Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3478

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
01/839285-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor het met anderen handelen in cocaïne gedurende de periode van ongeveer een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839285-12

Datum uitspraak: 07 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 augustus 2012, 19 oktober 2012, 10 juni 2014 en 23 juni 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juli 2012.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 juni 2014 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 8 mei 2012 te

Eindhoven en/of Valkenswaard en/of Veldhoven, althans in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, één of meer

hoeveelheden van een middel bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bronnen.

I. Een eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Eindhoven, onderzoeksnummer 2233120305, onderzoek “Woestijnlynx”, proces-verbaalnummer 2012021864, afgesloten d.d. 6 juli 2012, aantal doorgenummerde bladzijden: 1496.

Dit eindproces-verbaal bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede andere bescheiden.

II. Een eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Eindhoven, onderzoeksnummer 2012021864, onderzoek “Woestijnlynx”, afgesloten d.d. 2 oktober 2012, aantal doorgenummerde bladzijden: 372.

Dit eindproces-verbaal bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede andere bescheiden.

III. Getuigenverhoren bij de rechter-commissaris.

Inleiding.

Verdachte wordt verdacht van het medeplegen van de handel in cocaïne dan wel het aanwezig hebben van cocaïne in de periode van 1 februari 2010 tot en met 8 mei 2012.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert dat het medeplegen van de handel in cocaïne in de periode van 1 februari 2010 tot en met 8 mei 2012 wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van afgeluisterde telefoongesprekken, verklaringen van afnemers en getuigen en het aantreffen van een aanzienlijk bedrag aan contant geld in de woning van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte stelt dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan handel in cocaïne maar dan gedurende een kortere periode dan in de tenlastelegging is genoemd, namelijk van mei 2011 tot en met 8 mei 2012. De raadsman concludeert dat er geen sprake is van medeplegen nu er onvoldoende blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met anderen bij het incidenteel en in wisselende samenstellingen afleveren van hoeveelheden drugs.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen:

De bewijsmiddelen zijn steeds kort en zakelijk weergegeven.

Telefoons

In januari en maart 2012 is bij de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost de informatie binnengekomen dat [medeverdachte 1] (ook wel [naam 1] genaamd) zou handelen in cocaïne. Hij zou daarbij gebruik maken van een mobiele telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 1].1 In februari 2012 is in de gemeente Eindhoven een onderzoek gestart naar de handel in harddrugs. Dit onderzoek was genaamd “Woestijnlynx”.2 In dat onderzoek werden, naast bovengenoemd telefoonnummer, ook andere telefoonnummers afgeluisterd, waaronder het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3].3 [verbalisant 1] heeft de stem van [medeverdachte 1] herkend op de afgeluisterde lijn van dit laatste telefoonnummer.4 [verbalisant 1] heeft [medeverdachte 1] ook herkend als gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 5].5 Verdachte wordt door [verbalisant 1] herkend als gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. [verbalisant 1] is buurtbrigadier in de wijk waar [medeverdachte 1] en verdachte wonen en verklaart dat hij regelmatig een gesprek met hen heeft.6

Getuigenverklaringen.

In het onderzoek kwamen verschillende personen als verdachte dan wel als betrokkene naar voren. Van een aantal personen zijn foto’s opgevraagd uit de gemeentelijke basisadministratie.

Het gaat om onder andere de onderstaande personen met bijbehorende foto's:

Foto 3:

[medeverdachte 2], geboren op [1983] te [geboorteplaats], wonende [adres 2];

Foto 5:

[verdachte], geboren op [1989] te [geboorteplaats], wonende [adres 1]

Foto 6:

[medeverdachte 1], geboren op [1989] te [geboorteplaats], wonende [adres 3]

Foto 8:

[medeverdachte 3], geboren op [1967] te [geboorteplaats], wonende [adres 4].7

De rechtbank stelt vast dat aan de getuigen steeds dezelfde reeks foto’s is getoond.

[getuige 1] heeft op 3 juli 2012 verklaard dat hij ongeveer van 2010 tot 2011 voor hun heeft gereden. Met hun bedoelt hij [naam 1]. Daarvóór heeft hij van [naam 1] gekocht. Hij werd gebeld en dan belde hij met een andere telefoon terug. Hij ontving van [naam 1] de gsm’s en de auto. Hij kreeg 10 halve grammen mee. Wanneer de drugs op waren belde hij [naam 1] en die kwam nieuwe brengen. Hij verkocht ongeveer 20 a 30 halve grammetjes per avond. Hij had ongeveer 100 afnemers.

Hij verklaart: “Op foto vijf staat de man die de spullen aanleverde als [naam 1] er niet was. Ik heb hem via [naam 1] leren kennen. Ik kreeg van hem ook de verdovende middelen. Ik kreeg van hem 2 gripzakjes mee. In ieder gripzakje zaten 10 sealtjes van een halve gram.

De jongen op foto 6 ken ik als [naam 1]. Via hem is het allemaal begonnen. Ik kocht ongeveer al twee jaar bij [naam 1] en ik was vaste klant bij hem. Na die twee jaar vroeg [naam 1] op een bepaald moment of ik voor hem wilde rijden. Toen ben ik er mee gestart. [naam 1] vertelde me dan waar ik heen moest rijden om de cocaïne te leveren.8

[getuige 2] heeft op 19 mei 2012 verklaard dat hij wanneer hij verdovende middelen nodig had belde naar een telefoonnummer dat in zijn gsm stond. Dit nummer is: "[telefoonnummer 1]". Dit nummer stond in zijn telefoon onder “[naam 1] 3”. Hij heeft nooit naar een ander gsm-nummer moeten bellen om [naam 1] 3 te pakken te krijgen. Er werd nooit opgepakt. Als hij naar het genoemde nummer had gebeld werd er met een ander, een onbekend nummer terug gebeld. Hij is door verschillende personen teruggebeld. Dat waren jongens die hij kent als [naam 1] en [naam 2]. Nadat hij werd teruggebeld werd er een plaats voor een ontmoeting afgesproken. Hij ging vervolgens naar de afgesproken plek. Uiteindelijk kwamen ze met de auto aangereden. Dit waren verschillende auto’s, soms een zwarte Volkswagen Polo. Hij sprak de jongens die van Marokkaanse afkomst waren aan met de naam [naam 1] en [naam 2]. Er is ook wel eens een derde persoon geweest van wie hij kocht. Hij kocht alleen maar cocaïne en die zat altijd in een sealtje verpakt.

Hij verklaart: “De persoon op foto nummer 5: Dat is [naam 2]. Van hem heb ik cocaïne gekocht, meerder keren. De persoon op foto nummer 6: Dat is [naam 1], zeker weten. Van hem heb ik ook vaak cocaïne gekocht. Hij zat vaak samen met [naam 2] in de auto's die ik al heb genoemd.”9

[getuige 3] heeft verklaard dat hij cocaïne gebruikt. Als hij verdovende middelen wilde bestellen belde hij naar een 06-nummer. Er kwamen telkens verschillende personen. Hij belde reeds een jaar of vier naar dezelfde personen die hem dan cocaïne kwamen brengen. Er werd nooit opgepakt. Men belde terug met een privé nummer. Zij spraken dan af. Hij weet dat deze jongens ergens in Gestel wonen of vaak verbleven. Hij gaf dan 20 euro en zij gaven hem dan een sealtje. Dit sealtje hadden ze dan al in de hand..

Hij verklaart: “Persoon op foto 5: Deze persoon ken ik. Van hem kocht ik de cocaïne. Ik heb van hem ongeveer nu een jaar gekocht. Dit dan een paar maal per week.

Persoon op foto 6: Deze persoon ken ik ook. Ook van hem heb ik gekocht. Van hem heb

ik voor het eerst vier jaar geleden gekocht. Ik kocht toen van hem ook cocaïne, meestal ook een paar keer per week. Het laatste jaar kocht ik echter van de eerder genoemde persoon op foto nummer 5. De persoon op foto nummer 6 was nog wel aanwezig, als ik bij nummer 5 cocaïne kocht.”10

[getuige 4] heeft op 31 mei 2012 verklaard dat hij tot april 2012 bijna dagelijks cocaïne heeft gebruikt. Wanneer hij het nummer belde om de verdovende middelen te bestellen werd er niet opgenomen, maar werd hij terug gebeld door een onbekend nummer. Het was niet steeds dezelfde persoon die hem terug belde. Ze noemden nooit namen, maar hij wist dat het wisselde omdat hij ze later ook zag. Het waren mannen van buitenlandse afkomst. Het nummer dat hij als laatste steeds moest bellen, gebruikte hij nu een klein jaar. Hij schat dat hij in de loop der jaren een paar honderd keer bij die jongens heeft besteld en geleverd gekregen. De cocaïne zat verpakt in een coke-sealtje wit van kleur. Een brok zat verpakt in een boterhamzakje of een stuk plastic. Een brok was pure cocaïne. Hij rookte de cocaïne dus ik moest altijd pure cocaïne hebben.

Hij verklaart: “Persoon op foto 5: Die ken ik wel, maar niet van naam: hij zat wel eens in één van de auto's. Van hem ik wel eens cocaïne aangenomen.

Persoon op foto 6: Die jongen heb ik ook wel eens gezien. Hij is een keer bij mij thuis geweest. Hij zat ook vaker in de genoemde auto's. Ik heb van hem ook wel ooit cocaïne aangenomen. Ik heb ook aan hem geld betaald dus ik heb van hem cocaïne gekocht. Dat geld ook voor de persoon op foto 5.”11

[medeverdachte 3] heeft op 9 en 10 mei 2012 verklaard dat hij cocaïne rookt.

Wanneer hij drugs nodig heeft, belt hij [telefoonnummer 1]. Hij wordt dan teruggebeld. Hij heeft een gsm van zijn dealer gekregen met [telefoonnummer 6]. De man op foto 5 is er wel ooit bij geweest als ze hem drugs kwamen leveren.

Hij kreeg drugs geleverd en moest die klaar maken om te roken. Hij proefde de drugs. De drugs zaten in een wit envelopje.

De cokepers die bij hem in de schuur is aangetroffen is daar neergezet door zijn dealer genaamd [naam 3]. Hij kent zijn echte naam niet, maar hij herkent hem wel op foto 5. Hij woont bij hem in de straat. Hij was samen met [medeverdachte 1]. Op foto 6 herkent hij [medeverdachte 1].

Hij zegt dat hij wordt genaaid door de [naam 3] en [medeverdachte 1]. Hij gaf ze toegang tot zijn woning omdat hij dan gratis coke kreeg. Ze verpakten cocaïne in zijn huis. Dit was voor de losse verkoop. Het was of alleen [naam 3] of [naam 3] samen met [medeverdachte 1]. Ze namen de coke altijd zelf mee. Hij weet zeker dat het cocaïne was, omdat hij een envelopje kreeg dat was gemaakt van de voorraad welke ze bij hem verpakten. Als het verpakt was nam altijd [naam 3] de drugs mee uit zijn huis.

[medeverdachte 1] levert ook wel bij mij, maar meestal is het [naam 3]. Ze hebben meerdere nummers gehad, maar het laatste half jaar was het nummer [telefoonnummer 1].12

Bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 3] aan [adres 4] is een mal en kleinere mallen aangetroffen. [verbalisant 2] heeft verklaard dat het hem ambtshalve bekend is dat met die mallen drugs worden geperst.13

[getuige 5] heeft op 9 en 10 mei 2012 verklaard dat hij cocaïne gebruikt.

Hij sms’t naar een nummer of laat hem een paar keer overgaan en verbreekt dan de verbinding. Hij wordt dan terug gebeld en krijgt te horen dat hij bijvoorbeeld over een half uur of 5 minuten naar buiten moet komen.Er staat dan iedere keer iemand anders. Ook wel eens [naam 2]. Hij koopt meestal een halve gram per keer. Iedere dag.

[medeverdachte 1] heeft hem een jaar tot anderhalf jaar geleden een nieuw telefoonnummer gegeven.

Hij verklaart: Foto 5: [naam 2]. Dit is de [naam 2] waar ik altijd van kocht, die mij bijna altijd kwam brengen.

Foto 6: [medeverdachte 1].

Het nummer dat hij belde is [telefoonnummer 1]. [naam 2] heeft ongeveer anderhalf jaar geleden voor het eerst aan hem drugs verkocht .

Ongeveer 5 jaar geleden kwam [medeverdachte 1] voor het eerst in beeld.14

[getuige 6] heeft verklaard dat hij al een jaar of twee, drie cocaïne gebruikt.

Nadat hij had gebeld naar het nummer werd er meestal niet opgenomen maar werd hij met een onbekend nummer teruggebeld. Er werd dan een afspraak gemaakt, meestal in Eindhoven. Hij heeft altijd van dezelfde persoon gekocht.

Er werd een plek afgesproken waar ze elkaar zouden ontmoeten. Hij stapte dan bij hem in de auto. Meestal zat hij alleen in de auto ooit zat er een tweede persoon bij. Hij zei dan wat hij wilde hebben.

De man die mij verkocht had de verdovende middelen al in zijn hand wanneer getuige in de auto instapte. De cocaïne was verpakt in een wit sealtje. Getuige heeft het afgelopen jaar bij hem gekocht. Een Marokkaans uitziende jongen kwam de levering doen.

Getuige verklaart: “Persoon op foto 5: Dit is de jongen waar ik de cocaïne steeds van heb gekocht.”15

Geld.

Op 9 mei 2012 is verdachte aangehouden in de woning [adres 1].

Tijdens de doorzoeking van de woning zijn in de woning de volgende goederen aangetroffen en in beslag genomen:

PL2219-2012021864-517377, geld, 750 Euro, Nederland, waarde EUR 750.00,

bijzonderheden aangetroffen slaapkamer ouders, 15x50 euro;

PL2219-2012021864-517380, geld, 3050 Euro, Nederland, waarde EUR 3050.00,

bijzonderheden aangetroffen slaapkamer ouders, 3x500, 1x200, llx100, 5x50;

PL2219-2012021864-517391, geld, 1710 Euro, Nederland, waarde EUR 1710.00,

bijzonderheden aangetroffen slaapkamer verdachte [verdachte], 9x50,45x20,34x10,4x5 euro;

PL2219-2012021864-517395, geld, 2100 Euro, Nederland, waarde EUR 2100.00,

bijzonderheden aangetroffen slaapkamer verdachte [verdachte],1x200, 17x100, 4x50 euro.16

De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode van 1 mei 2011 tot en met 8 mei 2012 tezamen met anderen heeft gehandeld in cocaïne. Gelet op de verklaringen van de getuigen over de periode waarin zij van verdachte cocaïne kochten spreekt de rechtbank verdachte vrij van het handelen in de periode 1 februari 2010 tot 1 mei 2011.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 1 mei 2011 tot en met 8 mei 2012 te Eindhoven en Valkenswaard en Veldhoven, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert onder bewezenverklaring van het tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Zij vordert daarnaast verbeurdverklaring van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen, onder andere geld en telefoons.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht om bij bewezenverklaring van het tenlastegelegde te volstaan met een vrijheidsstraf waarvan de duur gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een taakstraf en een deel voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij heeft daarbij gewezen op het tijdsverloop in de afdoening van de zaak, het ontbreken van relevante justitiële documentatie en het geringe gevaar voor recidive. De raadsman heeft verzocht het inbeslaggenomen geld aan (de familie van) verdachte terug te geven.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk handelen in cocaïne. Verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de consequenties van zijn handelen. Cocaïne is niet alleen een stof waarvan het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid, maar het gebruik daarvan is ook direct en indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit.
Verdachte heeft het door hem gepleegde strafbare feit gepleegd in georganiseerd verband.

Ook neemt de rechtbank in overweging dat verdachte gedurende de bewezen verklaarde periode intensief heeft gehandeld in cocaïne.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat sinds het tijdstip waarop het door hem gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad geruime tijd is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode, afgezien van een verkeersovertreding, geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten.

De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de officier van justitie bij haar eis is uitgegaan van de tenlastegelegde pleegperiode maar de rechtbank een kortere pleegperiode bewezen heeft verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen geldbedragen en telefoons vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat deze op de slaapkamer van verdachte aangetroffen geldbedragen en voorwerpen aan verdachte toebehoren en verdachte die geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden. De geldbedragen zijn geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit verkregen, en het feit is begaan met behulp van die telefoons. De rechtbank betrekt daarbij dat de handel in cocaïne in het algemeen gepaard gaat met de aanwezigheid van grote bedragen contant geld. Bovendien bestaat het aangetroffen bedrag grotendeels uit de in de cocaïne handel veel gebruikte coupures van 50 en 20 euro en heeft verdachte geen aannemelijke verklaring afgelegd over de herkomst van het geld.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 47, 57.

Opiumwet art. 2, 10.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verbeurdverklaring van:

een geldbedrag van € 1710,00 en een geldbedrag van € 2100,00 (genoemd op de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 8 mei 2014 onder nummer 6 en 7);

vier (4) mobiele telefoons (genoemd op de kennisgeving van inbeslagneming d.d.

8 mei 2014 onder nummers 8, 9, 10 en 11.

Beslissing met betrekking tot de voorlopige hechtenis.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 23 oktober 2012 reeds geschorst.

Beslissing met betrekking tot het beslag.

Teruggave inbeslaggenomen goederen aan verdachte, te weten: een geldbedrag van

EUR 750,00 en een geldbedrag van EUR 3050,00 (genoemd op de kennisgeving van

inbeslagneming d.d. 8 mei 2014 onder nummer 2 en 3).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. S.J. W. Hermans en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 7 juli 2014.

Mr. Sangers-de Jong is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Bron I, p. 84 t/m 86, 88.

2 Bron I, p. 9 en 10.

3 Bron I, p. 598.

4 Bron I, p. 600 en 603.

5 Bron I, p. 610 en 631.

6 Bron I, p. 603.

7 Bron I, pv van bevindingen p. 678

8 Bron 1 pv van verhoor p. 1264-1272

9 Bron I, pv van verhoor p. 1275-1279.

10 Bron I, pv van verhoor p. 1288-1291

11 Bron I, pv van verhoor p.1294-1298

12 Bron I, pv van verhoor verdachte, p.1412-1420

13 Bron I pv van bevindingen p. 469 en 1229.

14 Bron I, pv verhoor p. 1443-1446

15 Bron 1, pv van verhoor p. 1280

16 Bron I, p.149 en 150