Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3477

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
01/839540-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:132
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor doodslag op zijn vrouw en poging tot doodslag op zijn zoon. Ten tijde van de delicten bevond verdachte zich in een delirium. Door zijn keuzes en handelen rond alcohol- en medicijngebruik heeft verdachte zelf in wezenlijke mate bijgedragen aan het intreden van het delirium. Verdachte komt geen beroep toe op volledige ontoerekenbaarheid. Er is geen sprake van afwezigheid van alle schuld. De strafbare feiten kunnen verdachte in sterk verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek voorarrest en een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd. Aan de twee kinderen van de verdachte dient verdachte de immateriële schade van ieder € 25.000,-- te vergoeden. Tevens moet verdachte de nabestaande de materiële schade van

€ 5.177,56 vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839540-13

Datum uitspraak: 04 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1971 1],

preventief gedetineerd in de P.I. Vught, PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 juli 2013, 11 oktober 2013, 3 januari 2014, 28 maart 2014 en 20 juni 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 juni 2013.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 20 juni 2014 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 april 2013 te Reek, gemeente Landerd, opzettelijk en (al dan niet)

met voorbedachten rade [slachtoffer 1] (zijn vrouw) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

in haar halsstreek gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

[Artikel 289 subsidiair artikel 287 Wetboek van Strafrecht]

2.

hij op of omstreeks 28 april 2013 te Reek, gemeente Landerd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer 2] (zijn zoon) van het leven te beroven, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen, althans eenmaal) voornoemde [slachtoffer 2] met zijn hoofd tegen een ruit (van een schuifpui) heeft gegooid en/of geduwd en/of geslagen en/of (meermalen, althans eenmaal) voornoemde [slachtoffer 2] met de keukenlade en/of bestekbak en/of een hard en/of stomp en/of penetrerend voorwerp tegen het hoofd en/of gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

[Artikelen 45 en 289, subsidiair artikelen 45 en 287 Wetboek van Strafrecht]

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Partiële vrijspraak.

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte met voorbedachte rade zijn vrouw[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd (feit 1) en zijn zoontje [slachtoffer 2] heeft geprobeerd van het leven te beroven (feit 2), zodat verdachte voor dat onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachten rade" moet namelijk komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit, en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dat volgt niet uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting.

Bewijs.

Inleiding.

Op 28 april 2013, omstreeks 22.26 uur kreeg de centrale meldkamer de melding dat er een steekpartij had plaatsgevonden in de woning [adres 1] te [gemeente].

Ter plaatse werden de politie-eenheden doorverwezen naar het adres [adres 2]. In de hal van die woning werd het slachtoffer[slachtoffer 1] hevig bloedend op de grond aangetroffen. Zij had een steekwond in haar hals. Zij was zo ernstig gewond dat werd begonnen met reanimeren. Vanwege ruimtegebrek werd [slachtoffer 1] naar de oprit van de woning verplaatst. De ingezette reanimatie werd op 28 april 2013 te 22.58 uur gestaakt. [slachtoffer 1] is op de oprit van de woning [adres 2] overleden.

In de woning [adres 1] werd [slachtoffer 2] zwaargewond op de keukentafel aangetroffen. Er werd bij hem een grote hoofdwond geconstateerd en hij werd in kritieke toestand overgebracht naar het ziekenhuis. Verdachte werd in de woning [adres 1] aangehouden.

Deze feiten en omstandigheden kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op zijn vrouw en een poging doodslag op zijn zoon.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het op schrift gesteld requisitoir aangevoerde gronden acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de doodslag op zijn vrouw [slachtoffer 1] (feit 1) en de poging doodslag op zijn zoon [slachtoffer 2] (feit 2) heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de in de pleitnota aangevoerde gronden primair -kort gezegd- bepleit dat verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet had om zijn vrouw en zoon van het leven te beroven.

Het oordeel van de rechtbank.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bijlage bij dit vonnis (bladzijde 13 tot en met 20) en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Uit het dossier en dan met name de verklaringen van de kinderen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], zoals tijdens het studioverhoor door hen is afgelegd, blijkt dat beiden getuige zijn geweest van geweld dat verdachte, hun vader, op hun moeder [slachtoffer 1] heeft toegepast. [slachtoffer 3] is daarbij ook getuige geweest van geweld dat haar vader op haar broer [slachtoffer 2] heeft toegepast.

De buren van [adres 2], die feitelijk geen getuige zijn geweest van wat er zich in de woning [adres 1] heeft afgespeeld, maar wel direct betrokken zijn geraakt doordat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] naar hun woning zijn gevlucht, hebben als getuige een verklaring afgelegd die aansluit bij de verklaringen van de kinderen.

Verdachte heeft nagenoeg geen herinneringen aan het drama dat zich in de avond van 28 april 2013 in zijn woning heeft afgespeeld. Zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkent verdachte niet de tenlastegelegde feiten te hebben begaan. Ter terechtzitting van 20 juni 2014 heeft verdachte verklaard dat hij zich kort voor het incident samen met zijn vrouw en kinderen in de woning bevond. Een stem in zijn hoofd zei: “De hele wereld gaat eraan. Iedereen moet dood” en vervolgens staat hem nog bij dat hij [slachtoffer 2] met een keukenla heeft geslagen.

Uit dit samenstel van bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de geweldshandelingen heeft gepleegd.

De rechtbank zal de vraag of sprake was van opzet in het handelen van verdachte moeten beoordelen naar de uiterlijke verschijningsvorm van dit handelen. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad slechts aan een bewezenverklaring van opzet in de weg staat indien bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daar is slechts sprake van bij hoge uitzondering.

Verdachte heeft verklaard geen enkele herinnering meer te hebben van zijn gewelddadig handelen ten opzichte van zijn vrouw [slachtoffer 1], en nagenoeg geen herinnering aan het gewelddadig handelen ten opzichte van zijn zoon [slachtoffer 2]. Zoals hiervoor overwogen heeft verdachte ter zitting van 20 juni 2014 verklaard dat een stem in zijn hoofd zei: “De hele wereld gaat eraan. Iedereen moet dood” en vervolgens staat hem nog bij dat hij [slachtoffer 2] met een keukenla heeft geslagen. Ook moet verdachte een mes gepakt hebben waarmee hij [slachtoffer 1] heeft gestoken.

Naast deze omstandigheden volgt uit het verslag van de gerechtelijke sectie dat in de halsstreek van [slachtoffer 1] twee diepe steekwonden zijn aangetroffen. Beide kinderen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], hebben verklaard dat verdachte fysiek handelde tegen [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] heeft op dat moment geprobeerd zijn moeder te helpen tegen de agressie van verdachte. In reactie daarop heeft verdachte zeer fors geweld gepleegd tegen zijn zoon door deze (hard) tegen een ruit te gooien/duwen en door met een keukenlade tegen het hoofd van [slachtoffer 2] te slaan. De kracht van dit geweld was gericht op het uitschakelen van [slachtoffer 2], en had levensgevaarlijk letsel tot gevolg voor [slachtoffer 2].

Gelet op de plaats (halsstreek, een gebied waar zeer veel vitale lichaamsdelen zich bevinden zoals grote bloedvaten, luchtpijp en slokdarm) en de diepte van de twee steken kan

het fysiek handelen van verdachte niet anders worden gezien dan (doel)gericht op het toebrengen van dodelijk letsel bij zijn vrouw [slachtoffer 1]. Hetzelfde geldt voor het geweld tegen zijn zoon [slachtoffer 2]. Verdachte heeft zodanig extreem geweld toegepast dat het aangetroffen bot- en hersenletsel kon ontstaan bij [slachtoffer 2].

Voornoemde omstandigheden geven aan dat verdachte (tenminste) enig inzicht moet hebben gehad ter zake de draagwijdte van zijn handelingen en de mogelijk te verwachten gevolgen daarvan.

Dat verdachte daarbij (mogelijk) handelde onder invloed van een door de rapporteurs vastgesteld delier, staat daar niet aan in de weg. De invloed van het delier zal bij de strafbaarheid van verdachte aan de orde komen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 28 april 2013 te Reek, gemeente Landerd, opzettelijk [slachtoffer 1] (zijn vrouw) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] meermalen met een mes in haar halsstreek gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

hij op 28 april 2013 te Reek, gemeente Landerd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] (zijn zoon) van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 2] met zijn hoofd tegen een ruit heeft gegooid en/of geduwd en/of geslagen en voornoemde [slachtoffer 2] met de keukenlade tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het op schrift gesteld requisitoir aangevoerde gronden, is de officier van justitie

van mening dat de feiten verdachte in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Kort gezegd stelt de officier van justitie dat het Openbaar Ministerie van oordeel is dat het gegeven dat er sprake was van een delier niet leidt tot de conclusie dat de feiten verdachte in

het geheel niet kunnen worden toegerekend, omdat bij het besluit tot de afbouw van de anti-depressiva, het afwijkende gebruik van de benzodiazepines en het overmatig alcoholgebruik, de eigen keuze van verdachte een rol heeft gespeeld. Hij kon weten dat de afbouw

van die anti-depressiva, zeker in die mate, bepaald niet is ontbloot van risico, althans dat dit in combinatie met veel alcohol en vermoeidheid zijn functioneren zodanig kon beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan. Hij wist als regelmatig en langdurig gebruiker

van zowel alcohol als medicatie en gelet op eerdere ervaringen namelijk dat dit effect heeft

op zijn psychische toestand. Dit risicogedrag heeft hij over een langere periode vertoond.

Ter zitting heeft hij ook weer herhaald dat hij die stem vaker hoorde met verandering van medicatie of verandering van dosering. Dat hij dat zeker 3 tot 4 keer eerder heeft gehad. Meestal bij afbouw van de antidepressiva. Bij 60 mg had hij geen last van de stemmen.

Bij 40 mg en helemaal bij 20 mg voelde hij zich lekker. Hij wilde 'gewoon van de paroxetine af'. De laatste weken hoorde hij weer vaker stemmen en nota bene de avond ervoor ook.

Nu verdachte dit desondanks is blijven doen, draagt hij belangrijke strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor zijn daden en de gevolgen daarvan.

Aan het voorgaande doet niet af dat verdachte de verstrekkende gevolgen die zijn gebruik in het concrete geval heeft gehad, niet heeft (kunnen) voorzien. Zijn wilsvrijheid omtrent het gebruik/afbouw van medicijnen, werd volgens de deskundigen ook in zekere mate beperkt

door zijn complexe persoonlijkheidsstoornis.

Voor de conclusie dat de verdachte ten tijde van de totstandkoming van de bewezenverklaarde feiten in het geheel niet meer over zijn vrije wil kon beschikken, bieden het dossier en de deskundigenrapporten geen aanknopingspunten. Er is immers sprake van een wisselend

bewustzijn.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de in de pleitnota aangevoerde gronden -kort gezegd- subsidiair bepleit dat verdachte de verweten gedragingen/feiten niet kunnen worden toegerekend. Kortgezegd wordt gesteld dat verdachte op het moment van het plegen van de feiten volledig beheerst was door de toestand van een delirium en niet heeft kunnen bevroeden dat zo’n heftig toestandsbeeld bij hem zou ontstaan met deze heftige symptomen en ernstige gevolgen. Verdachte komt in ieder geval een beroep op afwezigheid van alle schuld toe ten aanzien van het medicijngebruik waarvan hij de uitwerking niet kende.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat er geen redenen zijn om er aan te twijfelen dat verdachte ten tijde van de delicten zich in een delirium bevond, en dat hij daardoor op dat moment geen wilsbepaalde controle kon uitoefenen op zijn gedrag.

In beginsel leidt het intreden van een dergelijke toestand tot volledige ontoerekenbaarheid van een verdachte, tenzij een verdachte zich (mede) door eigen toedoen in die geestelijke toestand heeft gebracht.

In deze zaak heeft farmacoloog prof. A.J.M. Loonen verklaard dat er twee factoren zijn waarvan het waarschijnlijk is dat deze hebben bijgedragen aan het ontstaan van het delirium. Het betreft allereerst de keuze van verdachte om (tegen uitdrukkelijk medisch advies in, en zonder overleg met een arts) veel te snel het gebruik van paroxetine (merknaam: Seroxat) te verminderen. Als tweede (samengestelde) factor wijst deze deskundige op de negatieve invloed van het gebruik van benzodiazepinen, zeker in combinatie met de consumptie van forse hoeveelheden alcohol. Verdachte was bekend met de kwetsbare aspecten van zijn hersenen, en bemerkte ook dat de klachten met betrekking tot het horen van stemmen terugkwamen terwijl hij het gebruik van paroxetine verminderde. Ook de forensisch klinisch rapporteurs (p. 76) geven aan dat verdachte grote risico’s nam door te handelen als hij heeft gedaan.

Uit neurologisch onderzoek (verslag neuroloog A.J. Vermeij d.d. 24 september 2013) zijn geen aanwijzingen gevonden voor afwijkingen die een (andere) verklaring zou kunnen geven voor het intreden van het delirium. Ook de verdediging heeft geen concrete (mogelijke) andere oorza(a)k(en) kunnen of willen aangeven.

Uit het bovenstaande volgt dat verdachte zich door zijn keuzes en handelen rond alcohol- en medicijngebruik zelf in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het intreden van het delirium. Onder deze omstandigheden komt verdachte in elk geval geen beroep toe op volledige ontoerekenbaarheid. Er dient dus nader bekeken te worden in welke mate verdachte een verwijt kan worden gemaakt van zijn volstrekt verkeerde keuzes en handelingen die hebben bijgedragen aan het ontstaan van het delirium. De rechtbank heeft kennis genomen van de bevindingen en het oordeel van de forensisch klinische rapporteurs S. Labrijn en J.L.M. Dinjens d.d. 3 februari 2014.

De rechtbank kan zich geheel vinden in deze conclusies en bevindingen en neemt deze over.

Uit de rapportage volgt dat verdachte (o.a.) lijdt aan een terugkerende depressieve stoornis en dat er sprake is van misbruik van alcohol. Ook stellen zij vast dat er sprake is van zwakbegaafdheid bij verdachte. Verder lijdt verdachte aan een persoonlijkheidsstoornis met borderline, antisociale, narcistische en theatrale kenmerken. Deze beperkingen hebben doorgewerkt in de keuzes die verdachte heeft gemaakt, en leiden tot het oordeel dat de strafbare feiten aan hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank de verdediging niet volgen in haar standpunt dat er sprake zou zijn van afwezigheid van alle schuld. Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat verdachte de verweten gedragingen/feiten niet kunnen worden toegerekend en om die reden ontslag van rechtsvervolging dient te volgen en dat plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar de beste oplossing is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf en maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op zijn vrouw en een poging doodslag op zijn zoon. Dit betreffen delicten die worden beschouwd als een van de ernstigste delicten die ons strafrecht kent. Verdachte heeft daarbij buitensporig geweld gebruikt.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank in strafverzwarende zin rekening gehouden met het onherstelbaar leed en verdriet dat verdachte met zijn daad heeft toegebracht. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn voor de rest van hun leven getekend. Zij zijn hun moeder kwijtgeraakt door toedoen van hun vader. Bij [slachtoffer 2] is sprake van langdurige gezondheidsschade en het is bijna zeker dat deze schade blijvend is. [slachtoffer 3] heeft zich, om aan de gewelddadige handelingen van haar vader te ontkomen, opgesloten in het toilet en is uiteindelijk gevlucht naar de buren waar zij haar moeder zwaargewond heeft zien liggen. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zijn voor de rest van hun leven hun moeder kwijt. Maar ook de overige familie, schoonfamilie en vrienden, moeten met dit verlies leven. De ter terechtzitting van 20 juni 2014 afgelegde slachtofferverklaringen van de moeder, broer en zus van [slachtoffer 1] en van [slachtoffer 2] geven slechts een klein inzicht in de omvang van hun verlies.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten en de ernst van de gevolgen vanuit een oogpunt van vergelding enkel een langdurige gevangenisstraf als passend kan worden beschouwd.

Bij het bepalen van de straf zal de rechtbank in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is, zoals blijkt uit de hierna weergegeven conclusie en het advies van de forensisch deskundigen Labrijn en Dinjens.

Voorts wordt bij het bepalen van de straf in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat beide gedragsdeskundigen adviseren dat verdachte een langdurige en intensieve behandeling nodig heeft, gericht op zijn persoonlijkheidsstoornis, recidiverende depressies en misbruik van middelen. De rechtbank heeft bij de strafbepaling gezocht naar een evenwicht tussen enerzijds het punitieve karakter van de gevangenisstraf en anderzijds het belang van behandeling van de zeer ernstige problematiek van verdachte.

De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank hecht hierbij groot belang aan de woorden van de deskundigen ter zitting dat de behandeling van verdachte, gelet op de ernst van zijn problematiek, waarschijnlijk een lange weg zal worden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden is.

Over de vraag of naast de opgelegde straf een tbs-maatregel moet worden opgelegd, overweegt de rechtbank als volgt.

Op 3 februari 2014 hebben na een Pro Justitia klinisch observatie onderzoek van verdachte de forensisch deskundigen psychiater J.L.M. Dinjens en GZ-psycholoog S. Labrijn een rapport uitgebracht. De conclusie en het advies van deze forensisch klinische rapporteurs luiden:

“Er was sprake van een depressieve stoornis, misbruik van alcohol, een persoonlijkheidsstoornis NAO en zwakbegaafdheid. Naar alle waarschijnlijkheid was er tevens sprake van een delirium.

Betrokkene had wel degelijk invloed op het ontstaan van het delirium. Hij zegt dat hij in overleg met de huisarts zijn medicatie minderde, echter dit wordt niet door de huisarts bevestigd. Betrokkene is in ieder geval op eigen houtje doorgegaan met minderen van medicatie, ondanks dat er signalen waren dat het niet goed ging met betrokkene (hij hoorde herhaaldelijk de stem van zijn vader, hij voelde zich depressiever). Hij koos bewust voor zijn seksleven, terwijl hij weet dat het zonder de juiste dosering medicatie niet goed met hem gaat. Betrokkene wist - ondanks zijn zwakbegaafdheid - dat hij van alcoholgebruik ontremd kon raken. Dit is immers herhaaldelijk gebeurd en het is een feit van algemene bekendheid dat alcoholgebruik ontremmend werkt. Een huisvriend waarschuwde hem expliciet voor overmatig alcoholgebruik in combinatie met medicatie. Betrokkene heeft bewust risico's genomen.

Hoewel betrokkene niet had kunnen weten dat deze risicovolle gedragingen zouden leiden tot het toestandsbeeld waarin hij verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde indien bewezen, kan hij naar de mening van ondergetekende wel deels verantwoordelijk worden geworden voor het feit dat hij wist dat dergelijke risicovolle gedragingen een (sterk) ontregelende werking op hem zouden kunnen hebben.

Met andere woorden: betrokkene kan wel deels verantwoordelijk worden gehouden voor de aanloop naar het toestandsbeeld. Geadviseerd wordt betrokkene het ten laste sterk verminderd toe te rekenen.”

“Voortvloeiend uit de persoonlijkheidsstoornis laat betrokkene zich leiden door zijn neiging tot

hedonisme en het voorop stellen van het eigen belang, hij kiest ervoor zich in een toestand te brengen waarin hij tot ongeremd gedrag komt. Hij is zelfbepalend en egocentrisch. Er is sprake van een gestoorde agressie- en emotieregulatie. Vanwege de zwakbegaafdheid kan hij de gevolgen van zijn handelen minder goed overzien. Het overmatige alcoholgebruik heeft eerder tot ontremd gedrag geleid. Betrokkene is kwetsbaar voor het ontwikkelen van een delirium, maar er is ook een kwetsbaarheid voor andere psychiatrische ontregelingen zoals depressie en psychotische fenomenen; en risico voor suïcidaliteit al dan niet in combinatie met homicidaliteit.

Er is reeds gebleken dat betrokkene opnieuw, zonder overleg, zijn medicatie aanpast en verandert om oneigenlijke redenen (zie groepsobservaties). Er is een beperkt ziektebesef en ziekte-inzicht. Betrokkene heeft geen werk meer, geen woonruimte, hij is zijn gezin kwijt en hij zal een deel van zijn steunsysteem kwijt zijn. Hij zal langdurig onder druk staan vanwege het rouwproces.

Deze factoren en condities beïnvloedden elkaar negatief. Zie ook de forensische beschouwing van psycholoog en psychiater, waarin beiden nader ingaan op het recidivegevaar. Beiden schatten het recidivegevaar in als matig tot hoog.

Een intensieve en langdurige behandeling is geïndiceerd, gericht op de persoonlijkheidsstoornis, de recidiverende depressies en het alcoholmisbruik. Het complex van problematieken droeg er immers aan bij dat het delirium ontstond. Betrokkene zal (alarm)signalen of symptomen van terugval moeten leren herkennen en signaleren. Als gevolg van zijn intellectuele beperkingen kan hij situaties en gevaren moeilijk overzien. Er is bij betrokkene weinig ziektebesef en weinig probleem- en ziekte-inzicht. Hij laat zich leiden door zijn eigenbelang en hij neemt weinig verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. Behandeling in welk voorwaardelijk kader dan ook wordt niet haalbaar geacht, gezien de ernstige persoonlijkheidspathologie, waardoor hij zich niet consistent zal kunnen houden aan voorwaarden en continue de strijd met behandelaars zal aangaan. Gezien de combinatie ernstige stoornissen en een matig tot hoog recidivegevaar, wordt geadviseerd betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.”

De rechtbank neemt bovenstaande conclusie en advies en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting van de forensisch deskundigen Labrijn en Dinjens over. Met de psycholoog en de psychiater is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

Een alternatief zoals door de verdediging is voorgesteld (de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar) kan de rechtbank niet opleggen nu de feiten verdachte wel, zij het voor een gering deel, kunnen worden toegerekend. Los daarvan is de rechtbank het eens met de inhoud van de toelichting van de deskundigen . Daaruit volgt dat een adequate behandeling in een gewoon APZ niet mogelijk is. Daarbij gaat het om de ernst en complexiteit van de problematiek van verdachte en zijn houding ten opzichte van die problematiek. Hierdoor zal het om een langdurige en intensieve klinische behandeling moeten gaan.

De rechtbank overweegt verder dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het gaat om misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt, omdat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

De toegepaste wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 45, 57 en 287 Wetboek van Strafrecht.

De vordering van de benadeelde partijen.

[nabestaande]heeft zich als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 5.177,56 voor geleden materiële schade ten gevolge van het onder 1 aan verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafgeding

gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 25.000,-, vermeerderd met de

wettelijke rente, voor geleden immateriële schade ten gevolge van de onder 1 en 2 aan

verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feiten.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafgeding

gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 25.000,- voor geleden

immateriële schade ten gevolge van het onder 1 aan verdachte tenlastegelegde en

bewezenverklaarde strafbare feit.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partijen geheel zal toewijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat als verdachte toch iets strafrechtelijk te verwijten is, dat dan de vordering van [nabestaande] zonder meer vergoed wordt door verdachte en van de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], verzoekt de verdediging de rechtbank deze te matigen tot bedragen waarvan in redelijkheid gezegd kan worden dat verdachte deze nu of in ieder geval op korte termijn zou kunnen opbrengen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht de vorderingen als rechtstreeks door het bewezen verklaarde toegebrachte schade, geheel toewijsbaar. De hoogte van de vorderingen is ter zitting niet betwist, en komt de rechtbank niet bovenmatig of onredelijk voor. De rechtbank acht geen redenen voor matiging aanwezig.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Nu op deze wijze aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht ten aanzien van de benadeelden is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

DE UITSPRAAK

De rechtbank.

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

1. doodslag.

2. poging tot doodslag.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

- Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Legt op de volgende maatregelen.

- Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

- Maatregel van schadevergoeding van € 5.177,56, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [nabestaande] een bedrag van € 5.177,56 materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalings- verplichting niet op.

- Maatregel van schadevergoeding van € 25.000,-, subsidiair 160 dagen hechtenis.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 25.000,- immateriële schade-

vergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 160 dagen hechtenis.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalings-

verplichting niet op.

- Maatregel van schadevergoeding van € 25.000,-, subsidiair 160 dagen hechtenis.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van € 25.000,- immateriële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 160 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalings-verplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij[nabestaande].

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande]

toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.177,56 materiële schadevergoeding.

- Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

- Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

- Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 25.000,- immateriële schadevergoeding

- Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

- Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

- Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 25.000,- immateriële schadevergoeding.

- Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

- Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

- Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. H.H.E. Boomgaart, leden,

in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier,

en is uitgesproken op 4 juli 2014.

BIJLAGE

De bewijsmiddelen

[bewijsmiddelen]

[bewijsmiddelen]

[bewijsmiddelen]

[bewijsmiddelen]

[bewijsmiddelen]

[bewijsmiddelen]

[bewijsmiddelen]

[bewijsmiddelen]

[bewijsmiddelen]