Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3479

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
01/839284-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek voorarrest voor het voorhanden hebben van 2 vuurwapens en een aantal patronen.

Vrijspraak van de handel in cocaïne en het voorhanden hebben van hennep en cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839284-12

Datum uitspraak: 07 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 oktober 2012, 13 juni 2014 en 23 juni 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 september 2012.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 juni 2014 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 8 mei 2012 te Eindhoven en/of Valkenswaard en/of Veldhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, één of meer hoeveelheden van een middel bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

hij op of omstreeks 9 mei 2012 te Eindhoven een of meer wapens van categorie III, te weten twee vuurwapens (van het merk Glock en/of Mauser), en/of munitie van categorie III te weten 27 patronen (9mm Luger), voorhanden heeft gehad;

hij op of omstreeks 09 mei 2012 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1150 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

hij op of omstreeks 9 mei 2012 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 59 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de verdenking tegen verdachte tot stand is gekomen op grond van vermoedens, die niet worden onderbouwd door feiten en omstandigheden. Daardoor is ten aanzien van verdachte ten onrechte een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit aangenomen. De door de officier van justitie afgegeven machtiging tot binnentreden en het binnentreden in de woning van verdachte en de doorzoeking van de woning en de door de politie met verdachte in verband gebrachte garageboxenzijn daarmee onrechtmatig Op grond daarvan dient de officier van justitie primair niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging. Subsidiair stelt de raadsman dat het bij de doorzoeking aangetroffen bewijsmateriaal moet worden uitgesloten van het bewijs.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming voldoende gronden bevat voor de verleende machtiging tot doorzoeking. Er was meer dan voldoende verdenking tegen verdachte en bovendien heeft de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de doorzoeking getoetst.

De rechtbank overweegt als volgt. Op 7 februari 2012 is een onderzoek gestart naar aanleiding van bij de CIE binnengekomen informatie over handel in verdovende middelen door [medeverdachte 1].

In het onderzoek telecommunicatie van medeverdachte [medeverdachte 1] kwam naar voren dat afnemers inbelden naar het nummer [telefoonnummer 1], dat gedurende het onderzoek steeds in gebruik was. De inbellende afnemer werd vervolgens teruggebeld met een ander telefoonnummer, nummer [telefoonnummer 2] of [telefoonnummer 3]. [medeverdachte 1] maakte veelvuldig gebruik van deze telefoons. Uit het onderzoek bleek voorts dat [medeverdachte 1] telefonisch contact had met verdachte (tapgesprek op 24 april 2012, pagina 649 van het eindproces-verbaal) en dat er door [medeverdachte 1] en andere verdachten werd gesproken over de “[naam 1]” (tapgesprekken op 24, 25 en 26 april 2012, pagina 650, 657, 658 en 659 van het eind-procesverbaal en het tapgesprek nummer 402 op 20 april 2012, opgenomen bij de aanvraag doorzoeking).

Uit onderzoek van de politiesystemen bleek dat verdachte de bijnaam “(de) [naam 1]” heeft. Verder bleek uit onderzoek van de politiesystemen dat verdachte garageboxen in gebruik had die gelegen waren achter en schuin tegenover zijn woning en dat hij een van de garages deelde met medeverdachte [medeverdachte 1].(pagina 813, mutatieverslag van 25 januari 2012 van buurt coördinator [verbalisant 1]). Bovendien was bekend dat verdachte in het verleden is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, het bezit van vuurwapens en explosieven.

Naar het oordeel van de rechtbank waren voornoemde feiten en omstandigheden voldoende voor een verdenking van een strafbaar feit in de zin van de Opiumwet.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de doorzoekingen rechtmatig zijn en dat deze niet in de weg staan aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie en dat de resultaten van de doorzoekingen voor het bewijs mogen worden gebruikt.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan (ook voor het overige) in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak voor de feiten 1, 3 en 4.

De officier van justitie en de raadsman van verdachte concluderen tot vrijspraak van het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 en feit 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende wettige bewijsmiddelen op grond waarvan de strafbare betrokkenheid van verdachte bij deze feiten kan worden vastgesteld.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte op 9 mei 2012 een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad te Eindhoven (feit 4).

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij niet wist dat er cocaïne in de schuur lag.

De rechtbank is van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De hoeveelheid cocaïne is, zoals blijkt uit het dossier, aangetroffen in een garagebox in de nabijheid van de woning van verdachte. Op grond van de inhoud van het dossier is naar het oordeel van de rechtbank wel aannemelijk dat verdachte toegang had tot de garagebox. Het staat echter niet met zekerheid vast dat verdachte bekend was met de aanwezigheid van deze cocaïne. Verdachte dient daarom van het onder 4 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Bewijs voor feit 2.

Bronnen.

I. Een eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Eindhoven, onderzoeksnummer 2233120305, onderzoek “Woestijnlynx”, proces-verbaalnummer 2012021864, afgesloten d.d. 6 juli 2012, aantal doorgenummerde bladzijden: 1496.

Dit eindproces-verbaal bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede andere bescheiden.

II. Een eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Eindhoven, onderzoeksnummer 2012021864, onderzoek “Woestijnlynx”, afgesloten d.d.
2 oktober 2012, aantal doorgenummerde bladzijden: 372.

Dit eindproces-verbaal bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede andere bescheiden.

Inleiding.

Verdachte wordt onder feit 2 verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van twee vuurwapens en bijbehorende munitie op 9 mei 2012. Deze wapens en munitie zijn aangetroffen in een garagebox in de nabijheid van de woning van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, op grond van het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte op de wapens, de bevindingen van [verbalisant 1], die ambtshalve heeft vernomen dat de garagebox bij verdachte in gebruik is, alsmede de verklaring van de eigenaar van de garagebox, die verklaart dat de wapens niet aan hem toebehoren.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat er geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor wapenbezit door verdachte. Niet kan aangetoond worden dat verdachte in de garagebox is geweest of dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van die wapens aldaar. De aanwezigheid van DNA-materiaal van verdachte op de wapens maakt dit niet anders, nu niet duidelijk is hoe en wanneer dat DNA-materiaal op de wapens terecht is gekomen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op 9 mei 2012 hebben op verschillende locaties in Eindhoven doorzoekingen plaatsgevonden in het kader van een onderzoek naar de handel in verdovende middelen.

In een garagebox [nummer] aan [adres 2] te Eindhoven, in de nabijheid van de woning van verdachte, werden twee vuurwapens en munitie aangetroffen.1

Door de politie werd onderstaand wapen nader omschreven en gecategoriseerd:

“Ik zag dat dit voorwerp een semi-automatisch centraalvuur pistool was van het merk

Mauser, model P08, kaliber 9x19 millimeter (SIN AAEA8056NL).

Dit voorwerp is bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing.

Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie 111 onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie 11 sub 2, 3 of 6 van de Wet Wapens en Munitie.”2

Door de politie werden onderstaand wapen en onderstaande munitie nader omschreven en gecategoriseerd;

Wapen:

“Ik zag dat dit voorwerp een semi-automatisch centraalvuur pistool was van het merk

Glock, model 26, kaliber 9x19 millimeter (SIN AAEAB057NL).

Dit voorwerp is bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing.

Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II sub 2, 3 of 6 van de Wet Wapens en Munitie.

Munitie:

Ik zag dat dit in totaal 27 centraalvuur volmantel patronen van het kaliber 9 millimeter Luger (9x19 millimeter) waren. Ik zag dat deze patronen kennelijk ongebruikt en geheel in tact waren en dat de slaghoedjes onbeschadigd waren.

Na het ontladen van een van de patronen van elk merk zag ik dat deze patronen waren

voorzien van een kruitlading.”3

Gezien bovenstaande is dit munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie. Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met boven omschreven pistool Glock 26.

[verbalisant 1], buurtbrigadier van de politie, relateert dat verdachte gebruik maakt van de garagebox. Verschillende buurtbewoners hebben hem daarover meermalen aangesproken.4

De wapens werden na inbeslagneming bemonsterd en onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut op de aanwezigheid van DNA-materiaal.

Van één monster aangetroffen op een wapen (Glock) werd een volledig DNA-profiel verkregen van verdachte, van een monster aangetroffen op het andere wapen (Mauser) werd een onvolledig DNA-profiel van verdachte verkregen. Beide met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.5

De eigenaar van de garagebox, [betrokkene 1], is gehoord en hij verklaart dat de wapens hem niet toebehoren. Hij zegt niets te weten van de aanwezigheid van wapens. Hij stelt de garagebox slechts te gebruiken voor het stallen van een auto. Volgens de politie heeft [betrokkene 1] echter geen voertuigen op zijn naam staan. Verdachte is volgens [betrokkene 1] een peetoom van zijn kind.6

Verdachte wil met betrekking tot de garagebox en de daarin aangetroffen wapens geen verklaring afleggen.

De rechtbank overweegt dat daarmee de bevindingen van [verbalisant 1] door verdachte niet onderbouwd worden weerlegd.

Gelet op hetgeen [verbalisant 1] over het gebruik van de betreffende garagebox heeft gerelateerd en het feit dat het DNA-profiel van verdachte op beide wapens is aangetroffen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 mei 2012 de twee wapens en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(feit 2):

op 9 mei 2012 te Eindhoven wapens van categorie III, te weten twee vuurwapens (van het merk Glock en Mauser) en munitie van categorie III, te weten 27 patronen (9mm Luger), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 2 en feit 4 gevorderd:
- een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest;
- verbeurdverklaring van de goederen die zijn vermeld onder nummers 8, 22, 24 en 25 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;
- onttrekking aan het verkeer van de goederen die zijn vermeld onder de nummers 2 tot en met 5, 14 tot en met 16 en 20 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.
De goederen die zijn vermeld onder de nummers 6, 7, 11 tot en met 13, 17 tot en met 19 en 23 op genoemde lijst dienen te worden teruggeven aan verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft in verband met een eventueel op te leggen straf gewezen op het tijdsverloop in de afdoening van de zaak (de inverzekeringstelling van verdachte op
9 mei 2012 en de inhoudelijke behandeling van de zaak op 13 juni 2012), de tijd die verdachte in beperkingen heeft gezeten tijdens zijn voorarrest en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is recent niet veroordeeld en heeft geen financiële problemen.

De raadsman verzoekt alle in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wapenbezit. Het betrof twee vuurwapens, waarvan één geladen was en gereed was voor gebruik, en bijbehorende munitie. De rechtbank rekent dit verdachte mede gelet op de aangetroffen gevaarzettende situatie zwaar aan. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte, hoewel voor het laatst in 2006, reeds meermalen voor wapenbezit is veroordeeld tot forse straffen en deze veroordelingen hem er kennelijk niet van hebben weerhouden opnieuw de fout in te gaan.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de vordering is gebaseerd op bewezenverklaring van de feiten 2 en 4 en de rechtbank tot bewezenverklaring van feit 2 komt. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 36b, 36c, 57.

Wet wapens en munitie art. 2, 26, 55.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 3 en 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

en:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht.

Beslag.

Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen van 8 mei 2012 met nummers 2, 4, 5, 14, 15, 16, 20, 21 en 24.

Teruggave aan verdachte van de in beslag genomen goederen, vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen van 8 mei 2012, met nummers 3, 6, 7, 8, 11, 12, 13, 17, 18, 19, 22 en 25.

Beslissing met betrekking tot de voorlopige hechtenis.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 22 juni 2012 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 7 juli 2014.

1 Bron I, p. 250, 251, 1103, 1106 t/m 1119 en bron II, p. 24 t/m 26, 114 t/m 120.

2 Proces-verbaal onderzoek wapen, Bron I, p. 1106, 1107

3 Proces-verbaal onderzoek wapen, Bron I, p. 1112, 1113:

4 Bron I, p. 753 t/m 756, 845.

5 Bron II, p. 89.

6 Bron I, p. 569 e.v.