Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3492

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_4131
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terechte weigering bijzondere bijstand voor kosten curatele. Verblijf op woonzorgboerderij is in dit geval verblijf in inrichting als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van de WWB. Verweerder heeft dus terecht aansluiting gezocht bij de bijstandsnorm voor verblijf in een inrichting. De omstandigheid dat eiser voor een zorgvorm kiest met hogere lasten vormt geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerders beleid moet worden afgeweken.

Wetsverwijzingen
Participatiewet, geldigheid: 2014-08-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/4131

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.E. Frenken),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer, verweerder

(gemachtigde: W.E.C. Veltkamp).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2012, verzonden op 20 december 2012, (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en inkomen (WWB) voor de kosten van curatele afgewezen.

Bij besluit van 5 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2014. Namens eiser is verschenen zijn vader/curator [persoon 1], bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te brengen. Verweerder heeft hieraan bij brief van 15 april 2014 gehoor gegeven. Bij brieven van 1 mei 2014 en 4 juni 2014 hebben eiser en verweerder over en weer gereageerd. Partijen hebben bij brieven van 16 en 17 juni 2014 toestemming gegeven dat een nadere zitting achterwege blijft. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Bij beschikking van de rechtbank Roermond van 10 januari 2007 is de onder curatele stelling van eiser uitgesproken en is zijn vader benoemd als curator. Tot en met 2010 verbleef eiser bij de [AWBZ-inrichting], [adres 1]. Vanaf 1 januari 2011 verblijft eiser op [woonzorgboerderij] op het adres [adres 2]. Ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels weer bij zijn vader woont.

2.

Bij beschikking van 21 september 2012 heeft de rechtbank Roermond, sector kanton, de kosten van curatele toegestaan als verzocht. Voor 2009 bedragen deze kosten € 790,-, voor 2010 € 790,-, voor 2011 € 874,- en voor 2012 € 881,-.

3.

Het inkomen van eiser bestaat uit een Wajong uitkering en een uitkering ingevolge de Toeslagenwet. Daarnaast ontvangt eiser een persoonsgebonden budget (PGB), indicatie ZZP VG06. Eiser betaalt een eigen bijdrage aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

4.

Op 9 augustus 2012 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van curatele over de jaren 2009 tot en met 2012.

5.

Het bestreden besluit gaat over de weigering van verweerder bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van curatele over de jaren 2009 tot en met 2012. Verweerder heeft aan zijn besluit het standpunt ten grondslag gelegd dat eiser over voldoende middelen beschikt om zelf in deze kosten te voorzien. Om deze reden worden de kosten van curatele over het jaar 2012 afgewezen. De kosten van curatele over de jaren 2009 tot en met 2011 heeft verweerder afgewezen omdat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verstrekt.

6.

Eiser voert aan dat ten onrechte geen vergoeding meer mogelijk is van de kosten curatele over de jaren 2009, 2010 en 2011. Eiser is van mening dat de vermeende lokale gemeentelijke afspraak hem niet raakt. De kosten curatele zijn voor het eerst bij beschikking van de rechtbank van 21 september 2012 goedgekeurd en de aanvraag om bijzondere bijstand is gedaan op 9 augustus 2012. Eiser heeft de aanvraag ingediend zodra hij wist dat hij voor bijzondere bijstand in aanmerking kon komen en zodra hij wist dat terzake van curatele kosten in rekening konden worden gebracht. Daarom is volgens eiser sprake van bijzondere omstandigheden.

7.

Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2012:BA6875) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Omdat eiser op 9 augustus 2012 zijn aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend, dient zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de jaren 2009, 2010 en 2011 dus in beginsel afgewezen te worden. Verweerder voert het (begunstigende) beleid op grond van richtlijn B062 dat aanvragen over een kalenderjaar tot maximaal 1 maart van het volgende jaar worden ingediend. Hieraan voldoet eiser voor de jaren 2009, 2010, en 2011 evenmin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts redelijkerwijs mogen besluiten dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is. Dat eisers curator niet eerder wist dat hij kosten voor curatele in rekening kon brengen en dat eiser daarvoor bijzondere bijstand zou kunnen krijgen, vormen geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan bijstand met terugwerkende kracht zou moeten worden verleend. De beroepsgrond faalt.

8.

Eiser voert voorts aan dat hij geen draagkracht heeft om de kosten van curatele over het jaar 2012 te voldoen. Daartoe voert hij - onder meer - aan dat verweerder ten aanzien van hem ten onrechte uitgaat van de bijstandsnorm voor verblijf in een inrichting. Eiser verblijft in een woonzorgboerderij en zijn verblijf aldaar voorziet niet in kost en inwoning. Eiser betaalt € 600,- huur per maand en zijn PGB kan en mag daarvoor niet aangewend worden.

9.

Hierover overweegt de rechtbank als volgt. Eisers aanvraag is een aanvraag om bijzondere bijstand. Op grond van artikel 35 van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin niet beschikt over middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm (...).

10.

De rechtbank stelt voorop dat de gemeente beleidsvrijheid heeft bij de vaststelling van de draagkrachtcriteria. Deze vrijheid ziet echter niet op de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze terecht vastgesteld op de norm bij verblijf in een inrichting van een alleenstaande. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eisers verblijf op de woonzorgboerderij voldoet aan de criteria zoals neergelegd in artikel 1, aanhef en onder f, van de WWB. In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:888) wordt uiteengezet dat de opgenomen begripsomschrijving van het begrip inrichting ertoe strekt om ten aanzien van voorzieningen voor maatschappelijke opvang een objectief waarneembare scheidslijn te trekken tussen datgene dat als, al dan niet begeleid, zelfstandig wonen kan worden beschouwd en datgene dat als verblijf in een inrichting moet worden beschouwd. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een inrichting is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang op welke wijze het verblijf in die inrichting wordt gefinancierd. In zoverre faalt eisers beroep. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat [woonzorgboerderij] zich richt op het bieden van verzorging, hulpverlening en begeleiding van aldaar verblijvende personen. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een situatie waarin gesproken kan worden van begeleid, zelfstandig wonen. Gelet op eisers zorgbehoefte en de zwaarte van zijn indicatie ligt dit ook niet voor de hand. Daarom is verweerder terecht uitgegaan van de bijstandsnorm voor een inrichting. De beroepsgrond faalt.

11.

Eiser voert voorts aan dat, in het geval toch van de inrichtingsnorm moet worden uitgegaan, sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond waarvan verweerder van zijn beleid ter zake van de bepaling van de draagkracht had moeten afwijken.

12.

Verweerder hanteert bij de bepaling van de draagkrachtcriteria het beleid als neergelegd in de Notitie Minimabeleid gemeente Boxmeer. Verweerder hanteert ingevolge dit beleid als uitgangspunt dat geen rekening wordt gehouden met buitengewone uitgaven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitgaven aan kost en inwoning die eiser op de desbetreffende boerderij heeft geen rol kunnen spelen. Voorts bestaat volgens verweerder geen aanleiding om de financiële omstandigheden die voortvloeien uit het verblijf op de [woonzorgboerderij] aan te merken als bijzondere omstandigheden die een afwijking van de beleidsregel noodzakelijk maken. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat het eisers keuze is om niet (langer) in een AWBZ bekostigde-instelling te verblijven, maar op de zorgboerderij. De hogere kosten die hieruit voortvloeien en die eiser niet zou hebben als hij in een AWBZ-instelling verbleef, kunnen dus niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt op grond waarvan afgeweken zou moeten worden van het beleid. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. De rechtbank heeft oog voor het feit dat de wetgever de bijstandsnorm voor een inrichting heeft afgestemd op de beperkte uitgaven die doorgaans bij verblijf in een inrichting voor rekening van de belanghebbende blijven omdat in kost en inwoning is voorzien. Onder omstandigheden kan bijzondere bijstand dan ook aanvulling bieden in die gevallen dat de bijstandsnorm voor een inrichting niet volstaat. Wanneer deze hogere kosten het gevolg zijn van de keuze voor een bepaalde zorgvorm, terwijl ook een goedkopere voorliggende voorziening voorhanden is, is verweerder naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs bevoegd om deze niet als bijzondere omstandigheden aan te merken op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het beleid. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder een berekening gemaakt van de draagkracht die eiser zou hebben als hij (nog steeds) in de AWBZ bekostigde inrichting zou verblijven. Volgens verweerders berekening zou eiser dan over voldoende draagkracht beschikken om zelf in de kosten van curatele te voorzien. Eiser heeft daar een eigen berekening tegenover gesteld waaruit volgt dat eiser in ieder geval wel aanspraak zou kunnen maken op bijzondere bijstand, maar niet tot het zelfde bedrag als waar hij nu aanspraak op maakt. Eisers draagkracht zou dus, ook volgens eiser, ruimer zijn dan het geval is nu hij op een woonzorgboerderij verblijft. De rechtbank zal zich niet uitlaten over de juistheid van eisers of verweerders berekening. Op grond van de berekening van beide partijen is namelijk duidelijk is dat verweerders standpunt dat er een goedkopere voorliggende voorziening is feitelijk juist is. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid geen bijzondere omstandigheden hoeven aan te nemen op grond waarvan eiser, in afwijking van verweerders beleid, in aanmerking moet worden gebracht voor bijzondere bijstand. De omstandigheid dat eiser, als hij wel in een AWBZ-inrichting zou verblijven, wellicht voor een kleiner deel wel aanspraak zou kunnen maken op bijzondere bijstand brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel aangezien een dergelijke aanvraag niet voorligt. De beroepsgrond faalt.

13.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.