Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4158

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
AWB-14_983
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 12, tweede en derde lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2013 schrijft het verzenden van een aangetekende herstel-verzuim-brief voor alvorens tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep mag worden overgegaan. De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/983 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2014 in de zaak van

[opposant], te [woonplaats], opposant,

gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 juni 2014.

Procesverloop

Bij uitspraak van 4 juni 2014 heeft de rechtbank het beroep van opposant (eiser in beroep) niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep richtte zich tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Overwegingen

1.

De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat opposant het griffierecht niet tijdig heeft betaald.

2.

In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak van 4 juni 2014 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3.

Opposant heeft - voor zover thans van belang - aangevoerd dat hem ten onrechte niet de mogelijkheid is geboden het verzuim van het niet betaald hebben van griffierecht te herstellen. Weliswaar is op 21 maart 2014 een nota griffierecht aan hem verzonden, welke binnen 14 dagen diende te zijn voldaan, maar ten onrechte is nagelaten na het verstrijken van die termijn een aangetekende herinneringsbrief aan hem te zenden. Gesteld is dat opposant het griffierecht op 4 april 2014, en derhalve tijdig, heeft voldaan.

4.

Uit de gedingstukken blijkt dat na de verzending van de nota griffierecht op

21 maart 2014 en nadat de daarin gestelde termijn was verstreken het beroep niet-ontvankelijk is verklaard bij genoemde uitspraak van 4 juni 2014, terwijl opposant geen mogelijkheid is geboden het verzuim van het niet betalen van griffierecht te herstellen. Artikel 12, leden 2 en 3, van de Procesregeling bestuursrecht, zoals dit destijds luidde, maar na de inwerkingtreding van de Procesregeling 2013 is blijven luiden, schrijft het verzenden van een dergelijke aangetekende herstel-verzuim-brief echter voor alvorens tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep mag worden overgegaan.

5.

Gezien het voorgaande dient het verzet gegrond te worden verklaard. De uitspraak van

4 juni 2014 vervalt en het onderzoek in de beroepsprocedure zal worden voortgezet in de stand waarin dit zich bevond.

6.

Hetgeen overigens nog is aangevoerd zal, gelet op de gegrondverklaring van het verzet, verder onbesproken blijven.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit, rechter, in aanwezigheid van D.T. de Winter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.