is met [gedaagde] van oordeel dat aan de als productie 8 bij dagvaarding overgelegde verklaring van de dochter van [eiseres]weinig betekenis kan worden gehecht, omdat die verklaring van een familielid van een van de partijen afkomstig is en niet ten overstaan van de rechter onder ede is afgelegd. Evenmin kan (vooralsnog) waarde worden toegekend aan de als productie 9 bij dagvaarding overgelegde verklaring van [naam 3] (waarin zij onder meer verklaart dat [gedaagde] haar heeft verteld dat zij Roquera I als fokmerrie aan [eiseres]heeft verkocht), nu [gedaagde] onweersproken heeft betoogd dat deze mevrouw niet aanwezig is geweest bij enige bespreking tussen [eiseres]en [gedaagde].

4.9.

Voorts brengt, anders dan [eiseres]kennelijk meent, registratie in het Spaanse stamboekregister ANCCE als eigenaar van het paard niet met zich dat zij juridisch als eigenaar van het paard dient te worden beschouwd. Dat dient bepaald te worden op grond van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek. Een dergelijke registratie levert ook geen bewijsvermoeden op dat [eiseres]eigenaar is van het paard.

4.10.

Ook de strekking van de als productie 6 en 7 bij dagvaarding overgelegde e-mails van [gedaagde] aan [eiseres], waaraan [eiseres]refereert, wordt door [gedaagde] weersproken. Die mails lijken weliswaar het standpunt van [eiseres]te onderbouwen, maar [gedaagde] zegt dat aan die mails geen bewijs kan worden ontleend omdat op het moment dat de mails werden verzonden nog niet duidelijk was of een contract tot stand zou komen en zo ja, of sprake zou zijn van koop dan wel van bruikleen.

4.11.

[gedaagde] heeft voorts als productie 3 een kopie van het bewijs van inschrijving in het Franse eigendomsregister ‘Les Haras Nationaux’ overgelegd, daartoe stellende dat de daarop vermelde ongedateerde toevoeging “cambio propietario” door een kennis van [eiseres]is geplaatst, nadat door de deurwaarder is gepoogd beslag te leggen op de eigendomsbescheiden van Roquera I. Naar de stelling van [gedaagde] klemt een en ander temeer, nu [eiseres]enkel kopieën van de documenten aan de deurwaarder heeft verstrekt, terwijl [eiseres]eerder had toegezegd om de originele documenten aan de deurwaarder te verstrekken.

4.12.

Gelet op het voorgaande kan binnen dit kort geding niet met voldoende waarschijnlijkheid worden uitgemaakt wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft. Dit vergt een nader (feiten)onderzoek, waarvoor dit kort geding zich evenwel niet leent. Dit is slechts anders indien het belang waarin [eiseres]bescherming verzoekt, bepaaldelijk vereist dat in weerwil van de daaraan klevende bezwaren een dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd. Dat is hier echter niet aan de orde. De tussen partijen aanhangige bodemprocedure, waarin (eventueel) getuigen en/of deskundigen kunnen worden gehoord, is daarvoor dan ook de aangewezen weg.

4.13.

Het door [eiseres]opgeworpen beroep op verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW kan verder onbesproken blijven, nu de voorwaarde waaronder dit beroep is ingesteld, te weten voor het geval zou worden aangenomen dat er in het onderhavige geval sprake zou zijn van een bruikleenovereenkomst, niet is vervuld. Los daarvan geldt dat in het geval sprake zou zijn van een overeenkomst van bruikleen, [eiseres]geen bezitter van Roquera I kan zijn geworden en van verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW geen sprake kan zijn.

4.14.

Een wederzijdse belangenafweging - die volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ook dient plaats te vinden als wel aannemelijk zou zijn dat [gedaagde] geen vordering heeft - kan [eiseres]evenmin baten. Immers, nu er naast het ten laste van [eiseres]gelegde conservatoire beslag tot afgifte geen sprake is van een gerechtelijke bewaring valt niet in te zien dat [eiseres](bovenmatig) wordt belemmerd door het gelegde beslag, terwijl het belang van [gedaagde] bij handhaving van het gelegde beslag, gelet op het vorenoverwogene en vanwege het feit dat roerende zaken zonder veel formaliteiten kunnen worden vervreemd of bezwaard, evident is. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat in art. 453a Rv is bepaald welke handelingen van de beslagene niet aan de beslaglegger kunnen worden tegengeworpen. Daarbij wordt niet bepaald dat de beslagen zaken niet door de beslagene mogen worden gebruikt, terwijl ook niet wordt bepaald dat de beslagen zaken niet mogen worden verplaatst. De beslagene dient er wel voor te zorgen dat de zaken niet aan het beslag worden onttrokken omdat dan sprake zou zijn van schending van art. 198 Sr.

4.15.

Op grond van het voorgaande zal het conservatoire beslag tot afgifte (in beginsel) gehandhaafd blijven en wordt de vordering tot opheffing van het beslag niet (zondermeer) toegewezen. Echter, in de gegeven omstandigheden acht de voorzieningenrechter een voorwaardelijke veroordeling tot opheffing van het gelegde beslag op zijn plaats (afhankelijk van het stellen van een bankgarantie door [eiseres]ten gunste van [gedaagde] ter hoogte van € 10.000,--, inclusief rente en kosten), nu [gedaagde] ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat zij niet in staat is om [eiseres], indien mocht blijken dat het door haar gelegde conservatoire beslag tot afgifte onterecht is gelegd, schadeloos te stellen. In het geval [gedaagde] op 15 augustus 2014 voor 16.00 uur ten gunste van [eiseres]geen bankgarantie conform het Rotterdams model heeft gesteld voor voormeld bedrag van € 10.000,-- dient het beslag tot afgifte derhalve te worden opgeheven. Deze bankgarantie zal de (mogelijke) vordering van [eiseres]op [gedaagde] dienen te secureren, waarbij geldt dat die bankgarantie eerst hoeft te worden teruggegeven als in de aanhangige bodemzaak onherroepelijk ten gunste van [gedaagde] is beslist dan wel op een vordering tot schadevergoeding – welke vordering binnen een maand nadat [eiseres]in de aanhangige bodemzaak onherroepelijk gelijk heeft gekregen dient te worden ingesteld - als gevolg van een beslag ten onrechte onherroepelijk is beslist. Mitsdien zal er een voorziening worden getroffen zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.

4.16.

Nu partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het door [gedaagde] op 2 april 2014 ten laste van [eiseres]gelegde conservatoir beslag tot afgifte op het paard Roquera I en haar veulens Don Diego en Solana onder de opschortende voorwaarde dat door [gedaagde] niet voor 15 augustus 2014 te 16.00 uur ten gunste van [eiseres]een bankgarantie wordt gesteld voor een bedrag van € 10.000, door een Nederlandse bank conform het Rotterdams model,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014.