Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:4061

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
01/865024-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan diefstal met geweld in vereniging gepleegd (gewapende overval in Empel). In de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte geen opzet had op het gebruik van geweld of dreiging daarmee. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 189 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact. Verdachte moet een deel van de schade mede vergoeden. Het bevel voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865024-13

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2014 en 8 juli 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 januari 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 oktober 2013 te 's-Hertogenbosch tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld en/of sieraden en/of

sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer]

[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] dreigend een mes

hebben/heeft getoond en/of voorgehouden en/of met kracht een of meerdere

sieraden van haar arm hebben/heeft getrokken en/of aan een (hals)ketting

hebben/heeft gerukt en/of haar (met kracht) in een stoel en/of op de grond

hebben/heeft geduwd en/of gegooid en/of daarbij op dreigende toon hebben/heeft

gezegd dat zij moest blijven liggen;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] of omstreeks 8 oktober 2013 te 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening hebben / heeft weggenomen geld en/of sieraden

en/of sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer]

[slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] die [slachtoffer] dreigend een mes hebben/heeft getoond

en/of voorgehouden en/of met kracht een of meerdere sieraden van haar arm

hebben/heeft gerukt en/of haar (met kracht) in een stoel en/of op de grond

hebben/heeft geduwd en/of gegooid en/of op dreigende toon hebben/heeft gezegd

dat zij moest blijven liggen,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 08

oktober 2013 te 's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk

behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met een auto te

vervoeren naar de plaats van het misdrijf, en/of die [medeverdachte 1] handschoenen te

geven en/of zich met een auto op te houden in de directe nabijheid van de

plaats van het misdrijf teneinde voor die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] de vlucht

mogelijk te maken en/of hen/hem weg te kunnen voeren vande plaats van het

misdrijf;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De rechtbank verbetert “te ’s-Hertogenbosch” in “in de gemeente ’s-Hertogenbosch”.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en concludeert tot vrijspraak.

De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de daders vervoerd naar Empel. Hij wist dat er geld gehaald ging worden en was al eerder door [medeverdachte 2] voor dit soort klusjes gevraagd. Hij heeft welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de daders een overval zouden plegen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe van verdachte acht zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en verzoekt verdachte van beide feiten vrij te spreken. Zij stelt dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van hetgeen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van plan waren te gaan doen in Empel. Hij heeft ze naar Empel gereden en pas achteraf vernomen wat er was gebeurd.

Vrijspraak.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouwe niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewijsoverweging 1

Ten aanzien van subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank baseert haar oordeel over de feitelijke gang van zaken op de navolgende bewijsmiddelen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op hun verzoek op 8 oktober 2013 met de auto heeft opgehaald en naar Empel heeft gebracht. [betrokkene] was daar ook bij. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij die dag door [medeverdachte 1] geappt was om contact op te nemen met [medeverdachte 2]. Dat heeft hij gedaan via facebook. [medeverdachte 2] zei hem toen dat hij geld moest halen en dat dat snel moest gebeuren. Hij vroeg of verdachte [medeverdachte 1] kon ophalen en of hij geld kon ophalen in Empel. (p.179)

Gevraagd naar de facebookgesprekken tussen hem en [medeverdachte 2] van 21 augustus 2013, 26 augustus 2013, 27 augustus 2013 en 7 september 2013 waarin telkens wordt gesproken over geld verdienen, verklaart [verdachte] op 17 oktober 2013 bij de politie (p. 171) dat [medeverdachte 2] wist waar koper lag. Dat konden ze inruilen en daar kregen ze geld voor. Ook verklaart hij dat hij de zaken waarmee [medeverdachte 2] zich bezig houdt niet allemaal vertrouwt.

[betrokkene] heeft op 13 oktober 2013 verklaard dat [verdachte] met [medeverdachte 2] had afgesproken. [betrokkene] moest de auto van [verdachte] halen. Met zijn drieën hebben ze [medeverdachte 1] opgehaald. [medeverdachte 2] vertelde hoe [verdachte] moest rijden. In de auto op de heenweg naar Empel werd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] steeds gekletst. Het ging over geld. [medeverdachte 2] zei tegen [medeverdachte 1] dat ze veel geld gingen halen. [medeverdachte 2] zat voorin naast [verdachte] en [medeverdachte 1] zat achterin naast [betrokkene] en achter verdachte. In Empel aangekomen zei [medeverdachte 2] dat ze zo terug waren en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn toen de auto uitgegaan. [verdachte] en hij hebben gewacht. Toen ging het snel. Ineens kwamen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de auto ingerend en [medeverdachte 2] zei: “Breng me naar huis, breng me naar huis”. (p.220)

Gelet op de posities in de auto (voorin links verdachte [verdachte] achter het stuur met rechts naast hem [medeverdachte 2], achterin [medeverdachte 1] achter [verdachte] en [betrokkene] achter [medeverdachte 2]) is het ongeloofwaardig dat [betrokkene] wel gehoord heeft wat [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 1] in de auto heeft gezegd en verdachte [verdachte], met wiens gehoor naar eigen zeggen niets mis was, niet.

De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft aangegeven dat eerdere facebook contacten tussen hem en [medeverdachte 2] gingen over het feit dat [medeverdachte 2] “wist dat er ergens koper lag”. Het is een feit van algemene bekendheid dat koper waarde heeft en niet langs de weg pleegt te liggen, zodat een en ander betekent dat verdachte zich er bewust van moet zijn geweest dat [medeverdachte 2] in die gevallen het voornemen had tot het wegnemen van koper van iemand anders, dus op diefstal. Hij vertrouwde de zaken waar [medeverdachte 2] zich mee bezighield ook niet.

Door op 8 oktober 2013 zonder nadere vragen te stellen het vervoer voor [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] te regelen in de wetenschap dat die geld moesten gaan halen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een diefstal zouden gaan plegen aanvaard. Dat hij zelf niet verder bij de directe uitvoering betrokken is en misschien ook niet veel details wilde weten, maakt dit niet anders. Door de daders behulpzaam te zijn door hen te vervoeren naar de plaats van een niet verder gedefinieerde diefstal en daar op hen te wachten, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid bij deze diefstal, die gepaard is gegaan met geweld en bedreiging met geweld. Niet is gebleken dat verdachte ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het gebruik van (dreiging met) geweld. De omstandigheid dat verdachte geweten moet hebben dat [medeverdachte 2] een mes bij zich had is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal met deze omstandigheid rekening houden bij de strafmaat.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 8 oktober 2013 in de gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met elkaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen geld en sieraden en sigaretten, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die [slachtoffer] dreigend een mes hebben getoond en/of voorgehouden en met kracht sieraden van haar arm

hebben gerukt en haar met kracht in een stoel en op de grond hebben geduwd en/of gegooid en op dreigende toon hebben gezegd dat zij moest blijven liggen,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 8 oktober 2013 in de gemeente
's-Hertogenbosch opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met een auto te vervoeren naar de plaats van het misdrijf en zich met een auto op te houden in de directe nabijheid van de plaats van het misdrijf teneinde voor die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de vlucht mogelijk te maken en hen weg te kunnen voeren van de plaats van het

misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De officier van justitie heeft gevorderd op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. De officier van justitie is bij de eis uitgegaan van wetenschap van de overval.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdediging heeft gewezen op de geringe rol van verdachte, de omstandigheid dat hij als een meeloper moet worden beschouwd, zijn naïviteit, het strafblad, zijn werk en jonge leeftijd en het positieve reclasseringsrapport. De raadsvrouwe heeft verzocht geen langere gevangenisstraf op te leggen dan het reeds ondergane voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] behulpzaam geweest bij het plegen van zeer ernstig strafbaar feit, te weten een gewelddadige overval op een weerloze hoogbejaarde vrouw. De rechtbank heeft echter aangenomen dat verdachte niet wist dat zij een overval zouden plegen. Bij de straftoemeting zal daarom worden uitgegaan van medeplichtigheid aan diefstal. Wel wordt bij de straftoemeting rekening gehouden met de omstandigheid dat het slachtoffer van die diefstal een 88 jarige vrouw was. Verdachte heeft dit voor lief genomen door geen enkele vraag te stellen toen de anderen spraken over snel en veel geld halen. Ook heeft hij gedeeld in de buit. Tenslotte vindt de rechtbank het kwalijk dat verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft getoond voor zijn daad of spijt betuigd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de door verdachte ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zal na te noemen bijzondere voorwaarde worden gekoppeld.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de materiële schade in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Voor wat betreft de immateriële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de rechtbank van oordeel is dat verdachte geen wetenschap heeft gehad dat de diefstal gepaard zou gaan met geweld. Het daardoor veroorzaakte leed kan aan verdachte in redelijkheid niet worden toegerekend.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en anderen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 48, 49, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Medeplichtigheid aan diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 189 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich binnen 5 dagen volgend op het vonnis zal melden bij Jeugdzorg & Reclassering van het Leger des Heils, gevestigd aan de Dr. Cuijperslaan 80, 5623 BB Eindhoven (telefoon 0880901140) en gedurende een door die reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 121,87 subsidiair 2 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], van een bedrag van EUR 121,87 (zegge: éénhonderd éénentwintig euro en zevenentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (posten 1 en 2).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalings-verplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door de daders is betaald.

De vordering van de benadeelde partij.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van EUR 121,87 (zegge: éénhonderd éénentwintig euro en zevenentachtig cent) materiële schadevergoeding (posten 1 en 2).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door de daders is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of (een van) de dader(s) heeft/hebben voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. De voorlopige hechtenis is op 18 januari 2014 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. Vos, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. E.W. van den Heuvel, leden,

in tegenwoordigheid van L.M.E. de Roo, griffier,

en is uitgesproken op 22 juli 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer wordt bedoeld het eindproces-verbaal van de politie Oost Brabant, met proces-verbaalnummer 21XO13055.