Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3788

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
01/839336-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging terbeschikkingstelling met één jaar. Aanhouding van de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Indexdelict: medeplegen van poging tot moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839336-06

Uitspraakdatum: 4 juli 2014

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde]

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

verblijvende te [adres],

zijnde een woning van [kliniek].

Het onderzoek van de zaak.

Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 februari 2008 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst, bij beslissing van deze rechtbank van 11 juli 2013 met één jaar verlengd.

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 15 mei 2014 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar.

Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2014.

Hierbij zijn de officier van justitie, de deskundige mevrouw Y. Noorlander van [kliniek], de deskundige de heer P.E. Geurkink, forensisch psycholoog, en de ter beschikking gestelde en zijn raadsvrouwe mr. A.L. Louwerse gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

- een adviesrapport van [kliniek] d.d. 16 april 2014, ondertekend door

drs. M.A. Polak, hoofd van de inrichting, prof. dr. W.J. Schudel, psychiater,

drs. B. Koudstaal, manager behandeling & bedrijfsvoering extramuraal, klinisch psycholoog en mevrouw Y. Noorlander, hoofd behandeling en bedrijfsvoering en

GZ psycholoog;

  • -

    een externe rapportage van psychiater H.P. Onkenhout, d.d. 9 april 2014;

  • -

    een externe rapportage van psycholoog P.E. Geurkink, d.d. 9 april 2014;

  • -

    de omtrent de ter beschikking gestelde gehouden wettelijke aantekeningen.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van medeplegen van poging tot moord, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eiste.

Het hiervoor genoemde misdrijf betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

In voornoemd advies van [kliniek] is onder meer het navolgende gesteld:

“Op basis van bovenstaande adviseert [kliniek] de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen. In deze periode zal met de [terbeschikkinggestelde] gewerkt worden aan een overgang naar een zelfstandige woning, een verdere afbouw van het externe risicomanagement en contact met de reclassering. De [terbeschikkinggestelde] is er niet in geslaagd de aanvankelijk positieve ontwikkeling voort te zetten. De afgelopen maanden is sprake van een zorgelijke ontwikkeling op diverse levensgebieden, waardoor er ook onvoldoende basis is voor het zetten van de stap naar zelfstandig wonen. Indien de [terbeschikkinggestelde] die stap nu zou zetten, is de verwachting dat hij op diverse levensgebieden vast zal gaan lopen (financiën, dagbesteding, gebruik van middelen, instabiel netwerk). Dergelijke omstandigheden doen het risico op herhaling sterk toenemen. Op basis van het bovenstaande acht het behandelteam de overgang naar een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel op dit moment nog prematuur. De kliniek heeft derhalve de reclassering nog niet actief betrokken bij het traject. In de behandeling van de [terbeschikkinggestelde] is gebleken dat stappen richting meer zelfstandigheid en verantwoordelijkheid een toename van risico' s met zich meebrengen en is een stevig vangnet vanuit de huidige maatregel nog geïndiceerd. Het streven is om in het komende jaar te toetsen of de [terbeschikkinggestelde] voldoende vaardig is om zich op een adequate manier op de verschillende levensgebieden staande te houden. Indien het de [terbeschikkinggestelde] lukt om de stabiliteit te hervinden en hij constructief aan de slag gaat met de opbouw van de resocialisatiepijlers, zal de stap naar zelfstandig wonen gezet worden en zal in die fase ook de reclassering bij het traject betrokken worden. Het streven is om binnen het komende jaar in samenwerking met de reclassering toe te werken naar een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel in 2015. Of dit ook gerealiseerd kan worden, zal afhangen van de opstelling van de [terbeschikkinggestelde].”

In voornoemd advies van psychiater H.P. Onkenhout is onder meer het navolgende gesteld:

“Het huidige psychiatrisch onderzoek leidt niet tot nieuwe diagnostische gezichtspunten.

De kernproblematiek van betrokkene is gelegen in zijn persoonlijkheidsstructuur en in zijn neiging tot verslavingsgedrag. Vanaf zeer jonge leeftijd heeft hij langdurig en intensief alcohol, soft drugs en hard drugs gebruikt. Zijn laatste incidentele softdrugsgebruik dateert van begin 2012 en februari 2014 en zijn laatste incidentele alcoholgebruik van februari 2013. Dit middelengebruik heeft niet tot geweldincidenten geleid.

Naast de verslavingsproblematiek, die momenteel in remissie is, heeft betrokkene een anti sociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken. Daarnaast is door de kliniek ook de diagnose ADHD gesteld. Op grond van mijn eigen onderzoek heb ik deze diagnose niet kunnen bevestigen. De symptomen die een onderdeel kunnen zijn van de ADHD kunnen eveneens een onderdeel zijn van de borderline kenmerken in de persoonlijkheidsstructuur. Voor de advisering is het niet van belang bij welke psychische stoornis deze symptomen worden ondergebracht.

Wat betreft het recidiverisico kan gezegd worden, dat bij voortzetting van het huidige verblijf in [verblijfplaats], in het kader van een transmuraal verlof, op grond van zowel de actuariële als op grond van de klinische risicotaxatie, het risico op gewelds incidenten door mij wordt ingeschat als laag.

Ook bij overgang van verblijf in [verblijfplaats] naar een zelfstandige wooneenheid, onder toezicht van de reclassering, in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de tbs, schat ik het risico op gewelds incidenten in als laag. (…)

Aangezien betrokkene reeds geruime tijd buiten de kliniek verblijft, gedurende een jaar een arbeidsfunctie voor 40 uur per week heeft kunnen vervullen, een goede vrije tijdsbesteding heeft gehad, frustraties heeft kunnen verdragen zonder dat dit tot gewelds incidenten heeft geleid en bereid is om met de reclassering in gesprek te gaan over een pakket van voorwaarden, bij een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de tbs, acht ik het op grond van mijn risicotaxatie verantwoord om de tbs voorwaardelijk te beëindigen mits er tussen de kliniek, de reclassering en betrokkene overeenstemming is te bereiken over het pakket van voorwaarden. Huisvesting, werk, onthouding van middelen en openheid over relatievorming zullen onderdeel van deze voorwaarden uit moeten maken.

Gezien de persoonlijkheidsstructuur van betrokkene geef ik de voorkeur aan een voorwaardelijke beëindiging boven het continueren van de verpleging in combinatie met een transmuraal verlof. Indien er in de beleving van betrokkene onvoldoende progressie is in het beleid is het risico groot dat hij zich zal gaan verzetten, waardoor incidenten kunnen ontstaan die tot verdere restricties zouden kunnen leiden.

Indien betrokkene daarentegen het gevoel heeft dat zijn inzet beloond en gewaardeerd wordt, heeft bij blijk gegeven zich goed aan afspraken te kunnen houden.

Ik adviseer dan ook om de reclassering te verzoeken een pakket van voorwaarden op te stellen en om, indien betrokkene zich bereid verklaart om zich te houden aan het pakket van voorwaarden, de tbs voorwaardelijk te beëindigen.”

In voornoemd advies van psycholoog P.E. Geurkink is onder meer het navolgende gesteld:

“Wanneer we kijken naar de start van de tbs-maatregel en het verloop ervan inherent aan zijn pathologie, is de huidige situatie van betrokkene niet zonder zorg. Betrokkene heeft van deze behandeling geprofiteerd in de zin dat er meer zelfinzicht is en bij kan hier ook van profiteren. Betrokkene blijft vanuit zijn persoonlijkheid nu vooral in verzet tegen de behandeling, omdat hij slecht verdraagt dat anderen teveel voor hem bepalen. Positief is dat betrokkene al lange tijd geen cocaïne meer gebruikt, dat vooral een aanjager is voor de kans op een recidive vanwege de verloederende werking. De kans op herhaling wordt nu als hooguit matig ingeschat op de middellange termijn onder specifieke omstandigheden (middelengebruik).

Het voorgaande rechtvaardigt naar de mening van ondergetekende nog maar nauwelijks of misschien wel niet het voortzetten van de dwangverpleging vanuit het oogpunt van de kans op een recidive. Betrokkene zou nu zo snel mogelijk zijn leven moeten opbouwen in de maatschappij, met toezicht en ondersteuning zoals dat kan worden gegeven door de reclassering. Vooral bij problemen in de relatie en bij gebruik van middelen moet er worden bijgestuurd. Betrokkene is niet van het ene op het andere moment delictgevaarlijk, wat mogelijkheden biedt voor interventies. Het voorgaande rechtvaardigt naar de mening van ondergetekende een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging, waarbij de reclassering een programma met voorwaarden voor betrokkene opstelt en waarbij zeker abstinentie van cocaïne een van de voorwaarden moet zijn. Dit ook gezien het huidige

risicomanagement, waarbij betrokkene relatief veel vrijheid heeft en dit zonder veel problemen verloopt.”

De deskundige mevrouw Y. Noorlander, optredend namens [kliniek], heeft bij

de behandeling ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig het door de kliniek

uitgebrachte advies. Voorts heeft zij het navolgende, zakelijk weergegeven, verklaard.

Ik heb de rapporten van de extern deskundigen psychiater H.P. Onkenhout en psycholoog P.E. Geurkink gelezen. De conclusie en het advies van deze deskundigen is voor mij geen reden om het standpunt en advies van het behandelteam van [kliniek] te herzien. Ik persisteer ik bij het adviesrapport van [kliniek].

Het behandelteam acht de overgang naar een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel op dit moment nog te prematuur. Hierdoor is de reclassering ook niet betrokken bij het resocialisatietraject om de mogelijkheden te onderzoeken voor een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Dat is de reden waarom er geen maatregelenrapport is opgemaakt waar de rechtbank bij de vorige verlengingszitting om heeft verzocht.

De deskundige psycholoog P.E. Geurkink (op verzoek van de verdediging opgeroepen) heeft bij de behandeling ter terechtzitting het woord gevoerd in overeenstemming met het door hemuitgebrachte advies.

De officier van justitie heeft bij de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij zijn vordering strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar.

De raadsvrouwe en de terbeschikkinggestelde hebben bij de behandeling ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat de voorkeur van de terbeschikkinggestelde uitgaat naar een voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling. De raadsvrouwe heeft om die

reden verzocht de behandeling van de verlenging terbeschikkingstelling aan te houden teneinde de reclassering in de gelegenheid te stellen de mogelijkheden te onderzoeken

de dwangverpleging van de terbeschikkinggestelde voorwaardelijk te beëindigen.

De rechtbank verenigt zich niet geheel met het advies van [kliniek] en met de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige.

Gelet op het door de extern deskundigen psychiater H.P. Onkenhout en psycholoog P.E. Geurkink eensluidende conclusie en advies dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat en om die reden een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging rechtvaardigt, is de rechtbank van oordeel dat nu dient te worden onderzocht of de verpleging van overheidswege voorwaardelijk zou kunnen worden beëindigd. Daarom dient de Reclassering Nederland een nader maatregelrapport op te stellen, waarin de (on)mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege worden onderzocht.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, zal de rechtbank op grond van artikel 509t lid 5 van het Wetboek van Strafvordering de beslissing op een mogelijke voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege voor onbepaalde tijd, maar maximaal drie maanden, aanhouden in afwachting van het rapport van Reclassering Nederland.

Daarnaast is de rechtbank, gelet op artikel 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht, van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist, zodat de terbeschikkingstelling zal worden verlengd met één jaar.

DE BESLISSING

De rechtbank.

- Verlengt de termijn gedurende welke[terbeschikkinggestelde] ter beschikking is gesteld met één jaar.

- Houdt de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege aan en schorst daartoe het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, tot ten hoogste drie maanden, teneinde de reclassering een rapport te laten opmaken omtrent de vraag of, en zo ja, de wijze waarop en de voorwaarden waaronder, de verpleging van overheidswege van de terbeschikkinggestelde kan worden beëindigd.

- Beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde, de deskundige mevrouw Y. Noorlander namens [kliniek] en de rapporteur van de reclassering tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting, met kennisgeving van dat tijdstip aan de raadsvrouwe van de terbeschikkinggestelde, mr A.L. Louwerse, advocaat te Haarlem.

- Stelt de stukken met dat doel in handen van de officier van justitie.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter, mr. T. van de Woestijne en mr. C.P.J. Scheele, leden, in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2014.

Mr. Van de Woestijne is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.