Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3692

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-07-2014
Datum publicatie
14-07-2014
Zaaknummer
01/855043-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een jeugddetentie van 12 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en toezicht van de jeugdreclassering voor medeplegen van brandstichting in een bedrijfspand, waardoor een persoon om het leven is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/855043-13

Datum uitspraak: 14 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats 1] op [1995],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek ter terechtzitting van 02 september 2013 en 30 juni 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 juli 2013.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 30 juni 2014 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 mei 2013 in de gemeente Helmond, althans in het arrondissement

's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur in perceel [adres 2] meerdere, althans een vuilniszak(ken), in elk geval brandbaar materiaal, in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor twee, althans één, in/op dat perceel verblijvende perso(o)n(en) te duchten was en het feit de dood van één van die in dat perceel verblijvende personen -namelijk [slachtoffer]-, ten gevolge heeft gehad;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 mei 2013 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam in perceel [adres 2] een hoeveelheid brandbaar materiaal, zoals één of meer vuilniszak(ken), met open vuur in aanraking heeft gebracht, ten gevolge waarvan het aan zijn en/of zijn mededader(s) schuld te wijten is geweest, dat die vuilniszak(ken) is/zijn verbrand, in elk geval dat er (in voormeld perceel) brand is ontstaan, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander of anderen in genoemd perceel verblijvende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, ontstond èn terwijl het feit iemands dood, namelijk die van [slachtoffer], ten gevolge heeft gehad;

art 158 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 158 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/ sub 1 Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs1

Vaststaande feiten.

Op 09 mei 2013 is verdachte samen met drie jongens naar een leegstaand bedrijfspand aan de [adres 2] in Helmond, gegaan. Door een aantal van hen is met stenen naar dit pand gegooid, waarop iemand vanuit het pand stenen teruggooide. Vervolgens heeft verdachte samen met de andere jongens bij dit pand vuilniszakken met daarin wietafval aangetroffen, welke hij mee naar huis heeft genomen. Medeverdachte [medeverdachte 1] was hier niet bij aanwezig.

De volgende dag, op 10 mei 2013, is verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] teruggegaan naar voornoemd pand, omdat hij wilde kijken of hij daar nog meer wiet kon vinden.

Verdachte heeft vervolgens samen met [medeverdachte 1] de kantoorruimte van dit pand op de begane grond via een raamkozijn, waarin geen ruit zat, betreden. [medeverdachte 2] heeft het pand via een andere ingang betreden en bevond zich in een andere ruimte van dit pand.

In bedoelde kantoorruimte op de begane grond van het pand waar verdachte en [medeverdachte 1] zich bevonden is vervolgens brand ontstaan. Verdachte zag op dat moment een persoon op de benedenverdieping van het pand en hij zag hoge vlammen in deze kantoorruimte. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben hierop voormelde kantoorruimte van het pand via dezelfde raampartij verlaten en zijn in eerste instantie samen met [medeverdachte 2], die zich inmiddels ook buiten het pand bevond, op enige afstand, aan de voorzijde van het pand gaan kijken naar de brand. Zij zagen hoge vlammen en veel rook vanuit de kantoorruimte op de begane grond komen. Op dat moment zagen zij een man op de bovenverdieping van het pand uit een raam hangen. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn hierop weggerend en hebben vervolgens aan de overkant van het kanaal staan kijken naar de uitslaande brand.2 Verdachte heeft vervolgens om 12.43 en 12.44 uur naar een vriend sms’jes gestuurd die de navolgende teksten bevatten:

-“We hebben kraak pand aan gestoken”

-“Kom daar heen er zijn nog 2 KK junkies binnen en alles staat in de fik”

-“Bij grote ah bij die kanaal heb je tog die junkies huis”3,4

Omstreeks 12.40 uur kwam bij de meldkamer de melding binnen dat voornoemd bedrijfspand in brand zou staan.5

Bij aankomst van de brandweer op voornoemd adres trof men een uitslaande brand aan; de vlammen kwamen boven het dak uit en het hele pand stond in brand. Vanaf de eerste verdieping van dit pand werd een man door de brandweer in veiligheid gebracht.6 Nadat deze man vanaf het balkon van het pand in veiligheid was gebracht, verklaarde hij dat er nog een persoon tijdens deze brand in het pand aanwezig was.

Nadat de brand was geblust werd er door de brandweer rechts achter in een kantoorruimte aan de voorzijde van het pand een dode man aangetroffen. Het bleek te gaan om [slachtoffer], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats 2].7

Op het stoffelijk overschot van het slachtoffer is sectie verricht en er heeft toxicologisch onderzoek plaatsgevonden. Uit het verrichte onderzoek bleek onder meer dat veel roetachtig materiaal aanwezig was tot diep in de luchtwegen en de slijmvliezen van de luchtwegen tekenen toonden van inademing van hete gassen. Volgens de arts, patholoog, geeft dit aan dat de man bij het begin van de brand nog in leven was. Voorts bleek bij toxicologisch onderzoek in het bloed van het slachtoffer een koolmonoxidegehalte van 83 procent aanwezig te zijn. Dit is zonder meer een dodelijke concentratie, waarmee het overlijden volledig kan worden verklaard. De arts, patholoog, concludeert dat het slachtoffer als gevolg van koolmonoxidevergiftiging door een brand is overleden.8

Uit forensisch technisch onderzoek is gebleken dat de brand in het kantoorgedeelte op de begane grond van het pand destructief is geweest. Het plafond, de ramen en de scheidingswand waren door de inwerking van het vuur niet meer aanwezig.9

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie heeft verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander gepleegd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte integraal vrij te spreken. De raadsvrouw meent dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Meer in het bijzonder heeft de raadsvrouw onder verwijzing naar jurisprudentie aangevoerd dat de verklaringen die zijn afgelegd door [getuige 1] en medeverdachte [medeverdachte 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs aangezien zij ten aanzien van deze getuigen het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen.

De raadsvrouw heeft zich voorts onder verwijzing naar jurisprudentie op het standpunt gesteld dat niet kan worden gesproken van medeplegen van verdachte en dat bij verdachte geen sprake was van opzet (evenmin in voorwaardelijke zin) op de brandstichting. De verklaring van [medeverdachte 1] dat verdachte zelf ook brand heeft gesticht, hetgeen verdachte ontkent, is volgens de raadsvrouw geen overtuigende verklaring en het enkel aanwezig zijn in het pand terwijl daar brand wordt gesticht en zich hier niet van distantiëren dan wel niet ingrijpen, acht de raadsvrouw onvoldoende voor bewezenverklaring van het medeplegen.

Het oordeel van de rechtbank.

Verklaring medeverdachte [medeverdachte 1]

In het licht van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft de Hoge Raad in vaste jurisprudentie geoordeeld dat het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal van de politie voor zover inhoudende een door enig persoon in het opsporingsonderzoek afgelegde, de verdachte belastende, verklaring niet zonder meer ongeoorloofd is en in het bijzonder niet onverenigbaar met artikel 6, eerste lid, en derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM. Van die onverenigbaarheid is in ieder geval geen sprake indien de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Van de verdediging mag in de regel het nodige initiatief daartoe worden verwacht. De enkele omstandigheid dat een getuige die voor een rechter is opgeroepen en aldaar is verschenen, weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het door artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM gewaarborgde recht.

De rechtbank stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] op verzoek van de verdediging als getuige door de rechter-commissaris is opgeroepen voor een verhoor op 29 oktober 2013. Bij dit verhoor heeft hij zich beroepen op zijn verschoningsrecht. Nadien heeft de verdediging bovendien geen hernieuwd verzoek gedaan tot het horen van deze getuige ter terechtzitting. Gelet op voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad is de rechtbank van oordeel dat derhalve in het onderhavige geval geen sprake is van schending van het ondervragingsrecht van de verdediging.

Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding om deze, voor verdachte belastende, verklaring van [medeverdachte 1] van 16 mei 2013 als onbetrouwbaar aan te merken. [medeverdachte 1] heeft in deze verklaring gedetailleerd en consistent verklaard en heeft daarin met name ook een zichzelf belast. Daarnaast vindt deze verklaring onder meer ondersteuning in de door verdachte kort na de brandstichting gestuurde sms’jes aan een vriend zoals hiervoor onder de vaststaande feiten vermeld. Voorts sluit de verklaring van [medeverdachte 2], die verklaart niet te hebben gezien wie de brand heeft gesticht, de lezing van [medeverdachte 1] geenszins uit.

Gelet op het vorenstaande gebruikt de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1] van 16 mei 2013 voor het bewijs. Hij heeft toen verklaard dat verdachte bij het kantoortje tegen hem zei dat hij het aldaar staande afval in de fik moest gooien of dat ze dat in de fik moesten gooien, waarop [medeverdachte 1] met een aansteker een vuilniszak in brand heeft gestoken. Vervolgens heeft verdachte in het kantoortje een plaat met een aansteker in brand gestoken en er een soort van tapijt of stof opgegooid, waardoor er twee vuurtjes waren.10

Verklaring getuige [getuige 1]

De rechtbank is van oordeel dat de verdediging ten aanzien van de getuige [getuige 1] niet het bij artikel 6, derde lid aanhef en onder d, van het EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen om deze getuige te (doen) horen omtrent de door hem, voor verdachte belastende, bij de politie afgelegde verklaring. Het is de rechter-commissaris immers, ondanks diverse inspanningen daartoe, niet gelukt deze getuige te horen, omdat hij onvindbaar was. Hoewel de verdediging ook ten aanzien van deze getuige niet een hernieuwd verzoek heeft gedaan tot het horen van deze getuige bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting op 30 juni 2014, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van getuige [getuige 1] dient te worden geconcludeerd dat de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om deze (bij de politie afgelegde) verklaring van de getuige op zijn betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door hem als getuige te (doen) ondervragen. In dat verband hecht de rechtbank waarde aan de informatie dat deze getuige niet te traceren is gebleken en, zo de verdediging daartoe zou hebben verzocht, de rechtbank het onaannemelijk acht dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn voor de rechter zou zijn verschenen. Verdere oproeping van deze getuige acht de rechtbank dan ook zinloos.

Zoals hiervoor overwogen is in het licht van het EVRM het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal van de politie voor zover inhoudende een door enig persoon in het opsporingsonderzoek afgelegde, de verdachte belastende, verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met artikel 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM. Van die ongeoorloofdheid is in ieder geval geen sprake indien de verdediging weliswaar niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen, in die zin dat de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige 1] ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen zoals vermeld onder de vaststaande feiten en de verklaring van [medeverdachte 1] van 16 mei 2013. Dit steunbewijs heeft betrekking op die onderdelen van de verdachte belastende verklaringen, die verdachte betwist. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van getuige [getuige 1] bruikbaar voor het bewijs.

Getuige [getuige 1] heeft in zijn verklaring van 10 mei 2013 verklaard dat hij zich in het betreffende pand op de eerste verdieping bevond toen hij drie jongens het pand zag betreden. Hij hoorde dat een van de jongens zei: “Hé pik zullen we de zaak in de fik zetten”. Vervolgens hoorde getuige het geluid van een aansteker en een kleine drie minuten later rook hij een brandlucht. Hij keek daarop in het trappengat en zag dat er beneden een hoop vuur was en dat er iets in brand stond. Hij is vervolgens naar het balkon gelopen omdat het binnen zeer warm was, hij kon niet meer naar binnen vanwege de rookontwikkeling en de brandlucht.11

Medeplegen van brandstichting.

Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist. Dit houdt in dat de medeplegers willen en wetens samenwerken tot het verrichten van de verweten strafbare gedraging, in dit geval de brandstichting. Niet nodig is dat alle medeplegers een uitvoeringshandeling verrichten, maar de samenwerking moet wel intensief zijn.

Gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] de brandstichting heeft gepleegd. Op initiatief van verdachte werd het pand door hen betreden en in de kantoorruimte op de begane grond hebben zowel [medeverdachte 1] als verdachte, wederom op initiatief van verdachte, goederen met een aansteker in brand gestoken, waarna zij het pand hebben verlaten en zij op verschillende plaatsen naar de brand hebben staan kijken zonder enig ingrijpen of waarschuwen van hulpdiensten. Eerst nadat al sprake was van een fikse brand in het pand heeft verdachte, na eerst nog sms-berichten naar een vriend over de brandstichting te sturen, een 112-melding gedaan.

De rechtbank acht dan ook voldoende bewijs aanwezig voor een bewezenverklaring van medeplegen van brandstichting. Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen leidt de rechtbank tevens af dat verdachte opzettelijk samen met een ander brand heeft gesticht.

Levensgevaar voor een ander of anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat met de door verdachte en [medeverdachte 1] gepleegde brandstichting levensgevaar voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Immers is als gevolg van deze brand [slachtoffer] overleden, de heer [getuige 1] ternauwernood door de brandweer uit het pand gered en is een groot deel van het pand en de goederen daarin door de brand beschadigd dan wel vernietigd.12 Voorts wist verdachte op het moment van de brandstichting dat er in ieder geval één persoon in het pand aanwezig was, omdat hij iemand in het pand op de begane grond had gezien en deze persoon, een man aldus verdachte, ook heeft omschreven. Daar komt nog bij dat verdachte reeds voorafgaande aan het betreden van he pand op 10 mei 2013 op de hoogte was van het feit dat in dit leegstaande pand regelmatig daklozen verbleven.13

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

primair

op 10 mei 2013 in de gemeente Helmond tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht, immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar

opzettelijk door middel van open vuur in perceel [adres 2] een vuilniszak, in elk geval brandbaar materiaal, in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen, te weten voor twee, in/op dat perceel verblijvende personen, te duchten was en het feit de dood van één van die in dat perceel verblijvende personen -namelijk [slachtoffer]- ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

Een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Aan deze jeugddetentie gekoppeld de bijzondere voorwaarde: begeleiding door de jeugdreclassering gedurende de proeftijd, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling door de [instelling] (GGzE) in de vorm van een Equiptraining, zoals voorgesteld in het advies van de jeugdreclassering.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft verzocht, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, om aan verdachte een werkstraf dan wel een jeugddetentie op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast kan aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie worden opgelegd met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde zoals de jeugdreclassering in het advies heeft voorgesteld.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum (bij een jeugdige die ten tijde van het begaan van het misdrijf 17 jaar was geldt een maximale duur van de jeugddetentie voor 24 maanden) en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander opzettelijk brand gesticht in een pand ten gevolge waarvan een persoon om het leven is gekomen. Het leven van dit slachtoffer is op een afschuwelijke manier geëindigd. Daardoor is tevens groot en onherstelbaar leed berokkend aan de naasten van het slachtoffer, met name aan zijn kinderen en kleinkinderen. Dit kan ook worden opgemaakt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van de dochters van het slachtoffer die ter terechtzitting zijn voorgelezen.

Door de brandstichting is daarnaast levensgevaar ontstaan voor een ander persoon die zich op dat moment ook in het pand bevond. Deze persoon is naar het balkon gevlucht en vervolgens door de intussen gealarmeerde brandweer in veiligheid gebracht en zodoende aan de dood ontsnapt. Het pand is ook grotendeels verloren gegaan.

Het voorval heeft de plaatselijke gemeenschap aangegrepen en draagt bij aan de versterking van de in de maatschappij bestaande gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank neemt aan dat verdachte de dood van het slachtoffer nimmer heeft gewild, maar daar staat tegenover dat verdachte wist dat er regelmatig personen in het leegstaande pand verbleven en dat er ook feitelijk minimaal één man in het pand aanwezig was op het moment dat de brand uitbrak.

De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat zij op zijn initiatief op 10 mei 2013 naar het pand zijn gegaan, en dat verdachte, als 17-jarige, zijn jongere mededader van net 14 jaar bij deze brandstichting heeft betrokken. Ook rekent de rechtbank verdachte aan dat hij eerst een tijd op verschillende plekken naar de brand heeft staan kijken, vervolgens een vriend heeft ge-sms’t over de brandstichting en pas daarna de hulpdiensten heeft gebeld, terwijl juist hij zelf had gezien dat er één man in het pand aanwezig was ten tijde van het stichten van de brand en een andere man uit het raam hing toen de brand al woedde. Verdachte heeft er pas achteraf blijk van gegeven te beseffen wat de gevolgen van de brand zijn geweest. Dit alles geeft blijk van een ernstig gebrek aan normbesef bij verdachte.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden.

De rechtbank zal deze jeugddetentie voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze voorwaardelijke straf zal na te noemen bijzondere voorwaarde worden gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het

Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. primair:

Jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te gegeven in het kader van jeugdreclassering door of namens het Buro Jeugdreclassering van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling door de [instelling] (GGzE) in de vorm van een Equiptraining;

waarbij het Buro Jeugdreclassering van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, Wal 20, 5211 GG te Eindhoven, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. H.M. Hettinga en mr. P.A. Buijs, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 14 juli 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, Gezamenlijke Recherche Peelland met registratienummer BVH 2013063145, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij dit proces-verbaal.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 30 juni 2014 en verklaringen van verdachte d.d. 12 mei 2013, proces-verbaal pag. 216-218 en d.d. 21 juni 2013, proces-verbaal pag. 227.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 01 juli 2013, proces-verbaal pag. 101.

4 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 30 juni 2014

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2013, proces-verbaal pagina. 98.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2013, proces-verbaal pag. 69

7 Proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, slachtofferonderzoek en berging slachtoffer d.d. 28 mei 2013, proces-verbaalnummer PL2219 2013063145-40, blad 2-3.

8 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” d.d. 17 mei 2013, proces-verbaal pag. 91-92.

9 Proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, slachtofferonderzoek en berging slachtoffer d.d. 28 mei 2013, proces-verbaalnummer PL2219 2013063145-40, blad 9.

10 Verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 16 mei 2013, pagina. 201

11 Verklaring van [getuige 1] d.d. 10 mei 2013, proces-verbaal pagina. 121-122

12 Proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, slachtofferonderzoek en berging slachtoffer d.d. 28 mei 2013, proces-verbaalnummer PL2219 2013063145-40, blad 5-10

13 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 30 juni 2014.