Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:348

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-01-2014
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_3611
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitkeringen ingevolge de Ziektewet en Wet WIA, alsmede de toeslag ingevolge de Toeslagenwet zijn terecht met terugwerkende kracht/datum toekenning ingetrokken en teruggevorderd nu eiseres ten onrechte was aangemerkt als werknemer in het kader van de sociale verzekeringswetten. Geen sprake van dringende reden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 13/3611 en SHE 13/3910

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 januari 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. Y.T. Latour),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: V.A.R. Kali).

Procesverloop

Met betrekking tot zaaknummer 13/3611:

Bij besluit van 14 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar met ingang van 24 mei 2010 een uitkering is toegekend op grond van de Ziektewet (ZW), terwijl sprake was van een gefingeerd dienstverband. Eiseres was om deze reden, achteraf bezien, niet verzekerd voor de ZW. De uitkering wordt daarom met terugwerkende kracht herzien. Eiseres heeft alsnog vanaf 24 mei 2010 geen recht op een ZW-uitkering. Omdat van 24 mei 2010 tot en met 20 mei 2012 een bedrag van € 52.431,06 bruto aan uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) onverschuldigd is betaald, zal dit bedrag van haar worden teruggevorderd.

Bij besluit van 27 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met betrekking tot zaaknummer 13/3910:

Bij besluit van 15 april 2013 (primair besluit I) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 21 mei 2012 evenmin recht heeft op de aan haar per die datum toegekende uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij op haar eerste ziektedag, te weten 24 mei 2010, niet verzekerd was voor de ZW en de Wet WIA. Ook de aan eiseres toegekende uitkering ingevolge de Wet WIA wordt daarom met terugwerkende kracht vanaf 21 mei 2012 beëindigd (lees: ingetrokken).

Bij besluit van 16 april 2013 (primair besluit II) is eiseres meegedeeld dat zij niet alle informatie heeft doorgegeven die nodig is voor het vaststellen van haar uitkering. Daardoor heeft zij over de periode van 21 mei 2012 tot en met 30 april 2013 een bedrag van € 17.174,56 teveel aan uitkering ingevolge de Wet WIA en aan toeslagen ingevolge de Toeslagenwet (TW) ontvangen. Dit bedrag wordt van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 20 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren gericht

tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting ten aanzien van beide zaaknummers heeft plaatsgevonden op 19 november 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft over de periode van 24 mei 2010 tot en met 30 april 2013 uitkeringen op grond van de ZW en de Wet WIA, alsmede een toeslag ingevolge de TW ontvangen. Eiseres ontving deze uitkeringen uit hoofde van haar gestelde dienstverband bij [werkgever].

2.

Door de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) te Arnhem werd (onder de naam PARIJS) een onderzoek ingesteld naar [werkgever]. Tijdens dit onderzoek is door de SIOD geconstateerd dat voormalig werknemers van het bedrijf bij het Uwv uitkeringen hebben aangevraagd op grond van een dienstverband dat zij bij dit bedrijf zouden hebben gehad. Het onderzoek wees uit dat mogelijk sprake was van een fictieve onderneming en van gefingeerde dienstverbanden. Naar aanleiding van deze informatie heeft het Loket Gefingeerde Dienstverbanden (LGD) van verweerder vervolgens onderzoek verricht, onder meer naar het dienstverband van eiseres bij [werkgever]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport LGD met zaaknummer 1519041 van 29 november 2012.

3.

De resultaten van de beide onderzoeken zijn voor verweerder aanleiding geweest de aan eiseres toegekende uitkeringen ingevolge de ZW en Wet WIA en de eerder toegekende toeslag ingevolge de TW met volledig terugwerkende kracht in te trekken en al hetgeen hierdoor onverschuldigd is betaald van haar terug te vorderen. Aan de bestreden besluiten ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiseres, aangezien sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband, niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot [werkgever] heeft gestaan. Eiseres was om die reden niet aan te merken als verzekerde in de zin van de op dat punt vigerende sociale zekerheidswetgeving, waardoor zij volgens verweerder geen recht had op de ontvangen uitkeringen en toeslag. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder zich tevens op het standpunt gesteld dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden en dat ook daarom grond zou bestaan voor een herziening en terugvordering. Ter zitting heeft verweerder dit laatste standpunt laten varen. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd de bestreden besluiten gewijzigd te lezen, in die zin dat de aan eiseres eerder toegekende uitkeringen alle met volledig terugwerkende kracht worden ingetrokken (en al hetgeen onverschuldigd is betaald van eiseres wordt teruggevorderd) op de enkele grond dat eiseres nimmer verzekerd is geweest op grond van de ZW, de Wet WIA en de TW.

4.

Eiseres stelt dat verweerder haar zaak niet zorgvuldig heeft onderzocht, nu enkel is afgegaan op de resultaten van het SIOD-onderzoek. Eiseres betwist dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. In dit verband voert zij aan dat zij een arbeidscontract heeft getekend en arbeid heeft verricht, waarbij sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en haar werkgever. Eiseres stelt tot slot ook loon te hebben ontvangen. In dit verband verwijst zij naar informatie van de Belastingdienst waaruit volgt dat aangifte is gedaan voor de loonbelasting en dat SV-premies zijn afgedragen. Eiseres stelt dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de boekhouding van haar voormalige werkgever. Dat eiseres niet in detail heeft kunnen verklaren over haar werkzaamheden voor [werkgever] wijt zij aan geheugenproblemen, veroorzaakt door een postnatale depressie. Ter onderbouwing daarvan verwijst zij naar de e-mail van de heer [persoon 1], directeur zorg bij Esens GGZ.

5.

De rechtbank zal de bestreden besluiten gewijzigd lezen, zoals door verweerder verzocht en zoals weergegeven aan het slot van overweging 3. In dit geding is dan ook de vraag aan de orde of verweerder terecht heeft gesteld dat eiseres voorafgaand aan haar ziekmelding per 24 mei 2010 niet verzekerd was op grond van de sociale zekerheidswetten. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

6.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen (zoals de besluiten die hier aan de orde zijn) aan het bestuursorgaan om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren (zie onder meer de uitspraak van 8 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3885). Dit betekent in dit geval dat verweerder feiten moet aandragen op grond waarvan het aannemelijk is dat in de relevante periode geen sprake was van een dienstbetrekking van eiseres met [werkgever]. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale zekerheidswetgeving vervulde, ligt het vervolgens op de weg van eiseres de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare (dat wil zeggen controleerbare) gegevens, aannemelijk te maken.

7.

Onder een “gefingeerd dienstverband” verstaat verweerder een dienstverband dat alleen op papier bestaat. In werkelijkheid wordt door de betrokken persoon niet gewerkt en er wordt ook geen loon betaald. Door gebruik te maken van valse stukken, zoals loonstroken, arbeidsovereenkomst en urenlijsten, wordt de indruk gewekt dat de betrokkene wel heeft gewerkt.

8.

De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de zaak van eiseres voldoende zorgvuldig heeft onderzocht. Op grond van de resultaten van dat onderzoek is bovendien voldoende aannemelijk geworden dat eiseres vóór haar ziekmelding niet daadwerkelijk voor [werkgever] werkzaam is geweest. Zij heeft ook geen loon ontvangen. Van een reëel dienstverband is dan ook geen sprake geweest. Er is immers niet voldaan aan de daarvoor gestelde criteria/vereisten van gezag, arbeid en loon.

9.

Tot de gedingstukken behoren de conclusies en samenvatting van het SIOD-rapport. De rechtbank maakt daaruit op dat de vennootschap [werkgever] per 1 september 2010 is ontbonden. Als bestuurder en enig aandeelhouder van de onderneming stond te boek de onderneming [onderneming]. Ten tijde van belang was [persoon 2] bestuurder en enig aandeelhouder van deze laatste vennootschap (gegevens verkregen via de Kamer van Koophandel). [persoon 2] was tevens de echtgenoot van eiseres.

10.

De rechtbank is verder van oordeel dat het onderzoeksrapport van het SIOD en het onderzoeksrapport LGD met zaaknummer 1519041 van 29 november 2012 voldoende basis bieden voor de conclusie dat binnen [werkgever] nimmer activiteiten hebben plaatsgevonden en dat binnen het bedrijf sprake is geweest van gefingeerde dienstverbanden in bovenbedoelde zin, ook ten aanzien van eiseres. Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat door [werkgever] in 2008, 2009 en 2010 € 0,00 aan omzet is opgegeven. Op verzoeken om informatie ontving de Belastingdienst geen reactie. Een onderzoek naar de vestigingsadressen van [werkgever] leverde getuigenbewijs op, waaruit valt op te maken dat in de panden waarin het bedrijf volgens gegevens van de Kamer van Koophandel achtereenvolgens gevestigd zou zijn geweest, nooit activiteiten van betekenis hebben plaatsgevonden. Van juli 2008 tot april 2009 zou het bedrijf gevestigd zijn geweest op het adres [adres 1]. De verhuurder van dit pand heeft verklaard dat de eind-meterstanden (verbruik gas, water en elektra) bij oplevering van het pand aan het einde van de huurperiode nagenoeg gelijk waren aan de begin-meterstanden. Ook [persoon 3], eigenaar van het pand [adres 2], waar het bedrijf gevestigd zou zijn geweest van april 2009 tot september 2009 heeft verklaard nooit enige bedrijfsactiviteit te hebben gezien. Het enige wat zij zag was dat er brieven binnenkwamen op haar adres. Het adres [adres 3], vestigingsadres van de onderneming vanaf februari 2010, betreft een studentenwoning. Vier studenten die er wonen hebben verklaard geen bedrijfsactiviteit te hebben gezien. Bij de boekhouders van [werkgever], Bos & Partners te Ede en Orange Administraties te Zevenaar, zijn geen klanten, omzet of winsten van het bedrijf bekend. Ook zij hebben verklaard dat ze nimmer iets van bedrijfsactiviteiten hebben gemerkt. De inbeslaggenomen administratie toont geen omzet.

11.

Op grond van al deze gegevens kan volgens de rechtbank worden geconcludeerd dat geen sprake is geweest van enige reële, betaalde activiteit binnen de vennootschap en dat evenmin sprake is geweest van een reële deelname aan het economisch verkeer. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat sprake is geweest van opdrachten van opdrachtgevers, voor wie eiseres werkzaamheden heeft verricht. Aannemelijk is dat eiseres ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale zekerheidswetgeving vervulde. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de gegevens die zijn opgenomen in het door verweerder overgelegde SIOD-rapport. Het rapport is op ambtseed opgemaakt.

12.

Nu de rechtbank verweerders stellingen aannemelijk acht, dient op grond van de onder overweging 6 genoemde jurisprudentie van de CRvB te worden beoordeeld of eiseres de onjuistheid van verweerders standpunt aannemelijk heeft gemaakt met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens.

Eiseres stelt dat zij een arbeidscontract heeft getekend, dat zij arbeid heeft verricht, dat sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en haar werkgever en dat zij loon heeft ontvangen voor de door haar verrichte arbeid. Eiseres heeft al deze stellingen echter op geen enkele wijze onderbouwd. Zij heeft geen enkel (schriftelijk) bewijs overgelegd. Zo is er geen afschrift van de arbeidsovereenkomst en er zijn ook geen bewijzen van loonbetalingen (zoals loonstrookjes, kwitanties of een jaaropgave), die twijfel wekken aan de resultaten van het onderzoek. Eiseres heeft evenmin aangeboden haar stellingen te bewijzen door het horen van getuigen (zoals bijvoorbeeld [persoon 2], haar beweerdelijke werkgever).

13.

Eiseres meent dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de (slechte) boekhouding door haar werkgever (tevens haar echtgenoot). Dat klopt, maar het blijft wel zo dat het aan eiseres is om, tegenover de door verweerder gepresenteerde en door haar betwiste feiten, ter onderbouwing van haar stellingen met concrete en controleerbare tegenbewijzen te komen. Het komt de rechtbank onaannemelijk voor dat eiseres, ter staving van haar stellingen dat zij in dienst van [werkgever] schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht en dat zij van [werkgever] loon heeft ontvangen, in het geheel geen (schriftelijk of getuigen-) bewijs kan produceren. De stellingen van eiseres over de door haar verrichte werkzaamheden acht de rechtbank bovendien uiterst vaag en onaannemelijk. Zo zou eiseres door het hele land schoonmaakwerkzaamheden hebben verricht, elke dag op een ander kantoor. Zij heeft niets kunnen verklaren over de bedrijven waarvoor zij werkte. Op onderdelen zijn haar verklaringen inconsistent (vooral waar het betreft de werktijden). Haar stellingen zijn dus niet alleen oncontroleerbaar, ze zijn ook niet aannemelijk.

14.

Het feit dat eiseres stelt dat zij last heeft van geheugenproblemen, waardoor zij niet accuraat heeft kunnen verklaren omtrent haar werkzaamheden, verandert het oordeel van de rechtbank niet. Dit geldt ook voor de e-mail van de heer [persoon 1] van Esens GGZ, die eiseres ter onderbouwing van deze stelling heeft overgelegd. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen. Ook indien eiseres geheugenproblemen heeft, blijft het onbegrijpelijk dat zij geen schriftelijk of getuigenbewijs heeft kunnen overleggen en dat zij over haar werkzaamheden niets controleerbaars heeft kunnen verklaren. Eiseres verwijt verweerder dat hij geen aanvullend onderzoek heeft verricht. Volgens de rechtbank was verweerder daartoe niet verplicht. Het SIOD-onderzoek bevat voldoende aanknopingspunten en bewijs. Eiseres heeft daartegenover niets aangevoerd dat nader onderzoek mogelijk of noodzakelijk maakte.

15.

Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode van 1 oktober 2009 tot 24 mei 2010 daadwerkelijk arbeid in dienst van [werkgever] heeft verricht, is zij in het verleden ten onrechte aangemerkt als werknemer voor de sociale verzekeringswetten. Verweerder heeft dan ook terecht in de bestreden besluiten de uitkeringen ingevolge de ZW en Wet WIA, alsmede de toeslag ingevolge de TW met terugwerkende kracht/per datum toekenning ingetrokken en de (daardoor) ten onrechte uitgekeerde bedragen van eiseres teruggevorderd. Eiseres had, achteraf bezien, geen recht op uitkering.

16.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom zij, ondanks de afdracht van loonbelasting en premies, niet verzekerd was. De rechtbank overweegt omtrent deze stelling dat de afdracht van premies niet de enige voorwaarde voor toekenning van een uitkering op grond van een werknemersverzekering is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht en voldoende gedocumenteerd heeft gesteld dat eiseres niet verzekerd was, als gevolg waarvan zij niet valt aan te merken als werknemer in de zin van de sociale verzekeringswetten.

17.

Ook de beroepsgrond van eiseres dat verweerder in strijd met het rechtszekerheids- dan wel het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door de eerder aan haar betaalde uitkeringen met volledig terugwerkende kracht te herzien en van haar terug te vorderen, slaagt niet. Eiseres is nimmer feitelijk werkzaam geweest. Het moet haar duidelijk zijn geweest dat zij ten onrechte uitkering ontving. Verweerder was, gelet op de imperatieve redactie van artikel 33 van de ZW, artikel 77 van de Wet WIA en artikel 20 van de TW, gehouden de aan eiseres onverschuldigd betaalde uitkeringen van haar terug te vorderen, behoudens dringende redenen. Dergelijke dringende redenen doen zich in dit geval niet voor. Dat voor eiseres een onaanvaardbare financiële situatie zal ontstaan, is niet onderbouwd. Een moeilijke financiële situatie levert bovendien geen dringende reden op om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dit omdat de toepasselijke regeling met betrekking tot de beslagvrije voet bij invordering voldoende bescherming biedt. Deze aspecten zijn meegewogen bij de vaststelling van de (maandelijkse) aflossingscapaciteit van eiseres. Nog los van de vraag of de door eiseres gestelde psychische gevolgen van de terugvordering als onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van de terugvordering moeten worden gezien, heeft eiseres deze stelling niet met medische stukken onderbouwd. Verweerder heeft dan ook terecht de uitkeringen ingevolge de ZW, Wet WIA en toeslag ingevolge de TW van eiseres teruggevorderd.

18.

De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.A.J. Zijlstra, voorzitter, mr. F.M. Tadic en

mr. N.W.A. Verrijt, leden, in aanwezigheid van A.P.C. Lensvelt LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.