Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4153

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
01/997021-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor 6 economische delicten (kort gezegd asbest gerelateerde feiten) en valsheid in geschrift. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verdachte negeerde stelselmatig aanwijzingen van autoriteiten. Hield zich niet aan een voorlopige maatregel (WED). Milieu en gezondheidsbelangen van medemensen in het geding. Motief geldelijk gewin.

Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/122 met annotatie van D. van der Meijden
Milieurecht Totaal 2014/5871
M en R 2014/140

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/997021-09

Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 20/002250-08

Datum uitspraak: 23 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1953],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 december 2012, 13 januari 2014 en 9 juli 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 september 2012. Ter terechtzitting van 13 januari 2014 is de behandeling van de onder 1 tot en met 7 aan verdachte ten laste gelegde feiten afgesplitst van de behandeling van de onder 8 en 9 ten laste gelegde feiten alsmede de aanhangige ontnemingsvordering. Ter terechtzitting van 9 juli 2014 zijn derhalve alleen de onder 1 tot en met 7 aan verdachte ten laste gelegde feiten behandeld. Dit vonnis ziet dan ook enkel op die feiten.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 9 juli 2014 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 maart 2009 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, terwijl aan [persoon 1] door Burgemeester en Wethouders van genoemde gemeente bij besluit van 5 juli 2005 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres 2], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 11 en/of 28 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers was in strijd met voorschrift 14.4.1, asbest(houdend) afval niet onmiddellijk verpakt in afgesloten niet-luchtdoorlatend, van voldoende sterkte, kunststof verpakkingsmateriaal en/of was in strijd met voorschrift 14.4.5 de container waarin asbest en/of asbesthoudend afval was opgeslagen niet op duidelijke wijze van de in dat voorschrift genoemde aanduidingen voorzien; (Zaak 2)

2.

hij op of omstreeks 27 en/of 31 mei 2010 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, in elk geval binnen het grondgebied van Nederland, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en/of b van de verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers heeft hij afvalstoffen, te weten asbestcement, althans asbesthoudende afvalstoffen, overgebracht van Nederland naar België, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of (schriftelijke) toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; (Zaak 5) (Artikel 10.60 van de Wet milieubeheer)

3.

hij op of omstreeks 27 en/of 28 juli 2010, te Budel in de gemeente Cranendonck, op het perceel [adres 3], tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in risicoklasse 2 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, de volgende handelingen heeft verricht en/of doen verrichten

  • -

    het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van (een) bouwwerk(en) of object(en), terwijl in dat/die bouwwerk(en) en/of object(en) asbest of een asbesthoudend product was verwerkt en/of

  • -

    asbest en/of asbesthoudende producten verwijderen uit een of meer bouwwerken en/of objecten,

terwijl hij en/of voornoemde ander(en) daarbij niet handelde(n) in de uitoefening van een bedrijf en/of niet (een) bedrijf/bedrijven was/waren dat/die in het bezit was/waren van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid van bovengenoemd besluit; (Zaak 6) (Artikel 6, eerste lid sub a en/of b van het Asbestverwijderingsbesluit 2005)

4.

hij op of omstreeks 27 en/of 28 juli 2010, althans in of omstreeks de maand juli 2010, te Maarheeze en/of Budel, in de gemeente Cranendonck, althans in Nederland, opzettelijk een begeleidingsbrief (dossierpagina 6049) en/of een Melding Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling (dossierpagina 6045 en 6046), zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in die begeleidingsbrief vermeld dat [bedrijf 1] ontdoener was van asbesthoudend afval en/of dat [bedrijf 2] ontvanger was van asbesthoudend afval en/of dat het transport van asbesthoudend afval geschiedde onder afvalstroomnummer [nummer 1] en/of in die Melding Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling heeft vermeld dat [bedrijf 1] toen gebruik maakte van KOMO-certificaat met nummer AV-167/1 met het oogmerk om voormelde begeleidingsbrief en/of Melding als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken; (Zaak 6) (Artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht)

5.

hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2009 tot en met 1 juli 2010 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging althans alleen, al dan niet opzettelijk, terwijl aan [persoon 1] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck bij besluit van 5 juli 2005 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres 2] te Maarheeze, kadastraal bekend gemeente Maarheeze, [nummer 2], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 11 en/of 28 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers heeft hij in strijd met voorschrift 1.1.1. van voornoemde vergunning binnen de inrichting 250 m3, althans meer dan 35 m3, asbesthoudend materiaal aanwezig gehad; (995202/10) (Artikel 18.18 van de Wet milieubeheer)

6.

hij op of omstreeks 1 juli 2010 te Maarheeze, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres 2] gelegen inrichting, zinde een inrichting genoemd in Categorie 11 en/of 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit behorende bijlage I, heeft veranderd en/of de werking daarvan heeft veranderd, ten aanzien van de opslag van ongeveer 20 blikken lak van ongeveer 20 liter; (995021/10) (Artikel 8.1 van de Wet milieubeheer)

7.

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2010 tot en met 29 september 2010 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, - nadat aan verdachte vanwege de Officier van Justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch, ingevolge artikel 28 van de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen zich te onthouden van het (doen) verplaatsen, aanroeren, bewerken, verwerken en/of verplaatsen van het binnen de inrichting ([adres 2] te Maarheeze) aanwezige asbest en welke voorlopige maatregel verdachte op 2 juli 2010 in persoon was betekend - meermalen, in elk geval eenmaal, opzettelijk heeft gehandeld, en/of opzettelijk heeft nagelaten in strijd met die voorlopige maatregel, immers heeft verdachte (telkens) toen daar opzettelijk bedoeld asbest verpakt of laten verpakken en/of in containers geladen of laten laden en/of de containers met asbest uit de inrichting verwijderd of laten verwijderen; (Zaak 7) (Artikel 33 van de Wet op de economische delicten)

Voor zover in de gewijzigde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

Op de in de pleitnota weergegeven gronden heeft de raadsman van verdachte geconcludeerd dat de dagvaarding ten aanzien van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten nietig moet worden verklaard omdat de aan verdachte verweten gedraging telkens zo ruim en weinig concreet is geformuleerd dat de dagvaarding ten aanzien van die feiten strijdig is met artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij zowel het onder 1 als het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feit worden concrete data en concrete feitelijke handelingen vermeld, die door verdachte zelf zouden zijn uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onder 1 en onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feiten daarmee voldoende duidelijk en concreet geformuleerd en voldoet de dagvaarding aan de daaraan door artikel 47 van de Wet op de economische delicten in samenhang met de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat zij, uit de wijze waarop door en namens verdachte de verdediging is gevoerd, afleidt dat het voor verdachte en zijn raadsman glashelder was wat verdachte werd verweten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt de rechtbank het door verdachte gevoerde verweer dat de dagvaarding ten aanzien van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten, nietig moet worden verklaard. De dagvaarding voldoet ook overigens ten aanzien van de onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten aan alle wettelijke eisen die aan een dagvaarding worden gesteld.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling

De zaak met parketnummer 20/002250-08 is aangebracht bij vordering van de officier van justitie van 26 september 2012. Deze vordering heeft betrekking op het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 november 2008 waarbij verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

De officier van justitie heeft op de in het schriftelijk requisitoir weergegeven gronden geconcludeerd dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Op de in de pleitnota nader omschreven gronden heeft de verdediging geconcludeerd dat de verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.1

Bij besluit van 5 juli 2005 is door de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck aan mevrouw [persoon 1], [adres 2] te Maarheeze, vergunning verleend voor een inrichting (opslag van bouwmaterialen, zand, grind en asbest) gelegen aan het [adres 2] te Maarheeze.2 Deze inrichting waarvoor deze vergunning is verleend valt onder categorie 11 en 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.3Aan die vergunning is een aantal voorschriften gekoppeld.

Een deel van die voorschriften heeft betrekking op de wijze waarmee met asbesthoudend materiaal moet worden omgegaan. Meer concreet is daarover in hoofdstuk 14.4 van de voorschriften het navolgende bepaald.4

14.4.1: Asbest(houdend) afval dient onmiddellijk te worden verpakt in afgesloten niet-

luchtdoorlatend, van voldoende sterkte, kunststof verpakkingsmateriaal […..]

14.4.5: De afgesloten container of opslagplaats zoals bedoeld in de voorschriften waarin asbest en asbesthoudend afval is opgeslagen, moet op duidelijke wijze van onderstaande aanduidingen zijn voorzien: “Asbesthoudend afval” en “Bij ondeskundige handeling kan een voor de gezondheid schadelijke stof vrijkomen” en “Zakken en container gesloten houden”.

Op 18 maart 2009 bevindt [verbalisant 1] zich op de locatie [adres 2] te Maarheeze, gemeente Cranendonck. Op het buitenterrein van die locatie vindt opslag van afvalstoffen plaats. Bij nader onderzoek ziet [verbalisant 1] op het buitenterrein een blauwe afvalcontainer staan. Hij ziet dat op deze afvalcontainer geen asbestgevaaraanduiding is geplaatst. Ook ziet hij dat in die afvalcontainer opslag van onverpakt materiaal, bestaande uit golfplaten en stukken van gebruikte rookkanalen plaatsvond. Van de aangetroffen situatie zijn foto’s gemaakt.5

Nadat de [getuige 1] foto 3, pag. 2014, is getoond bevestigt deze dat de containers er bij hebben gestaan zoals [verbalisant 1] heeft waargenomen en dat dit materiaal van verdachte was.6

Van het in de afvalcontainer aangetroffen materiaal heeft [verbalisant 1] monsters genomen. Deze monsters heeft hij ter analyse aangeboden aan [bedrijf 3] (verder: [bedrijf 3]).7 [bedrijf 3] heeft de door [verbalisant 1] toegezonden monsters onderzocht. Als resultaat van dit onderzoek heeft [bedrijf 3] vastgesteld dat het rookkanaal 5-10% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevat, dat een van de golfplaten 5-10% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) en 2-5% hechtgebonden crocidoliet (blauw asbest) bevat en dat een andere golfplaat 10-15% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevat.8

Op 8 april 2009 is [persoon 1] over deze constateringen gehoord. Zij heeft toen verklaard dat zij eigenaar van het perceel [adres 2] te Maarheeze is. Ten tijde van haar verhoor had zij dit perceel aan [bedrijf 4] verhuurd. De eigenaar van dit sloopbedrijf is – aldus [persoon 1] – verdachte [verdachte]. Met de bedrijfsvoering van [bedrijf 4] bemoeit [persoon 1] zich niet.9 Deze verklaring heeft zij bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 20 februari 2013 bevestigd. Bij dat verhoor heeft zij verder verklaard dat verdachte de milieuvergunning heeft aangevraagd, dat verdachte alles regelde en dat hij op het [adres 2] de dienst uitmaakte.10

Verdachte zelf heeft eveneens verklaard de vergunning te hebben aangevraagd, samen met zijn secretaresse, en dat hij dit heeft gedaan op naam van [persoon 1].11

De verklaring van [persoon 1] wordt bevestigd door de verklaring van de [getuige 1]. Hij heeft verklaard dat verdachte alle beslissingen nam, dat verdachte de leidinggevende was en dat verdachte alles regelde.12 Ook [getuige 2], werkzaam bij het [bedrijf 5], heeft zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten waar hij verklaart dat verdachte altijd zijn aanspreekpunt was voor zaken met betrekking tot het perceel [adres 2] te Maarheeze.13 Tenslotte heeft verdachte zelf verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op het perceel [adres 2] te Maarheeze.14

Ook heeft verdachte bij zijn verhoor door de politie nog verklaard dat in de blauwe container die op dit terrein van het [adres 2] te Maarheeze stond, op 18 maart 2009 asbest is aangetroffen. Daarvan is [bedrijf 4] tot het faillissement op 19 december 2007 eigenaar geweest. Verdachte was de enig bestuurder van [bedrijf 4]. De in de afvalbak aangetroffen asbest is afkomstig van verschillende locaties van verschillende sloopwerken die door [bedrijf 4] in 2007 zijn uitgevoerd. De aangetroffen afvalcontainer werd gebruikt als verzamelbak voor resten asbest. Doordat na de terugkomst van een sloopwerk iedere keer asbest in de afvalcontainer werd gegooid, is het asbest nooit verpakt opgeslagen denk ik.15 Bij de behandeling van deze zaak op de zitting van 9 juli 2014 heeft verdachte nog verklaard dat hij van alle ins en outs van het omgaan met asbest op de hoogte is, en dat hij bij de aanvraag van de milieuvergunning voor de locatie aan het [adres 2] te Maarheeze betrokken is geweest en hij heeft nogmaals bevestigd dat hij de enige bestuurder van [bedrijf 4] was.16

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken omdat niet verdachte, maar ofwel [persoon 1] als vergunninghouder en eigenaar van het perceel [adres 2] te Maarheeze, danwelde eigenaar van de op dat perceel aanwezige voorwerpen en goederen, te weten [bedrijf 4] tot haar faillissement in 2007 en na dit faillissement de curator, verantwoordelijk zijn voor de naleving van de vergunningvoorschriften.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank, dat het verdachte is op wie de vergunningvoorschriften zien. Verdachte had immers de vergunning zelf aangevraagd, zij het op naam van [persoon 1], was op de hoogte van de inhoud van de vergunningvoorschriften geldend voor de locatie [adres 2] te Maarheeze, hij was belast met de naleving van die vergunningvoorschriften, hij was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken van de inrichting en hij was degene die de daarmee samenhangende beslissingen nam.

Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte dus ook op 18 maart 2009 degene die verantwoordelijk was voor de feitelijke gang van zaken op de locatie [adres 2] te Maarheeze en voor de naleving van de vergunningvoorschriften op die locatie. Het faillissement van [bedrijf 4], waarvan verdachte de enige bestuurder was doet daaraan niet af. Ook na dit faillissement bleef verdachte degene die verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op deze locatie zoals verdachte bij een van zijn verhoren zelf ook heeft verklaard.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 aan verdachte ten laste is gelegd, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.17

Verdachte wordt verweten dat hij op 27 mei 2010 en/of 31 mei 2010 asbesthoudende afvalstoffen van Nederland naar België heeft gebracht zonder daarvan kennis aan de aan de autoriteiten te hebben gegeven of daarvoor toestemming te hebben gekregen.

De [getuige 3], eigenaar/directeur van [bedrijf 6], heeft verklaard dat hij vanaf 2006 in Nederland asbestsaneringen voor verdachte uitvoert omdat verdachte niet langer in het bezit was van het daarvoor benodigde procescertificaat. Verdachte is de opdrachtgever, [getuige 3] voert de asbestsanering uit en verdachte zorgt zelf voor de afzet van het asbest.

Verdachte plaatst daartoe een container en [getuige 3] doet het verpakte asbest daarin. Vanaf dat moment is het asbest eigendom van verdachte en zorgt verdachte ervoor dat het asbest op de stortplaatsen komt. Nadat in januari 2010 de storttarieven voor asbest behoorlijk waren verhoogd, vroeg [getuige 3] naast facturen ook om stortbonnen. Daaruit bleek [getuige 3] dat verdachte het asbest naar een stortplaats in België bracht, te weten [bedrijf 7] in Hasselt. [getuige 3] was het daarmee niet eens omdat het volgens hem niet was toegestaan asbest uit Nederland in België te storten. Daarna heeft [getuige 3] geen asbest meer naar verdachte gebracht. Op verzoek van [getuige 3] heeft [bedrijf 7] stortbonnen van asbesttransporten naar [getuige 3] gezonden.18, 19, 20

De [getuige 1] heeft de feitelijke gang van zaken bevestigd. Hij heeft verklaard dat verdachte de containers met asbest vanaf de saneringslocatie van [getuige 3] naar het [adres 2] te Maarheeze bracht en dat de containers daar werden neergezet.21 Zeker twee keer heeft verdachte zelf het asbest van Maarheeze naar [bedrijf 7] gebracht.22

Uit de stortbonnen blijkt dat [bedrijf 8] op 27 mei 2010 en 31 mei 2010 met behulp van een vrachtauto voorzien van het kenteken [kenteken] gebonden asbest bij [bedrijf 7] heeft gestort waarbij als herkomst is vermeld diverse werven van [bedrijf 9].23 Dat er met gebruikmaking van bedoelde vrachtauto stortingen hebben plaatsgevonden bij [bedrijf 7] wordt ondersteund door de uitkomst van het onderzoek van de tachograafschijf van de op 27 mei 2007 met deze vrachtauto uitgevoerde ritten. Daaruit blijkt dat die dag met dit voertuig identieke ritten zijn uitgevoerd van industrieterrein de Engelsman te Maarheeze, Nederland, naar Houthalen-Helchteren, België. Op 27 mei 2010 werd tweemaal van Nederland naar België gereden en tweemaal van België naar Nederland. Blijkens de informatie op de tachograafschijf zijn er tijdens genoemde ritten geen tussenstops geweest waarbij in België asbest geladen zou kunnen zijn.24

Op 3 juni 2010 heeft [bedrijf 8] een factuur aan [bedrijf 6] gezonden. Deze factuur heeft betrekking op het vervoer van asbest door [bedrijf 8] voor [bedrijf 6] naar [bedrijf 7] België op 27 mei 2010 en 31 mei 2010.25 Verdachte is vanaf 16 september 2008 bestuurder van [bedrijf 8].26

Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 mei 2010 en 31 mei 2010, onder de vlag van [bedrijf 8], met een door hem bestuurde vrachtauto voorzien van het Belgische kenteken [kenteken], asbest afkomstig van asbestsaneringsprojecten van het bedrijf van [getuige 3], [bedrijf 6], naar [bedrijf 7] in België heeft vervoerd. Van deze transporten is geen kennisgeving of melding aan de autoriteiten gedaan.27

Verdachte heeft echter gesteld dat dit asbest afkomstig is van Belgische saneringsprojecten van [getuige 3] en dat er dus geen melding van die transporten hoefde te worden gemaakt omdat het getransporteerde asbest niet uit Nederland afkomstig was, maar uit België zelf. Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat dit onderdeel van de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit.28

Op 30 mei 2010 heeft [persoon 2] een sloopvergunning aangevraagd voor de sloop van een woonboerderij gelegen aan de [adres 3] te Budel. In de aanvrage wordt melding gemaakt dat er bij de sloop asbesthoudend sloopafval vrij zal komen omdat uit onderzoek is gebleken dat asbesthoudende platen deel van het dak uitmaken.29

Op 17 juni 2010 is door [bedrijf 10] een inventarisatie uitgevoerd voor totaalsloop/renovatie van het dakbeschot op het woonhuis op het adres [adres 3] te Budel waarbij de asbesthoudende materialen in kaart zijn gebracht. Daarbij is gebleken dat het dakbeschot op het dak van het woonhuis asbesthoudend materiaal van risicoklasse 2 bevat met een omvang van circa 185m2. Materiaalanalyse heeft aangetoond dat het dakbeschot 5-10% chrysotiel bevat en hechtgebonden is.30

Voor de uitvoering van deze sloopwerkzaamheden is een offerte uitgebracht door [bedrijf 11]. Deze offerte is door verdachte ondertekend en houdt zakelijk weergegeven onder meer in een prijsopgave voor de verwijdering van een asbest dakbeschot. In de offerte wordt nader uitgelegd op welke wijze met de asbesthoudende materialen zal worden omgegaan.31

Op 23 juli 2010 is door vergunninghouder [persoon 2] een formulier “start sloop” ingediend voor het starten van de sloopwerkzaamheden op 26 juli 2010. Op 28 juli 2010 heeft [persoon 3], handhaver bij de gemeente Cranendonck, de slooplocatie aan de [adres 3] te Budel bezocht. Hij heeft toen geconstateerd dat er al begonnen was met het verwijderen van de asbesthoudende delen van het dakbeschot. Bij het betreden van het terrein treft [persoon 3] verdachte en [getuige 1] aan. Desgevraagd overhandigt verdachte diverse documenten aan [persoon 3]. Uit die documenten blijkt onder meer dat [bedrijf 1] de uitvoerder van de verwijderingswerkzaamheden was. Vervolgens heeft [persoon 3] onderzoek ingesteld naar de vraag of [bedrijf 1] gecertificeerd was deze werkzaamheden uit te voeren. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat [bedrijf 1] een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf was.32

Dit wordt bevestigd door de verklaring die de [getuige 4] heeft afgelegd. Hij heeft echter ook verklaard dat de geldigheid van het eens aan [bedrijf 1] verleende asbestverwijderingscertificaat op 14 december 2004 is opgeschort voor de duur van een half jaar, en dat dit certificaat daarna is ingetrokken omdat door [bedrijf 1] voor 5 april 2005 geen corrigerende maatregelen waren doorgevoerd.33

[bedrijf 1] was voorafgaand aan de verweten gedragingen in staat van faillissement verklaard.34

De [getuige 1] heeft verklaard dat hij samen met verdachte een asbestsanering heeft gedaan aan de [adres 3] in Budel. Terwijl zij bezig waren met het verwijderen van de asbestplaten van het dakbeschot kwam er iemand van de gemeente op het moment dat zij bijna klaar waren met het uitvoeren van die werkzaamheden. Nadat de gemeenteambtenaar was vertrokken heeft verdachte tegen [getuige 1] gezegd dat verdachte helemaal geen asbest mocht verwijderen. Naderhand heeft [getuige 3] de klus afgemaakt. De werkzaamheden zijn in twee dagen uitgevoerd.35 Dit wordt bevestigd door de verklaring die [getuige 3] heeft afgelegd.36

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 3 aan verdachte ten laste is gelegd, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit.37

In het dossier bevindt zich een begeleidingsbrief waarop staat vermeld dat [bedrijf 1], [adres 2] te Maarheeze de ontdoener is van asbesthoudende afval, afkomstig van de locatie [adres 3] en dat het transport op 29 juli 2010 zal aanvangen. Deze begeleidingsbrief is door verdachte ondertekend.38 Tevens bevindt zich in het dossier een Melding Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling. In deze melding staat vermeld dat [bedrijf 1] een (asbestverwijderings)bedrijf is, dat gebruik maakt van het KOMO-certificaat met nummer AV167/1 en dat dit bedrijf (hoofd)aannemer is van het asbestverwijderingswerk in opdracht van [persoon 2] te Budel en dat de werkzaamheden op 28 juli 2010 zullen starten. Deze melding is gedateerd 28 juli 2010 en is door verdachte ondertekend.39

Verdachte heeft erkend dat deze formulieren in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Uit de door de [getuige 1],40 de getuige[getuige 3]41 en de verdachte42 afgelegde verklaringen blijkt dat niet [bedrijf 1] de ontdoener van het afval is geweest omdat dit bedrijf al in 2007 failliet was verklaard, maar het bedrijf van [getuige 3], [bedrijf 6], en voorts dat [bedrijf 1] na het faillissement niet langer een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf was.

Dit wordt bevestigd door de verklaring van de [getuige 4]. Hij heeft verklaard dat de geldigheid van het aan [bedrijf 1] verleende asbestverwijderingscertificaat op 14 december 2004 is opgeschort voor de duur van een half jaar en dat dit certificaat daarna is ingetrokken omdat door [bedrijf 1] voor 5 april 2005 geen corrigerende maatregelen waren doorgevoerd.43

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 4 aan verdachte ten laste is gelegd, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven

Ten aanzien van de onder 5 en onder 6 ten laste gelegde feiten.44

Bij besluit van 5 juli 2005 is door de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck aan mevrouw [persoon 1], [adres 2] te Maarheeze, vergunning verleend voor een inrichting (opslag van bouwmaterialen, zand, grind en asbest) gelegen aan het [adres 2] te Maarheeze.45 Deze vergunning valt onder meer onder categorie 11 en 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.46 Aan die vergunning zijn onder meer de navolgende voorschriften verbonden.47

  • -

    voorschrift 1.1.1.: Binnen de inrichting mogen ten hoogste de volgende hoeveelheden grond- en hulpstoffen aanwezig zijn: [……..] 35m3 asbest platen/buizen; [……].

  • -

    voorschrift 1.1.9.: Ingeval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 3 maanden), bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving moeten worden afgevoerd.

Bij een controle op 29 juni 2010 ziet [persoon 4], een medewerker van de milieudienst [bedrijf 5], tijdens een bedrijfsbezoek aan de locatie [adres 2] te Maarheeze, op het buitenterrein en in de bedrijfshal 18 zogenaamde big bags staan met daarin vermoedelijk asbest. Tijdens deze controle was [persoon 4] in het gezelschap van verdachte. Verdachte bevestigde tijdens dit bezoek dat er asbest in deze big bags zat. Ook ziet [persoon 4] tonnen met afval staan afkomstig uit een voormalige autospuiterij.48 Van deze situatie zijn foto’s gemaakt.49

Op 1 juli 2010 omstreeks 10.00 uur is [verbalisant 2], vergezeld door onder meer [persoon 4] voornoemd en medewerkers van [bedrijf 3] , naar voormelde locatie aan het [adres 2] te Maarheeze gegaan. Tijdens de rondgang over het bedrijf ziet [verbalisant 2] dat de situatie zoals [persoon 4] die op 29 juni 2010 heeft geconstateerd, nog steeds bestaat. Ook [verbalisant 2] constateert de aanwezigheid van 18 big bags waarin asbest is opgeslagen. Bij de vaten waarvan verdachte bij de controle op 29 juni 2010 tegen [persoon 4] had verteld dat daarin afval van een autospuiterij zat, geurde het– aldus [verbalisant 2] – naar verfoplosmiddel.50

Bij nader onderzoek is vastgesteld dat de 18 big bags met asbest bestonden uit 14 big bags met een inhoud van ongeveer 17m3 en 4 kleinere partijen van elk ongeveer 2 m3. Op 29 juni 2010 en 1 juli 2010 was derhalve ongeveer 250m3 asbest aanwezig op de locatie [adres 2] te Maarheeze. Tijdens het bezoek aan voormelde locatie zijn door medewerkers van [bedrijf 3], een geaccrediteerd laboratorium voor onderzoek aan asbest, 22 monsters genomen van het asbestverdachte materiaal. Uit door [bedrijf 3] verricht onderzoek bleek dat 21 van die 22 monsters hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevatten.51 Uit nader onderzoek bleken voorts de vaten die naar verfoplosmiddel geurden 20 blikken van 20 liter met lak te zijn, geëtiketteerd ADR klasse 9.52

De hiervoor genoemde bevindingen worden bevestigd door de verklaring van [getuige 1], destijds werkzaam op de locatie [adres 2] te Maarheeze. Hij heeft verklaard dat er in 2009 en 2010 teveel asbest, en lak afkomstig van een spuiterij op de locatie waren opgeslagen. Nadat de lak een jaar lang op het terrein opgeslagen had gestaan, heeft [getuige 1] de lak naar de milieustraat gebracht.53

Zowel bij zijn verhoor door de politie als ter terechtzitting van 9 juli 2014 heeft verdachte erkend dat op 29 juni 2010 en 1 juli 2010 op de locatie [adres 2] te Maarheeze, de door [verbalisant 2] en [persoon 4] aangetroffen big bags met asbesthoudende materialen en 20 blikken verf aanwezig waren. Verdachte heeft verklaard dat het asbest aan verschillende, inmiddels failliet verklaarde bedrijven toebehoorde die op voormelde locatie waren gevestigd. Verdachte heeft toen ook verklaard dat hij de dagelijkse leiding op deze locatie heeft, dat hij verantwoordelijk is voor het toezicht op het terrein en in de gebouwen en dat hij zorg draagt voor de naleving van de voorschriften uit de geldende vergunning Wet milieubeheer.54

De rechtbank is van oordeel, zoals hiervoor onder feit 1 uiteengezet, dat verdachte

ook in de periode van 18 maart 2009 tot en met 1 juli 2010 degene was die verantwoordelijk was voor de feitelijke gang van zaken op de locatie [adres 2] te Maarheeze en voor de naleving van de vergunningvoorschriften aldaar.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 5 en onder feit 6 aan verdachte ten laste is gelegd, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde feit.55

Op 2 juli 2010 heeft de officier van justitie aan verdachte kennis gegeven van de – op grond van artikel 28 van de Wet op de economische delicten bevolen – voorlopige maatregel dat verdachte zich met ingang van het moment van uitreiking van deze kennisgeving zal onthouden van het (doen) verplaatsen, aanroeren, bewerken, verwerken en/of verplaatsen van het binnen de inrichting gelegen aan het [adres 2] te Maarheeze aanwezige asbest anders dan na voorafgaande goedkeuring van -, en onder toezicht van de gemeente Cranendonck en het Regionaal Milieuteam Politie Brabant Zuid-Oost.56 Op 2 juli 2010 is deze voorlopige maatregel aan verdachte uitgereikt en met hem besproken.57, 58

Op 17 september 2010 heeft het Regionaal Milieuteam van de gemeente Cranendonck een melding ontvangen waaruit bleek dat op maandag 20 september 2010 een asbestverwijdering plaats zou gaan vinden ter plaats van het [adres 2] te Maarheeze. Deze verwijdering zou worden uitgevoerd door [bedrijf 6] (verder ook: [bedrijf 6]). Op 23 september 2010 bleek uit contacten tussen de gemeente Cranendonck en [bedrijf 6] dat het asbest op de locatie aan het [adres 2] te Maarheeze [opnieuw] was verpakt en in containers was geplaatst. Op 24 september 2010 zijn verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter plaatse gegaan. Op de openbare weg [adres 2], zien hij twee containers staan, gevuld met materiaal verpakt in wit plastic. Het witte plastic was op meerdere plaatsen gescheurd. Door de gescheurde gedeeltes zag [verbalisant 3] asbestverdacht plaatmateriaal.59 Enige tijd later op diezelfde dag werd geconstateerd dat de twee containers niet meer op de openbare weg [adres 2] stonden maar waren verplaatst naar het terrein [adres 2],

Vervolgens hebben [verbalisant 2] en [verbalisant 3] met verdachte gesproken en is een kopie van de voorlopige maatregel met parketnummer 01/995021-10 aan verdachte uitgereikt, waarna de inhoud van die maatregel met hem is besproken. Omdat het vermoeden bestond dat de inhoud van de witte plastic zakken in de aangetroffen containers het asbesthoudend materiaal betrof dat op 1 juli 2010 op de locatie werd aangetroffen, heeft verdachte desgevraagd het asbestinventarisatierapport aan [verbalisant 2] overhandigd.60 Hieruit bleek dat het materiaal in de containers asbest bevatte.61

Bij brief van 24 september 2010 heeft [verbalisant 2] verdachte er nogmaals op gewezen dat het hem, gelet op de tegen hem bevolen voorlopige maatregel, was verboden het aanwezige asbest zonder goedkeuring van de gemeente Cranendonck en het Regionaal Milieuteam Politie Brabant Zuid-Oost te verplaatsen.62

Als reactie op een aantal faxen van verdachte van 28 september 2010, waarin hij melding maakte dat hij roerende zaken vanaf het terrein aan het [adres 2] te Maarheeze op de openbare weg had geplaatst63, zijn verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op 29 september 2010 ter plaatse gegaan. Daar zag [verbalisant 3], op de openbare weg rond het terrein [adres 2] te Maarheeze, in totaal tien containers staan, gevuld met materiaal verpakt in wit plastic.64

Bij het verhoor van verdachte door de politie op 30 september 2010 en ter terechtzitting van 9 juli 2014 heeft verdachte dit feit erkend. Verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 28 september 2010 op 29 september 2010 containers met verpakt asbest buiten de inrichting heeft gezet, dat hij dit op 28 september 2010 via een aantal faxen aan de gemeente Cranendonck, de politie en de curator heeft aangekondigd en dat hij waar hij in die faxen over roerende goederen heeft gesproken, onder andere heeft gedoeld op containers die verpakt asbest bevatten.65

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 7 aan verdachte ten laste is gelegd, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 18 maart 2009 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, terwijl aan [persoon 1] door Burgemeester en Wethouders van genoemde gemeente bij besluit van 5 juli 2005 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres 2], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 11 en 28 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich opzettelijk, heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers was in strijd met voorschrift 14.4.1, asbesthoudend afval niet onmiddellijk verpakt in afgesloten niet-luchtdoorlatend, van voldoende sterkte, kunststof verpakkingsmateriaal en was in strijd met voorschrift 14.4.5 de container waarin asbest en asbesthoudend afval was opgeslagen niet op duidelijke wijze van de in dat voorschrift genoemde aanduidingen voorzien;

2.

op 27 en 31 mei 2010 binnen het grondgebied van Nederland handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en/of b van de verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers heeft hij afvalstoffen, te weten asbestcement, althans asbesthoudende afvalstoffen, overgebracht van Nederland naar België, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of (schriftelijke) toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening;

3.

op 27 en 28 juli 2010, te Budel in de gemeente Cranendonck, op het perceel [adres 3], opzettelijk, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in risicoklasse 2 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, de volgende handelingen heeft verricht en doen verrichten

  • -

    het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk, terwijl in dat bouwwerk asbest of een asbesthoudend product was verwerkt en

  • -

    asbest en asbesthoudende producten verwijderen uit een bouwwerk,

terwijl hij daarbij niet handelde in de uitoefening van een bedrijf dat in het bezit was van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid van bovengenoemd besluit;

4.

in of omstreeks de maand juli 2010, in de gemeente Cranendonck, opzettelijk een begeleidingsbrief en een Melding Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling, zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende hij, verdachte toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in die begeleidingsbrief vermeld dat [bedrijf 1] ontdoener was van asbesthoudend afval en in die Melding Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling heeft vermeld dat [bedrijf 1] toen gebruik maakte van KOMO-certificaat met nummer AV-167/1 met het oogmerk om voormelde begeleidingsbrief en/of Melding als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

5.

in de periode van 18 maart 2009 tot en met 1 juli 2010 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, opzettelijk, terwijl aan mevrouw [persoon 1] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck bij besluit van 5 juli 2005 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres 2] te Maarheeze, kadastraal bekend gemeente Maarheeze, [nummer 2], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 11 en 28 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan voormelde vergunning, immers heeft hij in strijd met voorschrift 1.1.1. van voornoemde vergunning binnen de inrichting ongeveer 250 m3, althans meer dan 35 m3, asbesthoudend materiaal aanwezig gehad;

6.

op 1 juli 2010 te Maarheeze opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres 2] gelegen inrichting, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 11 en 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit behorende bijlage I, heeft veranderd door de opslag van ongeveer 20 blikken lak van ongeveer 20 liter;

7.

in de periode van 28 september 2010 tot en met 29 september 2010 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, - nadat aan verdachte vanwege de Officier van Justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch, ingevolge artikel 28 van de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen zich te onthouden van het (doen) verplaatsen, aanroeren, bewerken, verwerken en/of verplaatsen van het binnen de inrichting ([adres 2] te Maarheeze) aanwezige asbest en welke voorlopige maatregel verdachte op 2 juli 2010 in persoon was betekend, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met die voorlopige maatregel, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk bedoeld asbest verpakt of laten verpakken en in con-tainers geladen of laten laden en de containers met asbest uit de inrichting verwijderd of laten verwijderen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en vordert dat verdachte daarvoor zal worden veroordeeld een gevangenisstraf van twaalf maanden, onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit, en zich verder niet uitgelaten over een eventueel aan verdachte op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het nadeel van verdachte weegt mee.

De onderhavige feiten heeft verdachte gedurende een langere periode gepleegd. Uit het bewezen verklaarde handelen van verdachte blijkt van een groot gebrek aan respect voor het milieu en de gezondheidsbelangen van zijn medemensen. Verdachte was niet gecertificeerd als asbestverwijderaar. Dat dit mogelijk (lang geleden) anders is geweest doet daaraan niet af. Asbestsanering is gelet op de grote risico’s voor de volksgezondheid aan strikte regels gebonden. Verdachte heeft die – hem welbekende - regels doelbewust genegeerd, waarbij verdachte louter door financiële motieven lijkt te zijn gedreven. Gelet op het aantal bewezen verklaarde feiten en het tijdsbestek waarin die feiten zich hebben afgespeeld is het handelen van verdachte als stelselmatig en hardnekkig te betitelen.. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank het gegeven dat verdachte reeds eerder veroordeeld voor overtreding van de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer, feiten soortgelijk aan de hiervoor onder 1 en onder 6 bewezen verklaarde feiten. Uit de bewezenverklaarde feiten en verdachtes attitude blijkt voorts een nagenoeg ontbrekend respect voor aanwijzingen en beslissingen van de autoriteiten en negeert hij ook die stelselmatig.

In het voordeel van verdachte weegt mee.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank, gelet op de veroordeling van verdachte door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 juni 2011, rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Ook zal de rechtbank er rekening mee houden dat de verweten en bewezen verklaarde feiten zich reeds langere tijd geleden hebben voorgedaan.

De strafmodaliteit.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen, enerzijds om de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds om door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan. De rechtbank ziet in het langdurige en stelselmatige karakter van de bewezenverklaarde feiten aanleiding om de proeftijd te bepalen op drie jaren.

Conclusie.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd van twaalf maanden, onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen omdat de feiten waarop de veroordeling van verdachte in voormeld arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 november 2008 is gebaseerd, zodanig lang geleden hebben plaatsgevonden (1997-2003) dat de rechtbank het niet opportuun oordeelt thans nog de gevorderde tenuitvoerlegging te gelasten, temeer nu de vordering gestoeld is op het plegen van nieuwe strafbare feiten die ook reeds weer langere tijd zijn geleden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 63, 91 en 225 van het Wetboek van Strafrecht,

1, 1a, 2, 6, 28, 33 en 87 van de Wet op de economische delicten,

1.1, 8.1, 9.2.2.1, 10.60, 18.18 en 22.2 van de Wet milieubeheer,

2, onder 35, van de Verordening EEG nr. 1013/2006,

1, 6 en 13 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.

DE UITSPRAAK

Verklaart de onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd [artikel 2 onder 35, van de Verordening EEG nr. 1013/2006).

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde feit.

Valsheid in geschrift.

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1., eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van het onder 7 bewezen verklaarde feit.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 33 van de Wet op de economische delicten (artikel 28 van de Wet op de economische delicten).

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van de onder 1 tot en met 7 bewezen verklaarde feiten.

 Een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot zes maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van drie jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Afwijzing van de vordering met parketnummer 20/002250-08 van de officier van justitie van 26 september 2012.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 9 juli 2014.

1 In de voetnoten wordt ten aanzien van dit feit - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, bovenregionale recherche Zuid Nederland, proces-verbaalnummer 228C090081/126 [zaaksdossier 2, onderzoek BRZ-81], afgesloten op 8 juni 2011.

2 De aan mevrouw [persoon 1] verleende vergunning krachtens de Wet milieubeheer, pag. 2047.

3 De beschikking op de aanvrage van [persoon 1] voor een milieuvergunning, pag. 2040.

4 Vergunningvoorschriften voor de omgang met asbest, pag. 2072.

5 Het relaas van [verbalisant 1] inclusief foto’s, pag. 2011, 2012 en 2013

6 De verklaring van [getuige 1], pag. P2069 van het persoonsdossier [getuige 1].

7 Het relaas van [verbalisant 1], pag. 2011, 2012 en 2013.

8 Het rapport van [bedrijf 3] onder nummer MO-EBE-0000619 van 20 maart 2007, pag. 2026, 2027 en 2028.

9 De verklaring van mevrouw [persoon 1], pag. 2020.

10 De verklaring van mevrouw [persoon 1], proces-verbaal verhoor rechter-commissaris van 20 februari 2013 pag. 2.

11 Proces verbaal zitting 9 juli 2014

12 De verklaring van [getuige 1], pag. 2106 en 2107.

13 De verklaring van [getuige 2], pag. 2104.

14 De verklaring van verdachte, pag. P1056 van het persoonsdossier van [verdachte].

15 De verklaring van verdachte, pag. 2014.

16 De verklaring verdachte ter terechtzitting van 9 juli 2014 afgelegd.

17 In de voetnoten wordt ten aanzien van dit feit - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, bovenregionale recherche Zuid Nederland, proces-verbaalnummer 228C090081/129 [zaaksdossier 5, onderzoek BRZ-81], afgesloten op 20 juni 2011.

18 De verklaring van [getuige 3], pag. 5025, 5026 en 5027

19 Een brief van 31 mei 2010 van [bedrijf 6] BV aan [bedrijf 8] t.a.v. van verdachte, pag. 5062.

20 Een e-mail van 15 juli 2010 van [bedrijf 6] aan de milieudienst [bedrijf 5], pag. 5046 en 5047.

21 De verklaring van [getuige 1], P2040 van het persoonsdossier van [getuige 1].

22 De verklaring van [getuige 1], proces-verbaal verhoor rechter-commissaris van 20 februari 2013 pag. 2.

23 Stortbonnen van [bedrijf 7], voor asbeststortingen door [bedrijf 8] op 27 mei 2010 en 31 mei 2010, pag. 5040 t/m 5044.

24 Een proces-verbaal tachograafschijfonderzoek, pag. 5146.

25 Een factuur van 3 juni 2010 van [bedrijf 8] aan [bedrijf 6], pag. 5119 en 5120

26 Een uittreksel van de Kruispuntbank van Ondernemingen, pag. 5018 en 5022.

27 De verklaring van verdachte, pag. P1133 en P1134 van het procesdossier van [verdachte] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 juli 2014.

28 In de voetnoten wordt ten aanzien van dit feit - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, bovenregionale recherche Zuid Nederland, proces-verbaalnummer 228C090081/130 [zaaksdossier 6, onderzoek BRZ-81], afgesloten op 20 juni 2011.

29 De aanvrage sloopvergunning voor de woonboerderij gelegen aan de [adres 3] te Budel, pag. 6089 t/m 6094.

30 De asbestinventarisatierapportage van [bedrijf 10] van 17 juni 2010, pag. 6111, 6115 en 6121.

31 De offerte van [bedrijf 11], pag. 6136 en 6137.

32 Het verslag locatiebezoek opgemaakt door [persoon 3], pag. 6058

33 De verklaring van [persoon 5], medewerker van [bedrijf 12], pag. 6292.

34 Uitspraak 4 april 2007, P6007

35 De verklaring van [getuige 1], pag. P2045 en P2046 van het persoonsdossier van [getuige 1].

36 De verklaring van [getuige 3], pag. P3010 en P3011 van het persoonsdossier van [getuige 3].

37 In de voetnoten wordt ten aanzien van dit feit - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, bovenregionale recherche Zuid Nederland, proces-verbaalnummer 228C090081/130 [zaaksdossier 6, onderzoek BRZ-81], afgesloten op 20 juni 2011.

38 De begeleidingsbrief ontdoening asbesthoudend afval, pag. 6135.

39 De Melding Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling, pag. 6045

40 De verklaring van [getuige 1], pag. P2049 en P2050 van het persoonsdossier van [getuige 1].

41 De verklaring van [getuige 3], pag. P3010 van het persoonsdossier van [getuige 3].

42 De verklaring van verdachte, pag. P1036, P1047, P1048, P1052 en P1053 van het persoonsdossier van [verdachte] en de door verdachte ter terechtzitting van 9 juli 2014 afgelegde verklaring.

43 De verklaring van [persoon 5], medewerker van [bedrijf 12], pag. 6292.

44 In de voetnoten wordt ten aanzien van dit feit - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, regionaal milieuteam, dossiernummer 2010-098029[parketnummer 01/995021-10], afgesloten op 21 juli 2010.

45 De aan mevrouw [persoon 1] verleende vergunning krachtens de Wet milieubeheer, pag. 0113.

46 De beschikking op de aanvrage van mevrouw [persoon 1] voor een milieuvergunning, pag. 0106.

47 Vergunningvoorschriften 1.1.1., pag. 0017 en 1.1.9., pag. 0018

48 De verklaring van [getuige 2], pag. 0035 en 006.

49 Fotomap, pag. 12 tot en met 19 en 24

50 Het relaas van [verbalisant 2], pag 0029 en 0030.

51 Het rapport van [bedrijf 3], pag. 0032 en 0033.

52 Het relaas van [verbalisant 2], pag. 0002.

53 De verklasring van [getuige 1], proces-verbaal verhoor rechter-commissaris van 20 februari 2013 pag. 2.

54 De verklaring van verdachte, pag. 0057 en 0058 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 juli 2014.

55 In de voetnoten wordt ten aanzien van dit feit - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, bovenregionale recherche Zuid Nederland, proces-verbaalnummer 228C090081/131 [zaaksdossier 7, onderzoek BRZ-81], afgesloten op 7 juni 2011.

56 De voorlopige maatregel van de officier van justitie ex artikel 28 van de Wet op de economische delicten, pag. 7025 en 7026.

57 Het relaas van verbalisant [verbalisant 3], pag. 7018.

58 De verklaring van verdachte, pag. 7070.

59 Het relaas van verbalisant [verbalisant 3] inclusief foto’s, pag. 7019 en 7020

60 Het relaas van verbalisant [verbalisant 3], pag. 7021.

61 Het asbestinventarisatierapport, pag. 7030.

62 De brief van [verbalisant 2] aan verdachte van 24 september 2010, pag. 7057.

63 Doc 128.045 -046 en -047, p. 7058-7060

64 Het relaas van verbalisant [verbalisant 3] inclusief foto’s, pag. 7021 en 7022.

65 De verklaring van verdachte, pag 7070 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 juli 2014.