Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3642

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_4114
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om handhaving ten aanzien van bedrijfsactiviteiten. Reactie op uitbreiding verzoek tijdens hoorzitting is gedeeltelijk een besluit. Instemming met rechtstreeks beroep, voor zover het een webshop betreft.

Een van de twee bedrijven die hout bewerken is een aannemersbedrijf, passend binnen het destijds ter inzage gelegde ontwerp-bestemmingsplan. Handhaving niet aangewezen, omdat de bedrijfsactiviteiten konden worden gelegaliseerd. Ten aanzien van het tweede bedrijf valt niet zonder nadere onderbouwing te begrijpen waarin de ruimtelijke uitstraling van het bedrijf verschilt van die van 'timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout,

p.o. < 200 m2'. De enkele omstandigheid dat de producten op ambachtelijke wijze worden vervaardigd en niet aan de lopende band is hiertoe onvoldoende. Onvoldoende gemotiveerd dat deze werkzaamheden kunnen worden gelegaliseerd. In zoverre wordt het besluit vernietigd. De webshop van dit bedrijf betreft geen verboden detailhandel. Van verkoop of levering ter plaatse is geen sprake. Van het enkele in bedrijf hebben van een website vanuit een kantoor ter plekke gaat geen noemenswaardige ruimtelijke uitstraling uit.

Ten aanzien van een derde bedrijf biedt het beroep onvoldoende aanknopingspunten om tot de conclusie te kunnen komen dat op voorhand duidelijk was dat het nieuwe bestemmingsplan geen rechtskracht zou verkrijgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-08-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 13/4114

SHE 14/628

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde mr. N.M.C.H. Crooijmans)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk, verweerder.

(gemachtigde: B. van Dorsten)

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

- [bedrijf 1]te [vestigingsplaats];

- [bedrijf 2], te [vestigingsplaats];

- [bedrijf 3], te [vestigingsplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2012 heeft verweerder eisers verzoek om handhavend op te treden tegen de met het bestemmingsplan strijdige bedrijfsactiviteiten op bedrijventerrein De Waterlaat te Bergeijk afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar - in navolging van het advies van de bezwaarcommissie - ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door mr. P.G. Grijpstra en mr. I.L. van Geel, kantoorgenoten van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. [bedrijf 1] is vertegenwoordigd door [persoon 1]. Voor [bedrijf 2] is [persoon 2] verschenen. Voor [bedrijf 3] zijn

[persoon 3] en [persoon 4] verschenen.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat, bij de beoordeling van de zaak, uit van de volgende feiten.

1.1

[bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) is gevestigd aan [adres 2], [bedrijf 3] (hierna: Corpus) aan [adres 3] en [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) aan [adres 1]. Eiser woont aan [adres 4], in de nabijheid van deze bedrijven.

1.2

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft, bij uitspraak van 3 september 2012, zaaknummer AWB 10/767, geoordeeld dat verweerder aan onder meer derde-partijen ten onrechte een (binnenplanse) ontheffing van de planvoorschriften van bestemmingsplan "Bedrijventerrein Waterlaat 5" had verleend voor het vestigen van bedrijven van milieucategorie 2 en 3, daargelaten of zij als aannemersbedrijf konden worden gekwalificeerd. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft eiser verweerder op 18 oktober 2012 verzocht om door middel van een handhavingsbesluit met bestuursdwang (eventueel onder oplegging van een last onder dwangsom) een einde te maken aan de met de wet strijdige situaties.

Met ingang van 20 december 2012 heeft het ontwerpbestemmingsplan "2e herziening bedrijventerrein Waterlaat 5" gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen op het gemeentehuis van Bergeijk. Dit plan voorziet in een gewijzigde planologisch-juridische regeling voor een gedeelte van het bedrijventerrein Waterlaat, fase 5, ter hoogte van [straat 1] en [straat 2] te Bergeijk, waardoor ter plaatse de vestiging van bedrijven in milieucategorie 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten mogelijk wordt.

Omdat hierdoor de bedrijfsactiviteiten van derde-partijen zouden kunnen worden gelegaliseerd, heeft verweerder het handhavingsverzoek van eiser afgewezen.

1.3

Tijdens de hoorzitting die is gehouden door de Commissie Bezwaarschriften van de gemeente Bergeijk (hierna: de Commissie) heeft eiser het verzoek om handhaving uitgebreid met het verzoek aan verweerder om handhavend op te treden tegen de inmiddels door [bedrijf 3] begonnen website en tegen het inmiddels in het pand [adres 5] gevestigde kledingverhuurbedrijf, omdat in beide gevallen sprake is van met het bestemmingsplan strijdige detailhandel.

1.4

Verweerder heeft, naar aanleiding van het advies van de Commissie, op 24 mei 2013 opnieuw controles laten verrichten bij [bedrijf 2] en [bedrijf 3]. Op 24 juni 2013 heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant in opdracht van de gemeente een rapport uitgebracht met betrekking tot de geluidsbelasting van diverse bedrijven op eisers woning.

1.5

Op 26 september 2013, na het nemen van het bestreden besluit, heeft de raad van Bergeijk het bestemmingsplan "2e herziening bedrijventerrein Waterlaat 5" vastgesteld. Dit bestemmingsplan is inmiddels in werking getreden. Tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS).

2.

Alvorens de zaak inhoudelijk te behandelen, zal de rechtbank eerst enkele formele kwesties aan de orde stellen.

2.1

In het bestreden besluit heeft verweerder aandacht besteed aan de ter hoorzitting van de Commissie gedane verzoeken om handhaving ten aanzien van het uitoefenen van detailhandel door [bedrijf 3] en door het in het pand [adres 5] gevestigde kledingverhuurbedrijf.

2.2

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder in het bestreden besluit op deze verzoeken heeft beslist en deze beslissing het karakter van een besluit heeft. Primair stelt hij zich op het standpunt dat sprake is van een beslissing op bezwaar. Mocht de rechtbank echter van oordeel zijn dat sprake is van een primair besluit, dan zou deze zaak zich lenen voor rechtstreeks beroep. Eiser heeft verweerder dan ook verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter tegen dit onderdeel van het bestreden besluit.

2.3

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van een beslissing op een verzoek om handhaving, voor zover het detailhandel betreft, geen sprake is. Voordat sprake is van een voor bezwaar vatbaar besluit, zal allereerst een formeel verzoek tot handhaving moeten worden gedaan.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat, als er al sprake zou zijn van een besluit, dit een primair besluit en geen beslissing op bezwaar betreft. Voor het geval de rechtbank die opvatting mocht volgen, stemt verweerder in met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter.

2.4

In artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een besluit gedefinieerd als: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 7:1a, van de Awb, geeft regels over de instemming van het bestuursorgaan met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, in afwijking van het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb. In artikel 7:1a, derde lid, van de Awb, is bepaald dat het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek, indien de zaak daarvoor geschikt is.

2.5

In het bestreden besluit wordt over het verzoek om handhaving ten aanzien van de detailhandel door [bedrijf 3] en het in het pand perceel [adres 5] gevestigde kledingverhuurbedrijf een oordeel gegeven.

Ten aanzien van de webshop van [bedrijf 3] wordt, op basis van onderzoek naar de website van het bedrijf, geconcludeerd dat producten via [bedrijf 3] worden besteld, maar dat de opslag en levering vanuit een andere locatie gebeuren, zodat deze activiteiten geen ruimtelijke invloed op de omgeving hebben. Van detailhandel, als bedoeld in het bestemmingsplan, is ter plaatse dan ook geen sprake.

Ten aanzien van het in het pand [adres 5] gevestigde kledingverhuurbedrijf heeft verweerder geconcludeerd dat de activiteiten moeten worden gekarakteriseerd als verhuur van roerende goederen n.e.g. en daarmee in overeenstemming zijn met zowel het oude als het nieuwe bestemmingsplan.

2.6

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn opvatting dat het op de hoorzitting gedane, en in het verslag van de hoorzitting verwoorde, verzoek niet als een - formeel - verzoek om handhaving kan worden beschouwd. Zou dit anders zijn geweest, dan zou verweerder de reactie op dit verzoek ook niet als een voornemen hebben kunnen duiden.

Weliswaar is in het bestreden besluit aangegeven dat verweerder niet voornemens is om op te treden tegen deze bedrijfsactiviteiten, maar het over deze activiteiten schriftelijk gegeven oordeel is ongeclausuleerd en naar zijn bewoordingen gericht op rechtsgevolg. Daarmee is sprake van een besluit en niet slechts van een voornemen, zoals verweerder heeft betoogd.

2.7

Voor zover het verzoek om handhaving de webshop van [bedrijf 3] betreft, heeft verweerder onderzoek verricht naar de wijze waarop de webshop in de website van [bedrijf 3] is geïncorporeerd. [bedrijf 3] is ter zitting vertegenwoordigd, zodat zij een reactie heeft kunnen geven op het verzoek om handhaving en op verweerders reactie daarop. Bovendien is reeds een beroep aanhangig met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3], waarvan het voeren van een webshop deel is gaan uitmaken. Naar het oordeel van de rechtbank is de zaak hiermee geschikt voor rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Verweerder heeft dan ook terecht ingestemd met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. De rechtbank zal de beroepsgronden met betrekking tot de webshop van [bedrijf 3] dan ook bij haar beoordeling van de zaak betrekken.

2.8

Met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van het kledingverhuurbedrijf in het pand [adres 5] blijkt uit de gedingstukken niet van een uitgebreid onderzoek. Raadpleging van de website van het [bedrijf 4] daags voor de zitting leerde de rechtbank dat niet is uitgesloten dat het bedrijf ter plaatse is beëindigd. Het bedrijf was, doordat het niet als derde-belanghebbende aan het geding deel wenste te nemen, niet ter zitting vertegenwoordigd om nader uitleg te geven. Alles bijeengenomen is de rechtbank van oordeel dat de zaak in zoverre niet geschikt is voor rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. De rechtbank zal het beroepschrift in zoverre aanmerken als een bezwaarschrift en het, ter behandeling als bezwaarschrift, doorzenden aan verweerder.

3.

Vervolgens is aan de orde of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van concreet zicht op legalisering van de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3], [bedrijf 2] en [bedrijf 1].

3.1

Eiser heeft aangevoerd dat de werkzaamheden van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (eiser doelt hierbij niet op het voeren van een webshop), gelet op de verslagen van de bedrijfsbezoeken (op 24 mei 2013) gekwalificeerd moeten worden als "Timmerwerkfabrieken, vervaardiging van overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2 (SBI-code 162)", dan wel als "Vervaardiging van meubels en overige goederen n.e.g., vervaardiging van overige goederen n.e.g. (SBI-code 32999)", van de Staat van bedrijfsactiviteiten, behorende bij het ontwerp-bestemmingsplan
"2e herziening bedrijventerrein Waterlaat 5" (hierna: de tweede herziening). Daarmee behoren deze bedrijfsactiviteiten minimaal tot milieucategorie 3.1. Die categorie van bedrijfsactiviteiten is, volgens de tweede herziening, op de gronden waarop de bedrijven van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn gevestigd niet toegestaan. De bedrijfsactiviteiten kunnen dan ook niet worden gelegaliseerd.

3.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat binnen de bedrijven van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] weliswaar mechanische houtbewerking plaatsvindt, maar dat, mede gelet op de resultaten van bedrijfsbezoeken, de aanduiding aannemersbedrijf met een werkplaats en een bedrijfsoppervlakte kleiner dan 1.000 m2 het meest passend is. De invloed van deze bedrijven op de omgeving is in te delen in milieucategorie 2.

3.3

In artikel 4.1, onder a, van de planregels bij de tweede herziening, is bepaald dat de op de verbeelding als 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijven, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en zelfstandige kantoren, die zijn genoemd in bijlage 1a en 1b (Staten van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 2 uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' op de verbeelding, met inachtneming van de in deze bijlagen opgenomen minimale afstand.

3.4

De gronden waarop de bedrijven van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn gevestigd hebben op de verbeelding de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' gekregen. Dit betekent dat de bedrijfsactiviteiten van deze bedrijven niet zijn toegestaan, als de door eiser gegeven kwalificatie juist wordt geacht. In dat geval kan van legalisatie van deze bedrijven geen sprake zijn.

3.5

De rechtbank leidt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ten aanzien van [bedrijf 2] het volgende af.

[bedrijf 2] is een eenmansbedrijf. [persoon 2] verzorgt en begeleidt verbouwingen en renovaties. Op het buitenterrein van de bedrijfsvestiging zijn bouwmaterialen (voornamelijk verschillende soorten zand) en vrijgekomen afval opgeslagen. In het bedrijfsgebouw aan [adres 2] worden de bedrijfsbus en de -aanhanger gestald, worden bouwmaterialen en gereedschappen opgeslagen en staan houtbewerkingsmachines (een schaafmachine, twee cirkelzagen - waarvan er een op locatie wordt gebruikt - en een formaatzaag) opgesteld, die - nooit gelijktijdig - door [persoon 2] worden gebruikt. De werkzaamheden in de werkplaats betreffen voorbereidingswerkzaamheden voor het uitvoeren van werkzaamheden op locatie. Vrijwel alle werkzaamheden vinden plaats bij de klant.

Voldoende aannemelijk is geworden dat in de werkplaats geen grootschalige houtbewerking plaatsvindt. Als er trappen, kozijnen en deuren moeten worden gemaakt, worden deze werkzaamheden door Wils uitbesteed.

3.6

Verweerder heeft, gelet hierop, het bedrijf van [bedrijf 2] terecht en op goede gronden aangemerkt als een aannemersbedrijf met een werkplaats met een bedrijfsoppervlakte kleiner dan 1.000 m2, welk bedrijf past binnen milieucategorie 2. Het bedrijfsterrein van [bedrijf 2] is op meer dan 50 meter afstand van de woning van eiser gelegen. Het bedrijf past hiermee binnen de tweede herziening, zodat het kan worden gelegaliseerd.

Voor zover het [bedrijf 2] betreft, slaagt eisers beroepsgrond betreffende het niet kunnen legaliseren van het bedrijf dan ook niet.

3.7

Met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3] leidt de rechtbank uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het volgende af.

[bedrijf 3] is een bedrijf dat zich bezighoudt met het ontwerpen, op maat maken en het monteren van interieurs voor de particuliere en zakelijke markt. In het bedrijf zijn maximaal 3 personen werkzaam.

De werkzaamheden vinden in belangrijke mate plaats in de werkplaats aan [adres 3]. In de werkplaats zijn diverse houtbewerkingsmachines opgesteld (een wandzaag, een formaatzaag, twee kantenlijmers - voor het lijmen van afwerkstroken op de zijkant van platen -, drie boormachines - waarvan een voor scharnieren en een voor lange gaten -, een schuurmachine en een freesmachine).

Ter zitting is namens [bedrijf 3] verklaard dat bijna alles zelf wordt gemaakt, diverse onderdelen, deurtjes, kasten, bladen (soms). Het betreft unieke projecten. Er vindt geen seriematige productie plaats.

De geproduceerde complete onderdelen van het interieur, zoals kastjes, worden bij de klant gemonteerd. Als een balie voor een bedrijf wordt gemaakt, kost dat ongeveer dertig uur productietijd in de werkplaats en ongeveer vijf uur voor montage op locatie. De productie van een keuken kost ongeveer veertig uur productietijd in de werkplaats en twintig uur montagetijd bij de klant.

3.8

In aanmerking nemende dat het zwaartepunt van de werkzaamheden, anders dan bij een aannemersbedrijf als het bedrijf van [bedrijf 2], veel meer ligt op de vervaardiging van producten op de bedrijfslocatie dan op werkzaamheden bij de klant, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet afdoende heeft gemotiveerd waarom de aanduiding aannemersbedrijf voor [bedrijf 3] de meest passende is. Niet valt, gelet op het karakter van de werkzaamheden, zonder nadere onderbouwing te begrijpen waarin de ruimtelijke uitstraling van het bedrijf van [bedrijf 3] verschilt van die van 'timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2'. De enkele omstandigheid dat de producten op ambachtelijke wijze worden vervaardigd en niet aan de lopende band, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, is hiertoe onvoldoende.

Hiervan uitgaande heeft verweerder evenmin afdoende onderbouwd dat het bedrijf van [bedrijf 3] past binnen de tweede herziening en dat het bedrijf kan worden gelegaliseerd.

Voor zover het [bedrijf 3] betreft, slaagt eisers beroepsgrond betreffende het niet kunnen legaliseren van het bedrijf dan ook.

3.9

Eiser heeft met betrekking tot de door [bedrijf 3] gevoerde webshop betoogd dat het, volgens de definitie in de tweede herziening, een vorm van detailhandel betreft. Detailhandel is binnen de aan de gronden van [bedrijf 3] gegeven bedrijfsbestemming ter plaatse niet toegestaan. Hierbij speelt volgens eiser geen rol of deze vorm van detailhandel ruimtelijke invloed heeft op de omgeving.

3.10

Verweerder heeft geconstateerd dat op de website van [bedrijf 3] een tabblad staat waarmee wordt doorgelinkt naar een aparte website, waarbij diverse benodigdheden, zoals kranen, verlichting, spoelbakken en dergelijke kunnen worden besteld. Verweerder volgt [bedrijf 3] niet in zijn stelling dat het een website van een leverancier betreft, omdat niets hierop wijst. Volgens verweerder biedt [bedrijf 3] via de website derhalve wel goederen aan, maar worden de goederen niet ter plaatse opgeslagen en vanuit het bedrijf verstuurd. Omdat daardoor geen sprake is van verkeersaantrekkende werking door de webshop, heeft het voeren daarvan volgens verweerder geen invloed op de omgeving, zodat van detailhandel in de zin van het bestemmingsplan geen sprake is.

3.11

Volgens artikel 1 van de planregels van de tweede herziening wordt onder 'detailhandel' verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/ of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

3.12

[bedrijf 3] heeft ter zitting verklaard dat de koppeling op het tabblad op zijn website van een toeleverancier van keukenapparatuur is. De klant bestelt, via deze koppeling, de goederen rechtstreeks bij de toeleverancier die deze aan de klant levert. De klant ziet niet dat de kraan door een ander wordt geleverd. De bestelde goederen worden op locatie door [bedrijf 3] geïnstalleerd.

De rechtbank volgt verweerder, gelet op de gedingstukken en de ter zitting gegeven toelichting, in zijn opvatting dat de levering via de website van [bedrijf 3] niet valt onder de definitie van detailhandel. Van verkoop of levering ter plaatse is geen sprake. Van het enkele in bedrijf hebben van een website vanuit een kantoor ter plekke gaat geen noemenswaardige ruimtelijke uitstraling uit. Dit betekent dat de webshop noch in strijd is met de thans geldende tweede herziening, noch met het voorheen geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Waterlaat 5" en verweerder hiertegen niet handhavend kan optreden.

Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.1

Eiser acht het in strijd met een goede ruimtelijke ordening om de maximaal toegestane categorie van bedrijfsactiviteiten te verhogen van 2 naar 3.1. Door de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] kan niet kan worden voldaan aan de geluidsnormen van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, waardoor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse niet kan worden gegarandeerd. Evenmin wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering". De tweede herziening kon daarom niet door de gemeenteraad worden vastgesteld, zodat er van concreet zicht op legalisering van de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen sprake was.

4.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er een bestemmingsplan ter inzage is gelegd waarin een bedrijf van milieucategorie 3.1 wordt toegelaten. Of dit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, staat in het kader van een handhavingsprocedure niet ter beoordeling. Omdat er geen aanwijzingen zijn dat het bestemmingsplan geen rechtskracht zal verkrijgen, bestaat er concreet zicht op legalisatie van de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1]. In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat het bestemmingsplan inmiddels is vastgesteld.

Wat de afstand betreft heeft verweerder aangegeven dat aan een richtafstand van 50 meter (in verband met geluid) wordt voldaan, maar dat de richtafstand in dit geval minimaal 30 meter is, omdat geen sprake is van een rustige woonwijk, maar de woning van eiser is gelegen op een industrieterrein. De afstand tussen het bedrijfsperceel van [bedrijf 1] en de woning van eiser garandeert een goed woon- en leefklimaat.

4.3

In artikel 4.1, onder b, van de planregels bij de tweede herziening, is bepaald dat de op de verbeelding als 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijven, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en zelfstandige kantoren, die zijn genoemd in bijlage 1a en 1b (Staten van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorieën 2 en 3.1 uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' op de verbeelding, met inachtneming van de in deze bijlagen opgenomen minimale afstand.

De gronden waarop het bedrijf van [bedrijf 1] is gevestigd heeft op de verbeelding de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' gekregen.

4.4

Op grond van de jurisprudentie van de AbRvS (zie de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9061) is, om concreet zicht op legalisering in verband met de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan te kunnen aannemen, ten minste vereist dat een ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Geen concreet zicht op legalisering bestaat, indien op voorhand duidelijk is dat het ontwerp van het plan of het vastgestelde plan geen rechtskracht zal verkrijgen.

In dit geval was ten tijde van het bestreden besluit voldaan aan de voorwaarde dat een ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage was gelegd. Het beroep van eiser biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot de conclusie te kunnen komen dat op voorhand duidelijk was dat het vastgestelde plan geen rechtskracht zou verkrijgen. De omstandigheid dat volgens eiser niet aan de richtafstand van 50 meter wordt voldaan, wat overigens niet correct is, is daartoe onvoldoende. Overigens is - zoals hiervoor reeds is overwogen - inmiddels sprake van een vastgesteld en in werking getreden bestemmingsplan.

Deze beroepsgrond faalt.

5.

Het voorafgaande leidt ertoe dat verweerder, behoudens voor zover het de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3] betreft, in redelijkheid van handhavend optreden heeft kunnen afzien en dat besluit bij het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd. Met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3] kan het bestreden besluit, vanwege een motiveringsgebrek, dan ook niet in stand blijven, behoudens voor zover het de webshop betreft. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard.

Verweerder zal worden opgedragen om, voor zover het de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3] betreft, opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder in deze procedure de gelegenheid te bieden het gebrek te herstellen, gelet op de omstandigheid dat de uitkomst van de lopende bestemmingsplanprocedure nog niet bekend is.

6.

De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten worden, overeenkomstige het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op in totaal € 974,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het instellen van beroep,

1

punt voor de zitting, waarde per punt € 487,00, wegingsfactor 1).

De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, behoudens voor zover het de webshop betreft, voor zover verweerder daarbij eisers bezwaar tegen de weigering om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3] ongegrond heeft verklaard;

  • -

    draagt verweerder op om in zoverre opnieuw op het bezwaar te beslissen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, begroot op € 974;

  • -

    bepaalt dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht van € 160,00 dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. M.J.H.M. Verhoeven en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.