Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3453

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
01/845819-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor belaging en voor schriftelijke bedreiging van medewerkers van het Openbaar Ministerie. Verdachte wordt ontoerekeningsvatbaar voor die feiten geacht. Daarnaast wordt de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/845819-13 en 01/865028-14 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 03 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1972],

thans preventief gedetineerd in Vught PPC, 5263 NT Vught, Lunettenlaan 501.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2014, 26 maart 2014 en 19 juni 2014.

Op 26 maart 2014 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlasteleggingen.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 17 december 2013 (01/845819-13) en 20 februari 2014 (01865028-14).

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/845819-13 tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2013 tot en met 8 oktober 2013,

althans in de periode van 1 januari 2001 tot en met 8 oktober 2013,

te Eindhoven en/of elders in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met

het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet

te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers heeft hij, verdachte, aan die [slachtoffer] in voornoemde periode (ongeveer)

528 e-mails, althans een grote hoeveelheid e-mails, verzonden;

artikel 285b Wetboek van Strafrecht

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/865028-14 tenlastegelegd dat:

hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode tussen 31 december

2013 en 25 januari 2014 te Vught, althans in Nederland, gegevens, te weten

"Aanvullend richtte ik een waarschuwing voor een bomaanslag -omgeving

Zoetermeer- aan het adres van het OM en de Rijksoverheid -telefoon 1400- 31

december 2013, met als eis twee rechercheurs te kunnen spreken." en/of "Ik

verzoek u vriendelijk doch dringend om de zo hoog nodige actie te ondernemen,

om te voorkomen, dat zij die úw werk frustreren en úw werk, welke voor spek en

bonen doen laten lijken, hun verdiende straf kunnen krijgen. Tevens voorkomt u

hiermee verdere aanslagen. Wij weten waar uw huis woont!" en/of "om verdere

aanslagen te voorkomen, en nogmaals: wij weten waar uw huis woont!, is mijn

harde eis: het voltallige college van Procureurs Generaal te spreken krijgen.

En snel graag. Of moeten er onschuldige slachtoffers vallen?", heeft

doorgegeven, met het oogmerk anderen ten onrechte te doen geloven dat op een

al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig was,

waardoor een of meerdere ontploffing(en) kon worden teweeggebracht, immers

heeft hij, verdachte, toen aldaar voornoemde gegevens per brief aan het

Arrondissementsparket Rotterdam en/of andere parketten verzonden;

Art. 142a lid 2 Sr

hij op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode tussen 31 december

2013 en 25 januari 2014 te Vught, althans in Nederland, een of meerdere

perso(o)n(en), te weten medewerkers van het Openbaar Ministerie en/of

medewerkers van het arrondissementsparket te Rotterdam en/of andere parketten,

schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met meerdere

brieven, althans een brief, immers heeft hij opzettelijk dreigend in die brief

en/of brieven geschreven: "Aanvullend richtte ik een waarschuwing voor een

bomaanslag -omgeving Zoetermeer- aan het adres van het OM en de Rijksoverheid

-telefoon 1400- 31 december 2013, met als eis twee rechercheurs te kunnen

spreken." en/of "Ik verzoek u vriendelijk doch dringend om de zo hoog nodige

actie te ondernemen, om te voorkomen, dat zij die úw werk frustreren en úw

werk, welke voor spek en bonen doen laten lijken, hun verdiende straf kunnen

krijgen. Tevens voorkomt u hiermee verdere aanslagen. Wij weten waar uw huis

woont!" en/of "Om verdere aanslagen te voorkomen, en nogmaals: wij weten waar

uw huis woont!, is mijn harde eis: het voltallige college van Procureurs

Generaal te spreken krijgen. En snel graag. Of moeten er onschuldige

slachtoffers vallen?";

Art 285 lid 2 Sr.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 van 01/865028-14.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 1 van 01/865028-14 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 van de dagvaarding met parketnummer 01/865028-14 stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Door in zijn brief de aanslag in Zoetermeer te noemen refereert verdachte aan iets dat in het verleden heeft plaatsgevonden.

Voor een bewezenverklaring van artikel 142a Sr is echter van belang dat het oogmerk gericht is op het ten onrechte doen geloven dat een ontploffing te weeg gebracht kan worden, hetgeen ziet op een toekomstige gebeurtenis.

Voorts wordt in de door verdachte geschreven brief onvoldoende specifiek aangegeven of en waar een (bom)aanslag zou worden gepleegd. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van dit tenlastegelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 van 01/865028-14 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Voor een bewezenverklaring van artikel 142a lid 2 Sr is het noodzakelijk dat de verdachte gegevens doorgeeft die een ander ten onrechte doen geloven dat op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig is waardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.

De rechtbank overweegt dat verdachte weliswaar meerdere van dezelfde brieven met een dreigende inhoud heeft verzonden aan het openbaar ministerie, maar dat in deze brieven niet nader geconcretiseerd is dat met een specifiek genoemd voorwerp een ontploffing teweeg zou worden gebracht en dat voorts, als dit het geval zou zijn, evenmin geconcretiseerd is waar en wanneer deze ontploffing dan plaats zou gaan vinden. De verwijzing naar een waarschuwing voor een bomaanslag in het verleden en de dreiging dat verdere aanslagen bij inwilliging van de eisen worden voorkomen zijn daarvoor onvoldoende concreet.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht, naast het feit op de dagvaarding met parketnummer 01/845819-13, ook feit 2 van 01/865028-14 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich ten aanzien van de belaging op de dagvaarding met parketnummer 01/845819-13, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 van 01/865028-14 stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte ook van dit feit vrijgesproken moet worden. De bedreiging is immers niet van dien aard geweest en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de bedreigde ((de medewerkers van) het Openbaar Ministerie) een redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden.

Het oordeel van de rechtbank t.a.v. 01/845819-13.1

De rechtbank acht, gelet op de zich in het dossier bevindende klacht en aangifte gedaan door [slachtoffer]2 en de e-mailberichten3 alsmede de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting4, wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 01/845819-13 ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 2 van 01/865028-145:

De rechtbank is van oordeel dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

In de op 6 januari 2014 gedateerde brief6, die door verschillende arrondissementsparketten in Nederland in de periode van 6 januari 2014 tot en met 25 januari 2014 is ontvangen, is onder andere geschreven “Aanvullend richtte ik een waarschuwing voor een bomaanslag – omgeving Zoetermeer – aan het adres van het OM en de Rijksoverheid – telefoon 1400 – 31 december 2013, met als eis twee rechercheurs te kunnen spreken en “Ik verzoek u vriendelijk doch dringend om de zo hoog nodige actie te ondernemen, om te voorkomen, dat zij die uw werk frustreren en uw werk voor spek en bonen doen laten lijken, hun verdiende straf kunnen krijgen. Tevens voorkomt u hiermee verdere aanslagen. Wij weten waar uw huis woont!” En “Om verdere aanslagen te voorkomen, en nogmaals: wij weten waar uw huis woont is mijn harde eis: het voltallige college van Procureurs Generaal te spreken krijgen. En snel graag. Of moeten er onschuldige slachtoffers vallen?”

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend7 dat hij deze brief geschreven heeft, dat hij kopieën ervan heeft verstuurd naar de verschillende parketten van het Openbaar Ministerie in Nederland en dat het zijn bedoeling was om hiermee iets in gang te zetten.

De rechtbank oordeelt dat de door verdachte in zijn brief gebruikte bewoordingen, van zodanige aard en dusdanig concreet waren, dat bij medewerkers van het Openbaar Ministerie de redelijke vrees kon ontstaan dat door of namens verdachte (eventueel in de toekomst) een (bom)aanslag gepleegd zou kunnen worden. Het enkele feit dat verdachte zijn dreigement niet direct ten uitvoer zou kunnen leggen omdat hij gedetineerd was doet daaraan niet af. Dat de naam van verdachte door eerdere correspondentie bij sommige medewerkers van het Openbaar Ministerie bekend was en dat voor die medewerkers de dreiging wellicht niet serieus is genomen doet aan het bovenstaande niet af.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van 01/845819-13:

in de periode van 13 september 2013 tot en met 8 oktober 2013, in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets niet

te doen en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, aan die [slachtoffer] in de periode van 1 juli 2013 tot en met 8 oktober 2013 528 e-mails verzonden.

Ten aanzien van 01/865028-14:

in de periode tussen 6 januari 2014 en 25 januari 2014 te Vught, medewerkers van het Openbaar Ministerie, schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd, immers heeft hij opzettelijk dreigend in brieven geschreven: "Aanvullend richtte ik een waarschuwing voor een bomaanslag -omgeving Zoetermeer- aan het adres van het OM en de Rijksoverheid -telefoon 1400- 31 december 2013, met als eis twee rechercheurs te kunnen spreken." en "Ik verzoek u vriendelijk doch dringend om de zo hoog nodige

actie te ondernemen, om te voorkomen, dat zij die úw werk frustreren en úw werk, welke voor spek en bonen doen laten lijken, hun verdiende straf kunnen krijgen. Tevens voorkomt u hiermee verdere aanslagen. Wij weten waar uw huis woont!" en "Om verdere aanslagen te voorkomen, en nogmaals: wij weten waar uw huis woont!, is mijn harde eis: het voltallige college van Procureurs Generaal te spreken krijgen. En snel graag. Of moeten er onschuldige slachtoffers vallen?"

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie van feit 2 onder 01/865028-14.

In de tenlastelegging is het delict waarvan verdachte verdacht wordt niet kwalificatief doch feitelijk omschreven.

De rechtbank leest in deze omschrijving dat de officier van justitie bedoeld heeft om aan verdachte het delict “bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt, meermalen gepleegd” ten laste te leggen en zal de bewezenverklaring daarvan als zodanig kwalificeren.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

De officier van justitie heeft zich aangesloten bij de hierna weergegeven rapporten en heeft onder andere gevorderd dat de rechtbank gelast verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte toerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Daarnaast is aangevoerd dat niet is voldaan aan het gevaarscriterium zoals gesteld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, zodat van toepassing van dat artikel geen sprake kan zijn.

Op 2 januari 2014 heeft psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie en het advies luiden:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Deze is in diagnostische zin te omschrijven als een psychotische stoornis Niet Anders Omschreven. Hiervan was naar de mening van rapporteur ook sprake tijdens het plegen van het ten laste gelegde, indien en voor zover dit door Uw College bewezen kan worden geacht.

De ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde verdachte’s gedragskeuzen en zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden.

Betrokkene was ten tijde van het ten laste gelegde, indien en voor zover dit bewezen wordt geacht, naar mening van rapporteur floride psychotisch en zijn gedragingen werden volledig vanuit deze psychose aangestuurd. Uw College wordt geadviseerd om betrokkene voor hetgeen hem ten laste wordt gelegd, indien en voor zover dat door Uw College bewezen wordt geacht, als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Factoren en condities voortkomend uit de stoornis en van belang voor de kans op recidive zijn:

Van belang zijn naar de mening van rapporteur de aard en de ernst van de bij betrokkene, mogelijk blijvend, aanwezige psychiatrische problematiek, het feit dat er sprake is van een totale afwezigheid van ziektebesef en ziekte-inzicht (ten aanzien van de psychotische stoornis), het feit dat betrokkene geen werk, geen adequate dagbesteding, mogelijk forse schulden en geen inkomsten heeft, het feit dat betrokkene (klinische) behandeling nadrukkelijk afwijst, het feit dat betrokkene het gebruik van (antipsychotische) medicatie afwijst en het feit dat er bij betrokkene mogelijk sprake is (geweest) van problematisch middelengebruik, wat een psychotische ontregeling kan uitlokken of versterken.

Deze factoren en condities werken negatief en versterkend op elkaar in.

Zoals in de beschouwing staat weergegeven, is het nadrukkelijk aangewezen dat betrokkene behandeling krijgt. Rapporteur adviseert Uw College, alles afwegend en overziend, om deze behandeling te doen plaatsvinden binnen het juridische kader van een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar ex artikel 37/39 Wetboek van Strafrecht, waarbij de kliniek over een hoog zorgniveau en een gemiddeld (tot mogelijk hoog) beveiligingsniveau dient te beschikken.

Op 26 december 2013 heeft psycholoog J. Nys een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie en het advies luiden:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, te diagnosticeren als een psychotische stoornis NAO. Dit was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde. De ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde verdachte’s gedragskeuzen en zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden.

De vastgestelde psychotische stoornis heeft een verstoord realiteitscontact als centraal kenmerk. Dit impliceert o.a. dat het vermogen om eigen gedragingen en motieven van anderen te beoordelen ernstig verstoord is. Betrokkene houdt er o.a. waanideeën op na. De aangeefster was in zijn verstoorde denkwereld onderdeel van een georganiseerd perversisteitennetwerk die 17 miljoen Nederlanders bedreigen. Dit moest gestopt worden. Betrokkene vertelde dat hij de missie heeft om dit netwerk bloot te leggen en om de AIVD te ontmantelen.

De stoornis heeft zijn gedragskeuzen en gedragingen zodanig beïnvloed dat het tenlastegelegde feit (indien bewezen) hieruit volledig verklaard kan worden. Ten aanzien van het ten laste gelegde wordt, indien bewezen, volledige ontoerekeningsvatbaarheid geadviseerd. Factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene die van belang kunnen zijn voor de kans op recidive, zijn actieve psychotische symptomen: paranoïde wanen en afwezig ziekte-inzicht. Andere factoren en condities welke hierbij in ogenschouw moeten worden genomen zijn middelenmisbruik, medicatie-ontrouwheid, sociaal economische stressfactoren en isolement. Het zijn destabiliserende factoren die tot psychotische gedachten kunnen lijden.

Vanwege de actieve psychotische symptomen, de hoge kans op recidive en het afwezige ziektebesef is enkel behandeling in een klinische setting realistisch. Dat kan gebeuren in het kader van een plaatsing in een forensisch psychiatrisch ziekenhuis volgens artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. Tijdens een artikel 37 plaatsing kunnen alle behandelmogelijkheden die een psychiatrisch ziekenhuis biedt, een jaar lang worden toegepast.

Met de psychiater en de psycholoog is de rechtbank van oordeel dat het strafbare feit onder 01/845819-13 niet aan verdachte kan worden toegerekend wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

De rechtbank is dezelfde mening toegedaan ten aanzien van feit 2 onder 01/865028-14.

Dat de rapporten van de deskundigen zijn opgemaakt vóórdat dit feit gepleegd is, doet hier niet aan af. Feit 2 van 01/865028-14 is gepleegd in de periode van 6 januari 2014 tot en met 25 januari 2014, derhalve zeer kort nadat de rapporten zijn opgemaakt. In deze rapporten is beschreven dat verdachte ten tijde van het afnemen van de onderzoeksgesprekken, dat is in december 2013, continue en ernstig floride psychotisch was.

De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat verdachte rustig was, zijn standpunten goed kon verwoorden, maar zich niet distantieert van de inhoud van de wanen die ook door de deskundigen zijn besproken.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusie en adviezen van de deskundigen over en op grond daarvan concludeert de rechtbank dat verdachte op dit moment bij terugkeer in de samenleving nog gevaarlijk is voor zichzelf (meer specifiek ten aanzien van zijn geestelijke integriteit) en voor anderen. Als voorbeeld van het mogelijke gevaar voor anderen neemt de rechtbank in ogenschouw het feit dat verdachte zijn dochter in het verleden zijn eigen medicatie heeft toegediend omdat hij meende dat zijn dochter aan ADHD zou lijden.

Een behandeling in een forensische setting is noodzakelijk alvorens verdachte weer terug te laten keren in de samenleving.

Alles overziend, zal de rechtbank gelasten dat verdachte met toepassing van artikel 37 Sr. in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de gevorderde materiële schadevergoeding voor toewijzing vatbaar.

De gevorderde immateriële schadevergoeding dient gematigd te worden tot een bedrag van 400,= nu de wettig en overtuigend te bewijzen periode van belaging van aanzienlijk kortere duur is dan de periode waarover immateriële schade wordt gevorderd. Het causaal verband tussen het te bewijzen feit en de overige gevorderde immateriële schade ontbreekt.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoedingsvordering stelt de raadsman zich primair op het standpunt dat dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd is. Subsidiair bepleit de raadsman een aanzienlijke matiging van de schadevergoeding omdat de periode waarover de immateriële schadevergoeding wordt berekend (veel) langer is dan de te bewijzen periode van belaging. De raadsman refereert zich alsdan aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de hoogte van deze vergoeding.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een gedeelte van de immateriële schadevergoeding - welke in verhouding staat tot de bewezenverklaarde periode - en de materiële schadevergoeding.

De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van de vordering, te weten 2 juni 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de immateriële schade voor zover deze het bedrag van € 400,= te boven gaat, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Geen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de benadeelde partij is verzocht aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr op te leggen.

Omdat verdachte ontoerekeningsvatbaar te achten is en er een maatregel ex artikel 37 Sr wordt opgelegd kan op grond van bestendige jurisprudentie geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd (LJN AO3233). Art. 36f Sr spreekt immers van “veroordeeld worden wegens een strafbaar feit”, hetgeen inhoudt dat niet alleen het feit strafbaar moet zijn, maar ook de verdachte.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: 37, 57, 285, 285b.

DE UITSPRAAK

Acht het onder feit 1 van 01/865028-14 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/845819-13:

Belaging

T.a.v. 01/865028-14, feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden is geschied, meermalen gepleegd

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging omdat hij niet strafbaar is.

Legt op de volgende maatregel:

Ten aanzien van 01/845819-13 en 01/865028-14, feit 2:

Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

Ten aanzien van 01/845819-13:

Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer], van een bedrag van € 608,60 (zegge: zeshonderdenacht euro en zestig eurocent), te weten

€ 400,00 immateriële schadevergoeding en € 208,60 materiële schadevergoeding.

De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van de vordering, te weten 2 juni 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 3 juli 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de regiopolitie Oost-Brabant, Eindhoven Zuid, dossiernummer PL 2208-2013140534, afgesloten 9 februari 2014, aantal doorgenummerde bladzijden: 98. Waar wordt verwezen naar 528 e-mailberichten betreffen dit de bijlagen bij voornoemd proces-verbaal (blz. 1-1127 en een ordner met daarin 51 e-mailberichten.)

2 Klacht en aangifte door [slachtoffer], blz. 36-40

3 Zie voetnoot 1

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 19 juni 2014

5 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de regiopolitie Oost-Brabant, Eindhoven Zuid, dossiernummer PL2207-2014017459, afgesloten 9 februari 2014, aantal doorgenummerde bladzijden: 40.

6 Brief ingekomen bij het Arrondissementsparket te Rotterdam d.d. 6 januari 2014, blz. 33

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 19 juni 2014