Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3179

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
277924 / FT RK 14-671
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het ontbreken van te goede trouw kan een rol van betekenis spelen bij de belangenafweging in het kader van de beoordeling van een verzoek dwangakkoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

handelsrecht

zaaknummer /rekestnummer:
277924 / FT RK 14-671 (verzoek dwangakkoord)


uitspraakdatum: 28 mei 2014

in de zaak van

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres], [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker,

tegen

Bouwvereniging “Huis & Erf”,

gevestigd en kantoorhoudende te Schijndel,
Postbus 19, 5480 AA Schijndel,

vertegenwoordigd door Stalman & Rijken Gerechtsdeurwaarders,

Postbus 282, 5201 AG ‘s-Hertogenbosch,

hierna te noemen: verweerster.

1 De procedure

1.1.

Namens verzoeker is op 23 april 2014, gewijzigd bij een op 7 mei 2014 ter griffie ontvangen schrijven, tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet (Fw) ingediend om verweerster, zijnde een schuldeiser die weigert mee te werken aan de door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling, zulks uitvoerbaar bij voorraad.


1.2. Verweerster heeft op 16 mei 2014 ter zake van het verzoek om een dwangakkoord een verweerschrift ingediend.

1.3.

Het verzoek is op 16 mei 2014 ter zitting behandeld, alwaar[betrokkene 1] (beschermingsbewindvoerder) namens verzoeker is verschenen, bijgestaan door [betrokkene 2] (Gemeentelijke Kredietbank ’s-Hertogenbosch). Namens verweerster is mevrouw [betrokkene 3] ter zitting verschenen, bijgestaan door [betrokkene 4]
[betrokkene 4] (Stalman & Rijken Gerechtsdeurwaarders).

De behandeling en beoordeling van het (subsidiaire) verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is in verband met een ziekenhuisopname van verzoeker tot nader te bepalen datum ter zitting aangehouden.

2 Het verzoek en het verweer

2.1.

Aan het verzoek ex artikel 287a lid 1 Fw ligt – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag.

Namens verzoeker is bij afzonderlijke brieven van 23 januari 2014 door de Gemeentelijke Kredietbank ’s-Hertogenbosch aan in totaal 11 concurrente schuldeisers en één preferente schuldeiser een schuldregeling aangeboden, inhoudende een betaling van 9,62 % respectievelijk 19,24 % tegen finale kwijting. Daarbij is gesteld dat er jaarlijks een inkomenstoets zal plaatsvinden, waarbij het budget wordt herberekend. Alle inkomsten van verzoeker boven het budget worden maandelijks gereserveerd en worden na de jaarlijkse hercontrole uitbetaald aan de schuldeisers. Eerst na afloop van de schuldregeling kan de definitieve afkoopsom worden vastgesteld. Bovengenoemde percentages zijn derhalve slechts prognoses.

Met uitzondering van verweerster zijn alle overige schuldeisers akkoord gegaan met voormelde schuldregeling. Doordat verweerster niet met de schuldregeling heeft ingestemd worden deze schuldeisers benadeeld. Een eventuele toelating van verzoeker tot het wettelijk schuldsaneringstraject zal voor verweerster en de weigerende schuldeisers minder opleveren dan de aan hen aangeboden schuldregeling.

De totale schuldenlast bedraagt € 12.955,55.

2.2.

Namens verweerster is bij verweerschrift en ter zitting het navolgende - kort en zakelijk weergegeven - verweer gevoerd.
Verweerster gaat niet akkoord met de aangeboden schuldregeling, omdat het aangeboden aflossingspercentage te laag is. Verder is door verwijtbaar handelen van verzoeker het saldo van zijn schuld aan verweerster onnodig hoog opgelopen, waardoor hij niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub 2 Fw , zodat het verzoek ex artikel 287a Fw en/of het subsidiaire verzoek ex artikel 284 Fw niet kunnen respectievelijk kan slagen.

3 De beoordeling

3.1.

Voorop wordt gesteld dat de toewijsbaarheid van een (primair) verzoek op de voet van artikel 287a lid 1 Fw een bevel tot instemming met een schuldregeling niet afhankelijk is van de toewijsbaarheid van een (subsidiair) verzoek op de voet van artikel 284 lid 1 Fw tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Weliswaar schrijft artikel 287a lid 1 Fw voor dat het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling wordt gedaan in het in artikel 284 lid 1 Fw bedoelde verzoekschrift waarbij de schuldenaar verzoekt om toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar dit voorschrift bevat voor het overige geen verwijzing naar de vereisten die worden gesteld in het kader van de schuldsaneringsregeling. Blijkens de wetsgeschiedenis is het voorschrift van artikel 287a lid 1 Fw erop gericht een efficiënte procesgang te bevorderen en te bewerkstelligen dat de rechter ten behoeve van zijn oordeelsvorming met betrekking tot beide verzoeken over een compleet dossier beschikt. De maatstaf aan de hand waarvan de rechter dient te bepalen of het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling toewijsbaar is, is neergelegd in artikel 287a lid 5 Fw. Dit voorschrift verwijst niet naar de in artikel 288 Fw vervatte gronden aan de hand waarvan het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden beoordeeld (zie Hoge Raad 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0969).

3.2.

Artikel 287a lid 5 Fw houdt in dat het verzoek om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling moet worden toegewezen indien deze schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.


3.3. Het voorgaande brengt mee dat, voor zover hier van belang, het bepaalde in artikel 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw, inhoudende dat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest, niet rechtstreeks ook geldt voor een verzoek tot het opleggen van een schuldregeling ex artikel 287a Fw. Dit neemt echter niet weg dat blijkens de parlementaire geschiedenis het ontbreken van de goede trouw wel een rol kan spelen bij de beoordeling van laatstgenoemd verzoek (Kamerstukken II 2005/06, 29 942, nr. 7, p. 40).


3.4. Het vorenstaande leidt tot de volgende belangenafweging.


3.4.1. Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat zijn vordering, eventueel vermeerderd met rente, volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering van verweerster, staat het belang van deze schuldeiser bij weigering van instemming met de schuldregeling vast. Daar komt nog bij dat verweerster, gelet op het verhandelde ter zitting, met een niet weersproken vordering van € 5.231,65 een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast van verzoeker vertegenwoordigt, te weten 40,38 % van € 12.955,55 ter zake van in totaal negen concurrente vorderingen. Voorts is bij de beoordeling van het verzoek het volgende van belang. Verweerster heeft ter zitting onweersproken het volgende aangevoerd. Bij vonnis van de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch van 15 maart 2012 is de tussen verweerster en verzoeker gesloten huurovereenkomst ontbonden, de ontruiming van desbetreffende huurwoning bevolen en is verzoeker ter zake van huurachterstand tot betaling van een bedrag van € 1.778,25 veroordeeld. Ten tijde van betekening van voornoemd vonnis aan verzoeker op 5 april 2012 was de schuld van verzoeker aan verweerder verder opgelopen naar
€ 2.024,49. Verweerster heeft vervolgens de ontruiming van de huurwoning aangezegd en is daartoe uiteindelijk op 23 mei 2012 overgegaan, omdat verzoeker geen gehoor had gegeven aan herhaaldelijke verzoeken van verweerster om de lopende huurtermijnen te betalen en vrijwillig de huurwoning onder overhandiging van de woningsleutels aan verweerster op te leveren. Bij de ontruiming is gebleken dat de huurwoning sterk was vervuild alsmede niet volledig van inboedel was ontdaan. Verder bleek de tuin van de woning dermate met onkruid overwoekerd te zijn, dat verwijdering daarvan noodzakelijk was om de huurwoning aan nieuwe huurders beschikbaar te kunnen stellen. Doordat verzoeker ook na betekening van het ontruimingsvonnis huurtermijnen onbetaald heeft gelaten en de ontruiming van de woning aanzienlijke kosten met zich mee heeft gebracht (waaronder herstel- en schoonmaakkosten), is sedertdien de schuld van verzoeker aan verweerster opgelopen met 58,42 %, te weten van € 2.024,49 naar € 5.231,65. Het had op de weg van verzoeker gelegen om deze aanzienlijke schuldtoename te voorkomen door de lopende huurtermijnen te voldoen en de huurwoning tijdig en deugdelijk onder overhandiging van woningsleutels aan verweerster op te leveren. Verzoeker heeft dat evenwel nagelaten. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat verzoeker sinds mei 2010 een beschermingsbewindvoerder heeft en ondanks die maatregel een forse huurschuld is ontstaan en ook na de ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de ontruiming de huurschuld is toegenomen. Daarvoor kon verzoeker desgevraagd geen deugdelijke verklaring geven en evenmin is de rechtbank gebleken dat verzoeker of zijn beschermingsbewindvoerder in overleg is getreden met verweerster om tot een regeling te komen om de huurschuld af te betalen. Evenmin is een verklaring gegeven waarom verzoeker het tot een gedwongen ontruiming heeft laten aangekomen en waarom de woning in de door verweerster gestelde staat is achtergelaten. In ieder geval staat vast dat de schuld aan verweerster hierdoor substantieel is toegenomen.

3.5.

Al het voorgaande overziende is, is de rechtbank van oordeel dat verweerster in redelijkheid tot weigering van instemming met de door verzoeker aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen. De stelling van verzoeker dat het alternatief van toepassing de schuldsaneringsregeling ex artikel 284 Fw voor schuldeisers geen beter uitzicht biedt, is in het licht van de hiervoor onder punt 3.4.1 genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende zwaarwegend om tot een andersluidend oordeel te komen.

3.6.

Het verzoek ex artikel 287a Fw zal worden afgewezen. Het subsidiaire verzoek (toelating tot de schuldsaneringsregeling) zal worden aangehouden. [verzoeker] zal worden bevolen de rechtbank voor 13 juni 2014 te berichten omtrent zijn lichamelijke gesteldheid en zijn mogelijkheden om te worden gehoord op zijn subsidiaire verzoek. Hij dient dit te onderbouwen met een verklaring van zijn behandelend arts.



4.De beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek ex artikel 287a Fw om verweerster te bevelen in te stemmen met de voor verzoeker aangeboden schuldregeling af;

  • -

    houdt een beslissing omtrent het subsidiaire verzoek aan;

  • -

    beveelt [verzoeker] om de rechtbank voor 13 juni 2014 schriftelijk te informeren omtrent zijn lichamelijke gesteldheid, een en ander zoals is bepaald in rechtsoverweging 3.6.

Deze beslissing is gegeven door mr. C Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 28 mei 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.