Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3865

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
01/845204-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek voorarrest voor twee diefstallen in vereniging met braak, een diefstal met geweld, een opzetheling en een wederspannigheid, waarbij een verbalisant zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/845204-14 en 01/860075-14 (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummer vordering: 01/845329-13

Datum uitspraak: 18 juli 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

thans gedetineerd te: PI Limburg Zuid - De Geerhorst.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 juli 2014.

Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte/veroordeelde, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak onder parketnummer 01/845204-14 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 mei 2014 en de zaak onder parketnummer 01/860075-14 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 juni 2014.

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/845204-14 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 maart 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning en/of een schuur gelegen aan de [adres 1] heeft weggenomen (onder andere) een bouwradio en/of een of meer flessen drank en/of gereedschap en/of een gereedschapskoffer en/of een reiskoffer en/of diverse etenswaren en/of een of meer telefoons, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming, te weten door het forceren van een (tuin)poort en/of (vervolgens) een (serre)deur, terwijl het feit werd gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 maart 2014 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, een bouwradio en/of een of meer flessen drank en/of gereedschap en/of een gereedschapskoffer en/of een reiskoffer en/of diverse etenswaren en/of een of meer telefoons heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormelde goederen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

artikel 417bis Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

hij op of omstreeks 21 maart 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit de navolgende personenauto's:

- een Renault Laguna twee althans een cd's en/of een telefoonoplader, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of;

- een Ford Focus een zonnebril (Polaroid) en/of een telefoonoplader, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4];

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten door het (telkens) inslaan althans forceren van (een) ruit(en) van die auto's;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 maart 2014 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, een zonnebril (Polaroid) en/of twee althans een telefoonoplader(s) en/of twee althans een cd's heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat goed(eren) wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

artikel 417bis Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf.ond a Wetboek van Strafrecht

hij in of omstreeks de periode van 17 maart 2014 tot en met 18 maart 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een personenauto (Kia Rio) heeft weggenomen een zonnebril (Ray Ban) en/of een jas (New Star) en/of 50 althans een of meer broek(en) (New Star), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten door het inslaan althans forceren van twee althans een ruit(en) van die auto;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 17 maart 2014 tot en met 21 maart 2014 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, een jas (New Star) en/of een of meer broek(en) (New Star) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die jas en/of broek(en) wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

artikel 417bis Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

hij op of omstreeks 20 maart 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een auto (Volkswagen Tiguan) heeft weggenomen een navigatiesysteem (TomTom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten door het inslaan althans forceren van een ruit van die auto;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 maart 2014 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, een navigatiesysteem (TomTom) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat navigatiesysteem wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

artikel 417bis Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

hij op of omstreeks 21 maart 2014 te Eindhoven toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] (beiden arrestantenverzorger) verdachte, die op verdenking van het overtreden van artikel 311/310 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, was aangehouden en overgebracht naar het politiebureau, hadden vastgepakt en/of vastgegrepen teneinde verdachte te onderwerpen aan een insluitingsfouillering, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig:

- te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die opsporingsambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden en/of;

- slaande en/of schoppende bewegingen te maken,

tengevolge waarvan [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een trauma (loszittend stukje bot en/of gescheurde banden) aan de linkerduim), althans enig lichamelijk letsel bekwam;

art 181 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/860075-14 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 september 2013 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid cocaïne, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 7], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het meermalen, althans eenmaal, slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 7] en/of het vastpakken van die [slachtoffer 7] en/of het aanleggen van een zogenaamde armklem om de nek van die [slachtoffer 7] en/of het ten val brengen van die [slachtoffer 7];

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/845329-13 is aangebracht bij vordering d.d. 27 mei 2014 2014, ingekomen d.d. 28 mei 2014, vanwege het schuldig maken aan een of meer strafbare feiten in de proeftijd zoals ten last gelegd in de dagvaarding met parketnummer 01/845204-14. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te Oost-Brabant

d.d. 19 augustus 2013. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de tenlastelegging onder parketnummer 01/845204-14 onder 3 primair, 3 subsidiair en 4 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Feit 3 primair en subsidiair

De officier van justitie heeft gerequireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder 3 primair. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de bij deze auto-inbraak weggenomen kleding onder verdachte is aangetroffen, dat verdachte een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de goederen en dat de modus operandi overeenkomt met de andere auto-inbraken op de tenlastelegging waar zij verdachte ook verantwoordelijk voor houdt.

De rechtbank overweegt het volgende.

Deze ten laste gelegde auto-inbraak heeft niet plaatsgevonden in de nacht van 20 op 21 maart 2014, te weten de nacht waarin verdachte is aangehouden en waarin meerdere auto-inbraken hebben plaatsgevonden op en in de omgeving van [adres 1] te Eindhoven, maar in de nacht van 17 op 18 maart 2014. Er is derhalve sprake van een tijdsverloop van meerdere dagen. Een deel van de bij onderhavige auto-inbraak weggenomen kleding is teruggevonden in de fietstas van één van de twee fietsen aangetroffen in de nabijheid van verdachte, maar het is niet duidelijk geworden of deze fiets toebehoorde aan verdachte en of verdachte op de hoogte was van de inhoud van de fietstas. Aangever [slachtoffer 5] heeft verklaard dat twee ruiten aan de linkerzijde van zijn auto zijn ingeslagen. Het inslaan van een ruit is niet zodanig bijzonder dat gesproken kan worden van een specifieke modus operandi die aan verdachte kan worden gelinkt, zoals door de officier van justitie is betoogd. Het dossier bevat naast het aantreffen van de kleding die enkele dagen eerder is weggenomen uit een auto geen andere bewijsmiddelen voor de betrokkenheid van verdachte bij deze auto-inbraak dan wel heling van die kleding. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van zowel het ten laste gelegde onder 3 primair als 3 subsidiair.

Feit 4 primair

De officier van justitie heeft gerequireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder 4 primair. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verbalisant de bij de opengebroken auto waargenomen man op een snorfiets heeft gevolgd, dat de verbalisant deze man in een steeg aantrof samen met de door verbalisant ambtshalve herkende verdachte, dat verdachte gezeten was op een fiets en dat in de fietstas het bij deze auto-inbraak weggenomen navigatiesysteem (TomTom) werd aangetroffen.

De rechtbank overweegt het volgende.

[verbalisant 3] heeft gerelateerd dat hij een man zag staan bij een hoog model witte auto. Hij hoorde dat deze man riep “ik zie je zo” of woorden van gelijke strekking. De man reed op een snorfiets/scooter. [verbalisant 3] heeft verder gerelateerd dat hij ter hoogte van waar de man had gestaan een opengebroken Volkswagen Tiguan zag staan. Deze auto bleek later eigendom te zijn van aangever [slachtoffer 6]. [verbalisant 3] is de snorfietser gevolgd en zag dat deze een steegje in reed. In het steegje zag [verbalisant 3] een ambtshalve bekende manspersoon staan, welke hij later met 100% zekerheid heeft herkend als zijnde verdachte. Verdachte was gezeten op een fiets met fietstassen. Verdachte keek verschrikt, aldus [verbalisant 3], liet zijn fiets vallen en vluchtte samen met de man op de snorfiets. In de fietstas werd vervolgens het bij deze auto-inbraak weggenomen navigatiesysteem (TomTom) aangetroffen. De rechtbank acht ten aanzien van de auto-inbraak onvoldoende komen vast te staan dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de man op de snorfiets, zodat verdachte daarvan niet als medepleger kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft hierbij gelet op de omstandigheid dat [verbalisant 3] enkel de man op de snorfiets bij de opengebroken auto heeft gezien en niet de verdachte en dat ook uit de overige bewijsmiddelen niet onomstotelijk de betrokkenheid van verdachte bij deze auto-inbraak blijkt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde onder 4 primair.

Bewijsoverwegingen.

01/845204-14

Feit 1 primair en feit 2 primair

De raadsvrouwe heeft verzocht verdachte van het ten laste gelegde onder 1 primair en 2 primair vrij te spreken, aangezien verdachte het ten laste gelegde heeft ontkend en dat, met uitzondering van de bij verdachte aangetroffen goederen, geen bewijsmateriaal naar verdachte zou leiden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op 21 maart 2014 omstreeks 04.32 uur wordt melding gemaakt van een auto-inbraak op [adres 1] te Eindhoven. De politie is snel ter plaatse. Aangever [slachtoffer 8] heeft verklaard dat de politie omstreeks 04.30 uur aanbelde bij zijn woning met de mededeling dat in zijn auto was ingebroken. De politie ziet een man in donkere kleding weg rennen. Deze man wordt gevolgd, maar uit het oog verloren. [verbalisant 4] gaat vervolgens door de wijk lopen en komt bij een braakliggend terrein met bebossing waar gebouwd wordt en treft verdachte aan, terwijl hij wegkruipt in de bossen. Verdachte wordt aangehouden om 05.40 uur. In de nabijheid van verdachte en in zijn kleding worden meerdere goederen aangetroffen, onder andere afkomstig van de woninginbraak ten laste gelegd onder 1 primair en de auto-inbraken ten laste gelegd onder 2 primair. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring afgelegd voor de aanwezigheid van die goederen. De verklaring van verdachte, dat hij zich in de bosjes had verstopt omdat hij iemand met een lamp zag en bang was dat ze hem zouden verdenken omdat hij allerlei spullen op straat had aangetroffen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank heeft daarbij gelet op het tijdstip dat de politie na de melding reeds in de wijk aanwezig was, zoals blijkt uit de verklaring van [slachtoffer 8], en het tijdstip dat verdachte werd aangehouden. Gelet op de tijdspanne tussen het zien wegrennen van een man bij het zien van het opvallend politievoertuig, het vervolgens na onderzoek in de omgeving aantreffen van verdachte in de betreffende woonwijk, midden in de nacht wegkruipend in de bosjes, de in de nabijheid van verdachte aangetroffen goederen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de persoon in donkere kleding betrof die de politie heeft zien wegrennen en dat hij de betreffende inbraken heeft gepleegd. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank acht verder komen vast te staan dat verdachte de feiten heeft gepleegd samen met een ander. De rechtbank heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden. Door getuigen zijn twee personen gezien, een man in een camouflagepak en een man in zwarte kleding, in de nabijheid van verdachte zijn twee fietsen aangetroffen, alwaar verdachte geen aannemelijke verklaring over heeft afgelegd en de bewezen geachte feiten hebben plaatsgevonden midden in de nacht in één straat, [adres 1] te Eindhoven. Gelet op dit alles, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking dat sprake is van medeplegen.

Feit 4 subsidiair

De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen ten aanzien van feit 4 primair. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich in de namiddag van 20 maart 2014 in Eindhoven schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van het navigatiesysteem (TomTom). Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte en het navigatiesysteem werden aangetroffen, het navigatiesysteem was immers kort tevoren nagenoeg onder het oog van [verbalisant 3] weggenomen bij een auto-inbraak, bevond zich vervolgens in een fietstas van een fiets die verdachte bestuurde, terwijl verdachte op dat moment in een steegje contact had met de steler van het systeem, aan het navigatiesysteem zat een zwart snoer, en verdachte achterop de scooter van de steler sprong bij het zien van en na een korte achtervolging door verbalisant [slachtoffer 6], is de rechtbank van oordeel dat verdachte willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het navigatiesysteem dat hij voorhanden had, van diefstal afkomstig was. De raadsvrouwe heeft nog aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat het navigatiesysteem eigendom is van aangever [slachtoffer 6]. De rechtbank verwerpt dit verweer. [slachtoffer 6] heeft verklaard dat het zijn navigatiesysteem betreft en het thuisadres dat in het navigatiesysteem was ingevoerd is het woonadres van [slachtoffer 6], alsmede het kentekenadres van de auto waaruit het navigatiesysteem werd weggenomen.

Feit 5

De raadsvrouwe heeft verzocht verdachte van dit feit vrij te spreken, aangezien verdachte het ten laste gelegde heeft ontkend, niemand heeft gezien dat verdachte de duim van [verbalisant 1] heeft geraakt en dat de camerabeelden niet beschikbaar zijn.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank acht gelet op de aangifte en de aanvullende verklaring van [verbalisant 1], het relaas van [verbalisant 2] en [verbalisant 5] en het medisch formulier omtrent het letsel van [verbalisant 1] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte verzet heeft gepleegd bij de insluitingsfouillering en dat [verbalisant 1] als gevolg van het handelen van verdachte duimletsel heeft opgelopen. [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij voelde dat verdachte zich opzettelijk en met kracht hevig begon te verzetten en trachtte te ontkomen aan de insluitingsfouillering. [verbalisant 1] heeft verder verklaard dat verdachte vervolgens naar een cel is gebracht alwaar hij naar de grond werd gebracht, omdat hij nog steeds niet mee wilde werken. Bij het verlaten van de cel begon verdachte direct schoppende bewegingen te maken naar de verbalisanten. [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij, bij het verlaten van de cel, direct een hevige pijn aan zijn linkerduim voelde. In het ziekenhuis bleek dat sprake was van een loszittend stukje bot en gescheurde banden. Het relaas van [verbalisant 1] wordt ondersteund door het relaas van [verbalisant 2] en het relaas van [verbalisant 5]. [verbalisant 5] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte met beide benen met kracht trapte in de richting van de collega die meermalen door de trappen werd geraakt. Verdachte schreeuwde luid en was duidelijk door het dolle heen. Verbalisanten hebben hun relaas op ambtseed opgemaakt en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de inhoud daarvan te twijfelen. Bovendien wordt het relaas ondersteund door het geconstateerde letsel van [verbalisant 1]. Dat geen camerabeelden meer beschikbaar zijn, doet daaraan niet af. De rechtbank verwerpt het verweer.

01/860075-14

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat de verklaringen die verdachte heeft afgelegd bij de politie niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, aangezien verdachte bij die verhoren niet is gewezen op zijn recht tot bijstand door een advocaat (Salduz). De raadsvrouwe heeft verder aangevoerd dat geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs, aangezien een aangifte ontbreekt, niemand de diefstal heeft gezien of heeft gezien dat verdachte in het bezit was van de drugs en de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat zij zelf een belang hadden bij de ripdeal. De raadsvrouwe heeft verzocht verdachte van het ten laste gelegde vrij te spreken. Subsidiair is verzocht om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt het volgende.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van het verweer van de raadsvrouwe dat sprake zou zijn van enig vormverzuim met betrekking tot Salduz.

De rechtbank acht, gelet op de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting en de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], komen vast te staan dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen de dealer en dat cocaïne is weggenomen. Het oogmerk bestond om de cocaïne weg te nemen. Verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat de dealer werd gebeld met de bedoeling om de cocaïne te verkrijgen waar men recht op meende te hebben en vervolgens is deze cocaïne ook daadwerkelijk weggenomen. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank acht overigens niet komen vast te staan dat sprake was van medeplegen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verklaren beiden dat zij zich afzijdig hebben gehouden van de diefstal en de enkele verklaring van verdachte is onvoldoende om vast te stellen dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2].

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

01/845204-14

(primair)

op 21 maart 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning en een schuur gelegen aan de [adres 1] heeft weggenomen een bouwradio en flessen drank en gereedschap en een gereedschapskoffer en een reiskoffer en diverse etenswaren en telefoons, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, te weten door het forceren van een serredeur, terwijl het feit werd gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd;

(primair)

op 21 maart 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in/uit de navolgende personenauto's:

- een Renault Laguna twee cd's en een telefoonoplader, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en

- een Ford Focus een zonnebril (Polaroid) en een telefoonoplader, toebehorende aan [slachtoffer 4];

waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, te weten door het telkens inslaan van een ruit van die auto's;

(subsidiair)

op 20 maart 2014 te Eindhoven een navigatiesysteem (TomTom) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat navigatiesysteem wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

op 21 maart 2014 te Eindhoven toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (beiden arrestantenverzorger) verdachte, die op verdenking van het overtreden van artikel 311/310 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, was aangehouden en overgebracht naar het politiebureau, hadden vastgepakt en/of vastgegrepen teneinde verdachte te onderwerpen aan een insluitingsfouillering, zich met geweld heeft verzet tegen

bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig:

- te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die opsporingsambtenaren verdachte trachtten te geleiden en

- slaande en schoppende bewegingen te maken, tengevolge waarvan [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een trauma (loszittend stukje bot en gescheurde banden) aan de linkerduim) bekwam;

01/860075-14

op 21 september 2013 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen enig goed, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen die ander, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, slaan tegen het hoofd van die ander en het vastpakken van die ander en het aanleggen van een zogenaamde armklem om de nek van die ander en het ten val brengen van die ander.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van parketnummer 01/845204-14 feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 primair en feit 5 en het feit onder parketnummer 01/860075-14:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]:

Niet-ontvankelijkverklaring, onvoldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]:

Gehele toewijzing, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling:

Gehele tenuitvoerlegging.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Specifiek

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak, twee auto-inbraken, een (opzet)heling, verzet plegen tegen opsporingsambtenaren waarbij een opsporingsambtenaar zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en een straatroof.

Woninginbraak en auto-inbraken.

Diefstallen veroorzaken overlast en schade. Uit verdachtes handelen spreekt minachting voor andermans eigendom.

De woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Een inbraak in de woning veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Daarnaast brengen een woninginbraak en een auto-inbraak voor de benadeelden materiële schade en overlast met zich mee. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken. Hij heeft zich enkel laten leiden door financiële motieven.

Opzetheling.

Heling bevordert diefstal en zorgt bovendien voor een illegaal circuit van goedkope goederen, waardoor de reguliere, eerlijke (detail)handel wordt verstoord en schade wordt toegebracht.

Verzet tegen politieambtenaren.

Opsporingsambtenaren, uitoefenaars van het ambtelijk gezag, dienen in de uitoefening van hun functie niet belemmerd te worden en zeker geen letsel toegebracht te krijgen, maar verdienen respect en eerbied van een ieder.

Straatroof met geweld.

Het gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde feit dat zich heeft afgespeeld in de drugsscene van Eindhoven, laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om geweld tegen een medemens te gebruiken, in dit geval om zijn recht te halen bij een dealer die te weinig cocaïne zou hebben geleverd, althans het recht van een ander te halen, en zo in zijn eigen drugsgebruik of dat van een ander te voorzien.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte werd eerder voor vermogensdelicten veroordeeld en heeft de onderhavige strafbare feiten gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling.

Strafmatigende omstandigheden

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte zelf is getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde straatroof in die zin dat verdachte, naar aanleiding van die straatroof, het slachtoffer is geworden van een schietpartij waarbij verdachte (onder meer) een flinke hoofdwond heeft opgelopen als gevolg van een schampschot.

De straf

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur als hierna te melden. Voor het volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging als door de raadsvrouwe verzocht ten aanzien van de straatroof, acht de rechtbank gelet op de aard en ernst van dat delict geen termen aanwezig.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van een relatief lange duur op zijn plaats. De rechtbank zal evenwel een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf gelet op de omstandigheid dat de rechtbank verdachte van een aantal feiten vrijspreekt. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij W. [slachtoffer 6].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van de diefstal waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. Verdachte wordt weliswaar veroordeeld voor heling, maar in dat geval is geen sprake van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1].

De rechtbank acht de vordering als niet althans onvoldoende weersproken in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict (21 maart 2014) over de immateriële schadevergoeding en vanaf de datum van het indienen van het voegingsformulier (17 juni 2014) over de materiële schadevergoeding, telkens tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil en verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict (21 maart 2014) over de immateriële schadevergoeding en vanaf de datum van het indienen van het voegingsformulier (17 juni 2014) over de materiële schadevergoeding, telkens tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis.

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis, gelet op de duur dat verdachte zich reeds in voorlopige hechtenis bevindt.

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het bewezenverklaarde en de op te leggen straf van een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering geen sprake. Voor opheffing van de voorlopige hechtenis zijn ook overigens geen termen aanwezig, zodat de rechtbank het verzoek afwijst.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/845329-13.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te verlengen dan wel in plaats van de tenuitvoerlegging een klinische opname te bevelen, zoals door de raadsvrouwe is verzocht. Eerdere voorwaardelijke veroordelingen hebben niet geleid tot een gedragsverandering bij veroordeelde en de laatste klinische opname van veroordeelde is geëindigd doordat hij zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden. De door veroordeelde gewenste plaatsing bij Exodus kan mogelijk aan de orde komen in het kader van detentiefasering.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: artikel 10, 24c, 27, 36f, 57, 180, 181, 310, 311, 312, 416.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder parketnummer 01/845204-14 feit 3 primair, feit 3 subsidiair en feit 4 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde onder parketnummer 01/845204-14 feit 1 primair, feit 2 primair, feit 4 subsidiair en feit 5 en het ten laste gelegde onder parketnummer 01/860075-14 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/845204-14 feit 1 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

T.a.v. 01/845204-14 feit 2 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/845204-14 feit 4 subsidiair:

opzetheling

T.a.v. 01/845204-14 feit 5:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

T.a.v. 01/860075-14:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heter daad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. 01/845204-14 feit 1 primair, feit 2 primair, feit 4 subsidiair, feit 5, 01/860075-14:

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. 01/845204-14 feit 4 primair, feit 4 subsidiair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij W. [slachtoffer 6] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. 01/845204-14 feit 5:

Maatregel van schadevergoeding van € 1.772,80 subsidiair 27 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 1] van een bedrag van € 1.772,80 (zegge: duizendzevenhonderdtweeënzeventig euro en tachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

€ 1.500,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 272,80 materiële schadevergoeding (post eigen kosten fysiotherapie, vervoerskosten ziekenhuis bus, beschermfolie t.b.v. het gips, eigen vervoer ziekenhuis). De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het bedrag aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (21 maart 2014) tot aan de dag der algehele voldoening. Het bedrag aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van het voegingsformulier (17 juni 2014) tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 1], van een bedrag van € 1.772,80 (zegge: duizendzevenhonderdtweeënzeventig euro en tachtig eurocent). Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.500,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 272,80 materiële

schadevergoeding (post eigen kosten fysiotherapie, vervoerskosten ziekenhuis bus, beschermfolie t.b.v. het gips, eigen vervoer ziekenhuis). Het bedrag aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (21 maart 2014) tot aan de dag der algehele voldoening. Het bedrag aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van het voegingsformulier (17 juni 2014) tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil en veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant d.d. 19 augustus 2013, gewezen onder parketnummer 01/845329-13, te weten: gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. B. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 18 juli 2014.

mr. B. Damen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.