Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4155

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
28-07-2014
Zaaknummer
C/01/268922 / HA ZA 13-704
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:1933, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Eigendomsoverdracht onroerende zaak op executieveiling. Terugwerkende kracht vernietiging vonnis in hoger beroep beperkt. Beschikkings(on)bevoegdheid executant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2014/114

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/268922 / HA ZA 13-704

Vonnis van 23 juli 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Lanaken, België,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.M.H.J. Colen te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Oeffelt, gemeente Boxmeer,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. L.V. Claassens te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser]en [gedaagde]genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van 22 januari 2014 met de daarin vermelde processtukken, waarbij een comparitie van partijen is gelast,
    - de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 juni 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

Op 21 februari 2001 is [eiser]eigenaar geworden van het perceel grond gelegen aan de [adres] te [plaats], kadastraal bekend als gemeente Maastricht sectie T nummer 75, groot 24 aren en 90 centiaren (hierna: het weiland).

2.2.

[eiser]was tevens eigenaar van het complex De Zonnehof, gelegen aan de Molenweg 2 te Maastricht. Het complex grenst aan het weiland. Op 2 juni 2004 heeft [eiser]het complex verkocht aan [naam 1] B.V. en [naam 2] B.V. voor een prijs van € 1.500.000,-. Aan [eiser]is een bedrag van € 1.000.000,- uitbetaald.

2.3.

Op 2 juli 2009 hebben [naam 1] B.V. en [naam 2] B.V. de overeenkomst met [eiser]ontbonden. [eiser]is gesommeerd tot terugbetaling van het bedrag van € 1.000.000,-. Het gestelde recht op terugbetaling is door de B.V.’s gecedeerd aan 3.L. Projectontwikkeling B.V. (hierna: 3L).

2.4. 3

L heeft bij de rechtbank Maastricht een vordering ingesteld tegen [eiser]tot terugbetaling van het bedrag van € 1.000.000,-. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 16 februari 2011 heeft de rechtbank Maastricht de vordering van 3L toegewezen. [eiser]heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

2.5. 3

L heeft het vonnis geëxecuteerd middels beslaglegging op het complex De Zonnehof en het weiland en beide percelen ter executieveiling van 12 april 2012 aangeboden. De door [eiser]ter voorkoming van de executie ingestelde vordering in kort geding is afgewezen.

2.6.

Op de executieveiling van 12 april 2012 is het weiland bij opbod verkocht.
Op 13 april 2012 is het weiland aan [gedaagde]gegund voor een bedrag van om en nabij
€ 20.000,- (€ 13.000,- voor het weiland vermeerderd met kosten).
Op 29 mei 2012 zijn het proces-verbaal van de veiling, de akte van gunning en de akte van kwijting ingeschreven in het hypotheekregister.

2.7.

Bij arrest van 16 juli 2013 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het hoger beroep van [eiser]tegen het vonnis van 16 februari 2011 gegrond verklaard en het vonnis van
16 februari 2011 vernietigd. De vorderingen van 3L zijn afgewezen. 3L heeft geen cassatieberoep ingesteld en de beslissing van het hof is onherroepelijk geworden.

2.8.

Op grond van de vernietiging van het vonnis van 16 februari 2011 heeft [eiser][gedaagde]gesommeerd tot teruggave van het weiland. [gedaagde]heeft hieraan geen gehoor gegeven.

2.9.

[eiser]heeft op 23 augustus 2013 conservatoir beslag gelegd op het weiland.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser]vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
A. Een verklaring voor recht dat [eiser]eigenaar is van het weiland;
B. Veroordeling van [gedaagde]om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis het weiland te ontruimen en ontruimd te houden en ter beschikking te stellen van [eiser], op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde]in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;
C. Waardeloos te verklaren de inschrijving ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers op 29 mei 2012 om 09:00 uur in register Onroerende Zaken Hyp4 in deel 61507 nummer 80 van
(i) de akte bijzondere veilingvoorwaarden beslagveiling, verleden door [naam 3]

, notaris te Sittard-Geleen op 3 april 2012,
(ii) het proces-verbaal van beslagveiling van [naam 3], notaris in de gemeente Sittard-Geleen, van 12 april 2012;
(iii) de akte van gunning, verleden door mr.[naam 4], kandidaat-notaris, als waarnemer van mr.[naam 4], notaris in de gemeente Valkenburg aan de Geul, op 13 april 2012;
(iv) de akte van kwijting, verleden door [naam 5], notaris in de gemeente Beek, op 25 mei 2012.
D. Veroordeling van [gedaagde]in de proceskosten, inclusief de beslagkosten.

3.2.

[gedaagde]voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde]vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiser]te gebieden binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot opheffing van het conservatoir beslag op het weiland op verbeurte van een dwangsom van
€ 25.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [eiser]na betekening van het vonnis in gebreke blijft;
II. Veroordeling van [eiser]tot betaling, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting, van een bedrag van € 34.000,- aan schadevergoeding;
III. Veroordeling van [eiser]tot betaling, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting, van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot een bedrag van € 6.050,- inclusief BTW;
IV. Veroordeling van [eiser]in de overige proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

3.5.

[eiser]voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De vraag die partijen verdeeld houdt, is of [gedaagde]in 2012 eigenaar is geworden van het weiland. [eiser]stelt dat de vernietiging van het vonnis van 16 februari 2011 en de terugwerkende kracht daarvan er toe heeft geleid dat 3L op het moment van de veiling niet (meer) bevoegd was om over het weiland te beschikken. [gedaagde]heeft daarom van een beschikkingsonbevoegde gekregen. [gedaagde]wordt niet beschermd door artikel 3:88 Burgerlijk Wetboek (BW), aldus [eiser]. [gedaagde]betwist voorgaand standpunt. Vernietiging van het vonnis heeft volgens [gedaagde]geen terugwerkende kracht en 3L was ten tijde van de veiling bevoegd over het weiland te beschikken. [gedaagde]stelt dat hij daarom eigenaar is geworden.



4.2. In het kader van bovenstaande vraag hebben partijen gediscussieerd over de vraag welke rechtsregels van toepassing zijn. Vastgesteld wordt dat zowel de regels van boek 3 BW als de regels van executoriale verkoop van onroerende goederen neergelegd in de artikelen 514 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing zijn. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2008, NJ 2008 / 66. Ook in het geval van een executoriale verkoop van onroerende goederen vindt de verkrijging plaats op grond van overdracht als bedoeld in artikel 3:80 lid 3 BW. Artikel 3:84 BW is dan ook van toepassing. Dit neemt niet weg dat Rv speciale regels omvat voor levering van bij executoriale verkoop verkochte (onroerende) goederen, in het bijzonder artikel 525 Rv.

4.3.

Voor overdracht van het weiland in de zin van 3:84 BW is vereist dat er sprake is van een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is om over het goed te beschikken. In dit geval was sprake van een levering krachtens geldige titel. Dit wordt gewaarborgd door artikel 525 lid 1 en 2 Rv waarin is bepaald dat de koper het recht op de ter veiling verkochte zaken verkrijgt door inschrijving van het proces-verbaal van toewijzing. Op dat moment gaat de eigendom over op de veilingkoper. De akte van gunning is hier, net als het proces-verbaal van veiling en de akte van kwijting op 29 mei 2012 ingeschreven in het hypotheekregister. Op dat moment is de eigendom overgegaan op [gedaagde], mits komt vast te staan dat 3L bevoegd was over het weiland te beschikken, zoals vereist door artikel 3:84 BW.

4.4.

Vast staat dat 3L vóór vernietiging van het vonnis in hoger beroep haar bevoegdheid om te executeren, ontleende aan het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 16 februari 2011. De vraag is of deze bevoegdheid is komen te ontvallen wegens vernietiging van het vonnis. Partijen zijn op dit punt verdeeld over de vraag of vernietiging van het vonnis terugwerkende kracht heeft.

4.5.

Uit arresten van de Hoge Raad (8 oktober 1976, NJ 1977 / 485, 14 maart 1980, NJ 1980 / 536, 10 april 1987, NJ 1987 / 972 en 11 februari 1994, NJ 1994 / 651) volgt dat vernietiging van een vonnis in hoger beroep in beginsel terugwerkende kracht heeft, op eenzelfde wijze als met de vernietiging van een rechtshandeling het geval is (ex artikel 3:53 BW). De centrale vraag in dit geding is of dit meebrengt dat moet worden aangenomen dat [gedaagde]heeft verkregen van een beschikkingsonbevoegde en of dit gebrek er toe leidt dat de eigendom niet op hem is overgegaan.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat 3L destijds aan het uitvoerbaar verklaarde vonnis van de rechtbank Maastricht d.d. 16 februari 2011 zonder meer de bevoegdheid ontleende executoriaal beslag te leggen en over te gaan tot veiling van het weiland. 3L had niet een eigen recht (eigendom) op de zaak en was dus niet uit dien hoofde beschikkingsbevoegd, maar ontleende aan het vonnis de wettelijke bevoegdheid te executeren. Door de inschrijving van het proces-verbaal van toewijzing in de openbare registers verkreeg [gedaagde]op grond van artikel 525 Rv vervolgens het recht op het verkochte weiland.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt de terugwerkende kracht van de vernietiging van het vonnis weliswaar mee dat in de verhouding tussen 3L en [eiser]de bevoegdheid tot executie ontbrak en maakt dat 3L op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad schadeplichtig jegens [eiser]voor de schadelijke gevolgen van de executie, maar daarmee is niet gegeven dat ook in verhouding jegens derden als [gedaagde]sprake was of is van een gebrek dat – achteraf bezien – aan eigendomsovergang in de weg staat. De vernietiging van het vonnis van de rechtbank Maastricht raakt naar het oordeel van de rechtbank – uitzonderlijke omstandigheden daargelaten – de door [gedaagde]verkregen eigendom niet, omdat in de verhouding tot [gedaagde]de bevoegdheid van 3L tot executie niet achteraf aan de hand van het tussen [eiser]en 3L gewezen arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 16 juli 2013, moet worden beoordeeld of bezien, maar slechts op het moment dat de eigendom ingevolge artikel 525 Rv overging, in casu dus op 29 mei 2012. Een ander oordeel zou in de verhouding ten opzichte van derden te zeer afbreuk doen aan het wettelijk systeem van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

4.7.

Voor zover voorgaande al anders zou zijn, geldt naar analogie van Hoge Raad 5 september 2008, JBPr 2008/52, m.nt. E. Loesberg, JOR 2008/320 m.nt. A Steneker (Forward / Huber), alsmede onder meer Hoge Raad 12 juli 2013, NJ 2014/273 dat wijzigingen in de rechtstoestand als gevolg van de executie als voormeld geëerbiedigd moeten worden en dat de vernietiging van het vonnis van de rechtbank Maastricht daarom niet tot gevolg kan hebben dat [gedaagde]de eigendom niet heeft verkregen. Indien een tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis succesvol ingesteld hoger beroep aan [gedaagde]zou kunnen worden tegengeworpen, loopt [gedaagde]het risico dat het op een later moment wegvallen van de bevoegdheid tot executie in de verhouding tussen 3L en [eiser]met zich meebrengt dat hij gehouden is het weiland (om niet) aan [eiser]terug te geven, omdat [eiser]zich dan met succes op zijn eigendomsrecht zou kunnen beroepen. In deze situatie zou het recht dat [gedaagde]na inschrijving heeft verworven op het weiland te zeer worden beperkt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de eisen van het rechtsverkeer en de rechtszekerheid meebrengen dat de rechten van veilingkopers als [gedaagde], die geen specifieke wettelijke bescherming genieten – artikel 3:88 BW vindt in dit geval geen toepassing, omdat het niet gaat om ongeldigheid van een vroegere overdracht en de bepalingen omtrent de executoriale verkoop van onroerende zaken in Rv geven evenmin bescherming aan de veilingkoper – dienen te worden beschermd. Daarbij is niet van belang of [gedaagde]ten tijde van de koop op de veiling wist of moest weten dat hoger beroep was ingesteld tegen het vonnis van 16 februari 2011.



4.8. Uit het bovenstaande volgt dat aan alle eisen voor overdracht is voldaan conform artikel 525 Rv juncto artikel 3:84 BW. [gedaagde]is dan ook op 29 mei 2012 eigenaar geworden van het weiland. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser]worden afgewezen.

4.9.

[eiser]zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde]worden veroordeeld. Voor een veroordeling van [eiser]in de integrale proceskosten zoals [gedaagde]heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding. Niet kan worden vastgesteld dat [eiser]willens en wetens een onjuist standpunt heeft ingenomen en daarmee [gedaagde]onrechtmatig in rechte heeft betrokken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
De kosten aan de zijde van [gedaagde]worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 274,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.178,00

4.10.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

4.11.

In reconventie gaat het om de vraag of [eiser]ten onrechte beslag heeft gelegd op het weiland en zo ja, of [eiser]gehouden is de door [gedaagde]gestelde geleden schade te vergoeden.



4.12. Uit hetgeen in conventie is vastgesteld, volgt dat het door [eiser]gestelde recht – het eigendomsrecht op het weiland – niet bestond op het moment dat hij beslag heeft gelegd op het weiland. Het beslag is dan ook ten onrechte gelegd. [eiser]heeft hiermee toerekenbaar onrechtmatig gehandeld jegens [gedaagde]. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel op dit punt zouden moeten leiden. [eiser]is dan ook in beginsel gehouden de schade te vergoeden die [gedaagde]heeft geleden als gevolg van het op het weiland gelegde beslag.

4.13.

De schadevergoeding die [eiser]verschuldigd is als gevolg van het onrechtmatig gelegde (en gehandhaafde) beslag dient te worden berekend door vergelijking van de situatie waarin [gedaagde]als gevolg van de beslaglegging daadwerkelijk verkeert met de situatie waarin [gedaagde]zou hebben verkeerd indien het beslag niet was gelegd en gehandhaafd (Hoge Raad 8 juli 2011, NJ 2011 / 309).
stelt dat hij het weiland op 2 mei 2013 heeft verkocht aan [naam 6] voor een bedrag van € 45.000,-. Door het beslag kon [gedaagde]het weiland niet op de overeengekomen datum van 1 oktober 2013 leveren waardoor [naam 6] aanspraak heeft gemaakt op de overeengekomen contractuele boete van 20% van de koopsom, in totaal
€ 9.000,-, en de koopovereenkomst heeft ontbonden. Door de ontbinding is hij de winst die hij had kunnen maken van € 25.000,- misgelopen, aldus [gedaagde].
[eiser]betwist de gestelde koopovereenkomst. Volgens hem is de overeenkomst vals. [eiser]voert hiertoe aan dat de raadsman van [gedaagde]bij confraternele brief van
12 september 2013 enkel vage mededelingen heeft gedaan over de koopovereenkomst, dat de overeenkomst tekst bevat die alleen kan zijn opgesteld door een notaris terwijl het kennelijk een onderhandse akte betreft, dat de naam en handtekening van de echtgenote van [gedaagde]ontbreken terwijl dat volgens artikel 8 van de overeenkomst wel vereist is,
dat in artikel 5 lid 3 van de overeenkomst staat vermeld dat [gedaagde]geen 20% maar 10% aan contractuele boete is verschuldigd en ten slotte dat het onwaarschijnlijk is dat [gedaagde]een leverdatum van zes maanden na de verkoopdatum afspreekt. [eiser]betwist verder de schadeberekening van de gemiste winst. Ten slotte doet [eiser]een beroep op het handelen in strijd met de schadebeperkingsplicht door [gedaagde].

Koopovereenkomst


4.14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser]de stelling van [gedaagde]dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen onvoldoende gemotiveerd betwist. De door [eiser]aangehaalde omstandigheden zijn op zichzelf en in samenhang bezien onvoldoende om aan te nemen dat de koopovereenkomst vals is, zeker gelet op het feit dat er, zoals ter zitting gesteld door [gedaagde]en niet weersproken door [eiser], bij het opstellen van de koopovereenkomst gebruik is gemaakt van een standaardtekst waarin alleen de getallen zijn gewijzigd. Als vaststaand wordt dan ook aangenomen dat er op 2 mei 2013 tussen [gedaagde]en [naam 6] een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het weiland.



Contractuele boete


4.15. Uit artikel 3 van de overeenkomst volgt dat [gedaagde]het weiland op 1 oktober 2013 had moeten leveren. Indien hij daarmee in verzuim raakt, is hij volgens artikel 5 lid 3 van de overeenkomst een contractuele boete verschuldigd. In de tekst van artikel 5 lid 3 is een contractuele boete van 10% (tien procent) uitgeschreven terwijl tussen haakjes daarachter een percentage van 20% staat vermeld. Ter comparitie heeft [gedaagde]verklaard dat hij wegens de lage verkoopprijs een contractuele boete van 20% met [naam 6] heeft afgesproken en dat het feit dat het niet helemaal correct staat verwoord in de overeenkomst is veroorzaakt door het feit dat hij gebruik heeft gemaakt van een standaardakte waarbij alleen de getallen zijn gewijzigd. De stelling van [gedaagde]dat een boete van 20% is afgesproken, wordt ondersteund door de door hem overgelegde brieven van [naam 6] d.d. 2 oktober 2013 en 23 oktober 2013, de inhoud waarvan door [eiser]niet, althans onvoldoende, is betwist. Uit de brieven blijkt dat [naam 6] aanspraak maakt op de contractuele boete tot een bedrag van € 9.000,-. Vastgesteld wordt dan ook dat [gedaagde]
dat tussen [gedaagde]en [naam 6] een contractuele boete van 20% van de koopsom, in totaal een bedrag van € 9.000,- is afgesproken en dat [gedaagde]deze verschuldigd was als gevolg van het niet kunnen leveren van het weiland op 1 oktober 2013. Uit het door [gedaagde]overgelegde en door [eiser]niet betwiste betalingsbewijs blijkt verder dat [gedaagde]het bedrag van € 9.000,- heeft betaald aan [naam 6].
Omdat het niet kunnen leveren van het weiland op 1 oktober 2013 in rechtstreeks verband staat met het door [eiser]ten onrechte gelegde beslag, is [eiser]gehouden het bedrag van
€ 9.000,- aan [gedaagde]te vergoeden. Dit onderdeel van de vordering is dan ook toewijsbaar.



Gemiste winst


4.16. De wijze van schadeberekening van [gedaagde]met betrekking tot de gestelde gemiste winst, inhoudende berekening van het verschil tussen aankoopprijs en overeengekomen verkoopprijs, wordt niet gevolgd. Zoals hiervoor overwogen gaat het bij de schadevaststelling om vergelijking van de situatie waarin [gedaagde]daadwerkelijk verkeert als gevolg van de beslaglegging met de situatie waarin beslaglegging niet zou hebben plaatsgevonden. De situatie waarin [gedaagde]daadwerkelijk verkeert is dat de verkoop van het weiland niet is doorgegaan en hij geen bedrag van € 45.000,- heeft ontvangen. Aan de andere kant is hij nog steeds eigenaar van het weiland en bevindt het weiland zich nog in zijn vermogen. De situatie waarin beslaglegging niet zou hebben plaatsgevonden, zou er toe hebben geleid dat [gedaagde]een bedrag van € 45.000,- zou hebben ontvangen voor het weiland en dat hij niet langer eigenaar van het weiland was geweest. Om de schade vast te stellen die [gedaagde]eventueel heeft geleden, dient te worden vastgesteld wat de actuele waarde is van het weiland. Deze waarde dient vervolgens te worden vergeleken met de overeengekomen verkoopprijs van € 45.000,-. Dit om vast te stellen of [gedaagde]schade heeft geleden en zo ja, tot welk bedrag.

4.17.

Ter zitting hebben beide partijen verklaard de exacte waarde van het weiland niet te kunnen aangeven. De rechtbank zal partijen daarom bij akte in de gelegenheid stellen zich op dit punt uit te laten. Indien de situatie zich voordoet dat hiervoor door partijen niet de gewenste duidelijkheid kan worden verschaft en de rechtbank op dat punt vooralsnog niet tot een definitief oordeel kan komen, zal hoogstwaarschijnlijk een deskundigenonderzoek nodig zijn naar de actuele waarde van het weiland. Partijen zullen bij de hiervoor bedoelde akte daarom tevens in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.

4.18.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van agrarische objecten en dat de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:
1. Wat is de actuele verkoopwaarde in het economisch verkeer van het weiland?
2. Welke factoren zijn van belang (geweest) bij de waardebepaling en in hoeverre zijn deze factoren daarin meegewogen?
3. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

4.19.

De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [gedaagde]moeten worden betaald.

Schadebeperkingsplicht

4.20.

Het beroep van [eiser]op de schadebeperkingsplicht wordt verworpen. Het karakter van de aansprakelijkheid die op [eiser]rust na het leggen van een onterecht beslag verdraagt zich in beginsel niet met het verwijt dat processuele mogelijkheden aan de zijde van [gedaagde]onbenut zijn gelaten. Bovendien heeft [eiser]niet weersproken dat hij er tijdig schriftelijk van op de hoogte is gesteld door de raadsman van [gedaagde]dat [gedaagde]het weiland had verkocht aan een derde en dat levering op 1 oktober 2013 zou moeten plaatsvinden. Derhalve had [eiser]alle gelegenheid zelf zijn procespositie te bepalen.

Kostenveroordeling


4.21. Ook in reconventie heeft [gedaagde]gevorderd [eiser]te veroordelen in de daadwerkelijk door [gedaagde]gemaakte proceskosten. [gedaagde]wordt hierin hoe dan ook niet gevolgd, met verwijzing naar wat op dit punt in conventie is vastgesteld
(overweging 4.9.).

4.22.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

Hoger beroep

4.23.

Indien één van partijen dan wel beide partijen tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis wil(len) instellen, hoeft daarvoor geen toestemming te worden verleend. Volgens vaste rechtspraak kan wanneer een vonnis in conventie uit een eindvonnis bestaat en in reconventie uit een tussenvonnis (of omgekeerd) terstond hoger beroep worden ingesteld van het gehele vonnis (zie ook Hoge Raad 25 juni 2010, LJN BM3914, RvdW 2010 / 807.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser]in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde]tot op heden begroot op € 1.178,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser]in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser]niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 augustus 2014 voor het nemen van een akte door [gedaagde]over hetgeen is vermeld onder 4.17., 4.18. en 4.19., waarna de wederpartij op de rol van 4 weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.L. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.