Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3103

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
13/5894
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3689, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Als gevaarlijk aangewezen hond (rottweiler) waarvoor reeds een kort aanlijn- en muilkorfgebod gold, is in beslag genomen op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Rechtbank is van oordeel dat de burgemeester over mocht gaan tot inbeslagneming, nu sprake was van een verstoring van de openbare orde en verweerder heeft mogen aannemen dat de vrees bestond dat zich opnieuw een bijtincident zou voordoen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/5894

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juni 2014 in de zaak tussen

[eiser],

eiser,

(gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar),

en

de burgemeester van de gemeente Son en Breugel, verweerder

(gemachtigde: F.J. Driessen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de hond van eiser (een rottweiler genaamd Diesel) in beslag genomen en in bewaring gesteld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 30 oktober 2013 (SHE 13/4678) heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen.

Bij besluit van 12 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is aan de zijde van eiser verschenen M. Gaus van Martin Gaus Gedragscentrum te Lelystad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door R.G.B.M. Spapens.

Overwegingen

De feiten

1.1. Eiser woont samen met zijn echtgenote in [woonplaats]. Ze hadden ten tijde van het

bestreden besluit samen drie honden, te weten een rottweiler Dolcey, een rottweiler Diesel en een bullmastiff.

1.2. In het procesdossier is een “verslag bijtincidenten” van 28 juni 2012 opgenomen,

waarin het volgende is vermeld:

“Nr.

Onderwerp

Bron

1

(…)

Bijtincident 2005-2006

Een rottweiler van [eiser] zou een klein wit hondje gebeten hebben.

In de politiesystemen is hiervan niets meer terug te vinden.

[eiser] kan dit feit zich niet herinneren.

Politie

[eiser]

2

Maart 2009:

Een Rottweiler van [eiser] zou een andere hond (hond van de buren) tijdens het passeren gebeten hebben. Beide honden waren aangelijnd. Hondje raakte zwaar gewond. (…)

[eiser] verklaarde dat de buurman, (…) zat was en dat hij de hond
van [eiser] schopte. De hond van [eiser] wilde wel bijten maar werd gecorrigeerd. Hond heeft niet gebeten. Heeft Rottweiler niet meer
in zijn bezit. (…) heeft later excuses aangeboden.

Politie

[eiser]

3

(…)

26 februari 2012:

Rottweiler van [eiser] beet Chi Tzi hondje. Rottweiler schoot
uit de voordeur van de woning van [eiser]. Hond zou niet zijn
aangelijnd. Hondje was gewond en behandeld door de dierenarts.

[eiser] verklaarde dat de Rottweiler was aangelijnd en dat
het hondje los liep en de oprit opliep richting de Rottweiler. De
Rottweiler pakte de hond in zijn bek om te corrigeren. Als Rottweiler
echt gebeten zou hebben dan was het hondje er waarschijnlijk niet meer.
Rottweiler was eerder gebeten door een klein hondje uit de buurt.
Betreft de volwassen Rottweiler van 8 jaar oud met de naam Docey.
(zonder staart).

Politie/ BOA

[eiser]

4

(…)

17 mei 2012:

Mevrouw laat hondje uit op grasveld. Werd aangevallen door een
Rottweiler die zich had losgerukt van de eigenaar. Mevrouw pakt
hondje op om dit te beschermen te de aanval van de Rottweiler.
Mevrouw heeft flinke verwondingen aan arm, heup en been. Is aan haar verwondingen medisch geholpen. Foto’s van verwondingen zijn gemaakt. Hondje blijft ongedeerd. Rottweiler betreft pup van 10 maanden oud, luistert naar de naam DIESEL. Hond heeft staart.

Rottweiler (Diesel) was aangelijnd en rukte zich los van eigenaar.
Mevrouw pakte hond op om deze te beschermen. Mevrouw reageert
hysterisch. Rottweiler springt tegen mevrouw op om te spelen. De
verwondingen aan haar armen is van haar eigen hond. De verwondingen
aan haar rug en schade aan haar kleding van de Rottweiler.

Politie

[eiser]

5

(…)

29 juni 2012:

Meneer laat hondje uit op veldje (…). Meneer treft [eiser en persoon 1] met ieder een Rottweiler. Meneer besluit ruim om [eiser en persoon 1] te lopen. Na het passeren roept de man met de Rottweiler dat meneer zijn hond op moet tillen. Meneer zag een van de twee Rottweilers op zich afkomen. Deze was kennelijk losgerukt. Meneer werd diverse keren gebeten en is later met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Ook de hond van meneer werd gebeten. (verwondingen niet bekend).

Overbuurvrouw kwam ter assistentie en werd door Rottweiler in haar
bil gebeten. Was niet ernstig. Ook [persoon 1] is door de
Rottweiler gebeten en is hiervoor onder medische behandeling gesteld.

[eiser] verklaarde dat zijn Rottweiler, luisterend naar de naam
Diesel weer was losgerukt en vervolgens de eigenaar van de hond heeft aangevallen. Verklaarde nu niet meer dat het ging om spelen.
heeft zijn honden direct opgesloten en is direct met zijn vrouw naar het ziekenhuis gereden. (…)

[eiser] heeft de Rottweiler naar de fokker gebracht met de intentie
de hond te laten inslapen. Hij is hiervan teruggekomen omdat hij eerst
de hond wil laten onderzoeken. Hij laat het vervolg afhangen van deze
test.”

Politie

[eiser]

1.3.

Bij besluit van 3 juli 2012, bekendgemaakt op 4 juli 2012, heeft het college van burgemeester en wethouders van verweerders gemeente (het college) Diesel en Dolcey aangewezen als gevaarlijke honden in de zin van artikel 2.64 lid 1 sub b van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Son en Breugel. Daarbij is voor de honden een kort aanlijngebod en een muilkorfgebod opgelegd. Aan dat besluit was ten grondslag gelegd dat zich op 26 februari 2012, 17 mei 2012 en 29 juni 2012 bijtincidenten hadden voorgedaan. Bij de laatste twee incidenten had Diesel zich losgerukt, als gevolg waarvan eiser door het college niet in staat wordt geacht om voldoende controle over zijn dieren uit te oefenen.

1.4.

Op 10 juli 2012 heeft [verbalisant 1] in een proces-verbaal gerelateerd dat hij eiser had zien lopen met een aangelijnde oudere rottweiler zonder muilkorf.

1.5.

In een e-mail van 30 juli 2012 heeft [verbalisant 1] aan (onder meer) verweerders gemachtigde bericht dat hij op die dag had gadegeslagen dat Diesel zeer agressief reageerde op een andere hond en dat eiser serieuze problemen had de hond onder controle te krijgen.

1.6.

In een proces-verbaal van 12 september 2013 heeft [verbalisant 1] gerelateerd dat Diesel op 21 februari 2013 geheel onverwacht een sprong in zijn richting maakte waarop eiser hem met een flinke ruk aan de riem nog net op tijd kon terugtrekken.

1.7.

Op 2 september 2013 heeft een bijtincident plaatsgevonden waarbij Diesel en een

border collie betrokken zijn geweest. Daarover is in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 5 september 2013 het volgende vermeld:

“Ik, [verbalisant 2], ben vanmorgen bij mevrouw (…) aangegaan. Zij vertelde me dat op maandag 2 september 2013 rond de klok van 23.45 uur een hoop kabaal hoorde. Ze hoorde duidelijk een hond huilen/janken. Ze heeft het incident niet zien gebeuren, alleen hoorde zij mannenstemmen hard tegen elkaar roepen. Ze hoorde een van de mannen roepen: “dan ga ik wel naar de buurtbrigadier”, of woorden van gelijke strekking.

(…) Vanmorgen, na het bezoek aan mevrouw (…) heb ik een buurtonderzoek uitgevoerd in de omgeving van de (…). Omstreeks 9:55 reed ik met mijn fiets ter hoogte van de (…), en zag aan de overzijde van de weg, [eiser] aan komen lopen. Ik sprak hem aan en vroeg hem hoe het ging. (…) Hij vertelde me dat er gisterenavond een incident had plaatsgevonden. Hierbij is zijn hond geschopt in de zij. Dit zou veroorzaakt zijn door een lange man met een Border Collie. (…) Hij was zich van geen kwaad bewust, omdat zijn honden waren gemuilkorfd. De Border Collie zou niet gebeten zijn, waarmee [eiser] aangeeft dat zijn hond niet schuldig is aan het incident. Nu ben ik in afwachting dat de eigenaar van de Border Collie zich meldt, zodat we een eenduidig verhaal hebben om het verhaal te completeren.”

1.8.

Verder is in dit proces-verbaal vermeld over een gebeurtenis op 3 september 2013:

“Tijdens het gesprek met betrokkene [eiser], had ik mijn fiets tussen de hond (kleine Rottweiler) ter bescherming. Vervolgens maakte genoemde hond een happende beweging naar mijn voeten. (…) Opmerkelijk was wel, dat ik tijdens het gesprek met [eiser], na enkele minuten de hond zag gapen zonder dat hij gemuilkorfd was. (…) Ik vroeg aan betrokkene [eiser], waarom de muilkorf los was gegaan. Hij verklaarde hierop: “ik heb de muilkorf van onze Dolce even gebruikt voor het uitlaten van onze Diesel”. Hij verklaarde tevens dat dit zou kunnen komen omdat de kop van Dolce groter is dan van Diesel. (…). Vervolgens heb ik [eiser] erop gewezen dat zijn muilkorf wel goed passend moet zijn om incidenten te voorkomen. Hij gaf toe dat hij het bandje wat harder aan moest trekken. [eiser] heeft aangegeven aangifte te gaan doen van het schopincident wat plaats heeft gevonden op betreffende avond.”

Zowel de eigenaar van de border collie als eiser hebben aangifte van het bijtincident op 2 september 2013 gedaan bij de regiopolitie Brabant Zuid-Oost. In het proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2013 staat daarover het volgende:

“(…)

[Eigenaar border collie] had bij het serviceteam van politie (…) het volgende gemeld:

Dhr. (…) liep op maandag 2 september 2013 omstreeks 23.30 uur met zijn hond (…) te [woonplaats]. Daar kwam plots een hond, een rottweiler aangerend welke de hond van dhr. (…) aanviel. Dhr. (…) gaf aan dat de rottweiler wel aangelijnd was maar dat de vrouw welke de hond uit liet de hond totaal niet onder controle had. Doordat de Rottweiler erg had aan de riem trok is zij door de hond meegesleurd en viel zij op de grond. De rottweiler zou een muilkorf om hebben gehad. Echter is de staart van de hond van dhr. (…) tussen de muilkorf gekomen. Hierdoor heeft de hond van dhr. (…) een diepe bijtwond in zijn staart opgelopen. Dhr. (…) wist te vertellen dat er meerdere bijtincidenten hebben plaats gevonden met de betreffende hond. De hond zou Diesel heten (…).

(…)

Op donderdag 5 september 2013, omstreeks 13.15 uur, verscheen [eiser] op het politieburo te Best. Hij deed aangifte van vernieling van zijn hond Diesel. [eiser] gaf in zijn verklaring aan dat de eigenaar van de border collie op 2 september 2013, tussen 23.40 uur en 23.50 uur naar zijn vrouw begon te roepen dat ze de hond bij moest houden. Op een gegeven moment zou deze man zonder aanleiding zijn hond Diesel diverse malen geschopt te hebben. Volgens [eiser] bleek zijn hond gekneusde ribben hieraan over te hebben gehouden. [eiser] gaf aan dat de Border Collie met zijn tanden zijn hond Diesel beet had aan de muilkorf. [eiser] had een kapotte muilkorf bij waarin tandafdrukken te zien waren.”

1.10.

Op 9 september heeft verweerder het primaire besluit genomen, waarbij hij eiser op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, heeft bevolen om Diesel af te staan, indien eiser niet vrijwillig afstand zou doen. Op 10 september 2013 is Diesel in beslag genomen en geplaatst bij een door het ministerie van Economische Zaken erkende opslaghouder. Eiser heeft aan verweerder opdracht gegeven om Diesel een gedragstest te laten ondergaan dat deel uitmaakt van een risico-assessment.

1.11.

Op 29 januari 2014 heeft verweerder besloten Diesel te laten euthanaseren. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt; die procedure loopt nog.

De beoordeling

2.

De rechtbank stelt, ter informatie en voor een goed begrip van de zaak, het volgende voorop. In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder mocht overgaan tot het in beslag nemen van Diesel. Het gaat, zoals ook ter zitting door de rechtbank gemeld, hier niet om de vraag of Diesel mag worden geëuthanaseerd. Daarover loopt een aparte procedure, die thans nog in de bezwaarfase bij verweerder verkeert.

3.1.

Op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde. Uit deze bepaling moet worden afgeleid dat de burgemeester beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. De rechter kan dit oordeel slechts terughoudend toetsen. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet heeft deze bepaling betrekking op situaties waarin enerzijds geen overtreding van wettelijke openbare orde voorschriften plaatsvindt, terwijl anderzijds sprake is van een zodanige inbreuk op orde en rust dat niet meer van een aanvaardbaar niveau daarvan gesproken kan worden. Daartegen moet kunnen worden opgetreden. De bepaling dient er toe de burgemeester ook in dergelijke gevallen bevoegd te verklaren tot handelen. De burgemeester kan echter op basis van deze bepaling niet naar willekeur openbare orde-maatregelen nemen. Er moet sprake zijn van een verstoring van de openbare orde of van ernstige vrees daarvoor en de bevelen moeten noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Voorts mogen de bevelen niet van wettelijke voorschriften afwijken en moeten ze proportioneel en subsidiair zijn (Kamerstukken I 1990/91, 19 403, nr. 64b, blz. 16/17).

3.2.

Eiser heeft (eerst) ter zitting primair aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was tot

inbeslagneming, nu hij daartoe niet snel genoeg na het incident op 2 september 2013 is overgegaan; daarmee is volgens eiser niet voldaan aan het vereiste dat onmiddellijk dient te worden ingegrepen (het ‘situatiecriterium’) bij het aanwenden van de bevoegdheid ex artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat aan het situatiecriterium is voldaan. Op 3 september 2013 kreeg verweerder wetenschap van het incident dat zich de avond ervoor had voorgedaan, waarna verweerder, gezien de uiteenlopende verklaringen over de gebeurtenissen van enerzijds de eigenaar van de border collie en anderzijds eiser, heeft gewacht tot verweerders gemachtigde (tevens coördinator integrale veiligheid en handhaving) de beschikking kreeg over de foto’s van de verwondingen van de border collie. Direct na het ontvangen van de foto’s, waaruit bleek dat de collie inderdaad gebeten was, heeft verweerder het primaire besluit genomen. Dit is voldoende spoedig om de bevoegdheid die volgt uit artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, aan te wenden.

3.4.

De beroepsgrond faalt derhalve.

4.1.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder niet op basis van de incidenten van 2 en
3 september 2013 tot inbeslagneming mocht overgaan, nu geheel onduidelijk is wat er zich op 2 september precies heeft afgespeeld en verweerder daarnaar onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Eiser stelt dat de eigenaar van de border collie onjuist heeft verklaard over de gebeurtenissen en dat het juist de collie was die Diesel aanviel. De muilband van Diesel is stukgebeten door de collie en daardoor heeft Diesel kunnen bijten, aldus eiser. Eiser stelt voorts dat [verbalisant 2] in zijn proces-verbaal van 5 september 2013 over het incident van 3 september 2013 heeft gelogen. Verder is eiser van mening dat niet is voldaan aan verweerders “Protocol Bijtincidenten honden” (verder: Protocol), nu de collie slechts een lichte verwonding had, terwijl volgens artikel 2, eerste lid van dat Protocol sprake dient te zijn van een ernstig bijtincident. Volgens eiser is de openbare orde voorts op geen enkele manier verstoord geweest.

4.2.

Over deze beroepsgronden oordeelt de rechtbank als volgt.

4.3.

Anders dan eiser meent, heeft verweerder niet enkel de incidenten van 2 en 3 september

2013 aan het besluit tot inbeslagneming ten grondslag gelegd. In het advies van verweerders bezwaarcommissie, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, is vermeld dat het primaire besluit gebaseerd is op de bevindingen van de BOA’s van na juni 2012, op het advies van de bezwaarcommissie dat is uitgebracht naar aanleiding van de incidenten in 2012, op het incident van 2 september 2013 en op de maatschappelijke onrust die is ontstaan na het incident van 2 september 2013 en direct na het incident van 3 september 2013. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat ook de weinig coöperatieve houding van eiser in de gemaakte afweging een rol heeft gespeeld; hij heeft volgens verweerder de neiging anderen de schuld te geven van de incidenten, toont weinig zelfreflectie en bagatelliseert zijn eigen aandeel en dat van Diesel. Verweerder heeft aldus alles met elkaar in samenhang bezien en vervolgens in die samenhang, na het zien van de foto’s van het incident op 2 september 2013, aanleiding gezien om tot inbeslagneming over te gaan.

4.4.

De rechtbank stelt met eiser en verweerder vast dat de lezingen van de feiten van het

incident op 2 september 2013 uiteenlopen. Zij is echter van oordeel dat verweerder eisers lezing van de feiten – ook zonder nader onderzoek – onvoldoende aannemelijk heeft mogen achten. Daarbij is van belang dat uit het dossier op verschillende momenten naar voren komt dat eiser de hem (door bijvoorbeeld het aanlijn- en muilkorfgebod) opgelegde, maar ook rechtstreeks uit het houden van een (als gevaarlijk aangewezen) hond voortvloeiende verantwoordelijkheden niet steeds even strikt naleeft. Tijdens het gesprek met [verbalisant 2] op 3 september 2013 was de muilband van Diesel immers niet goed bevestigd en hing deze erg los. Daarnaar gevraagd ter zitting heeft eiser gezegd dat hij was vergeten om het bandje strak genoeg aan te trekken. Op 10 juli 2012 is voorts door een verbalisant op ambtseed verklaard dat hij eiser zag lopen met een ongemuilkorfde rottweiler. In het licht van die omstandigheden is begrijpelijk dat verweerder eisers lezing van de feiten, die blijkens diens aangifte van 5 september 2013 inhield dat de eigenaar van de collie spontaan begon te schoppen tegen Diesel en dat de collie de muilband van Diesel kapot beet, onaannemelijk heeft geacht. Het enkele feit dat de muilband bijtsporen bevat, maakt voorts nog niet dat daarmee eisers lezing aannemelijk wordt. De verklaring daaromtrent van M. Gaus ter zitting kan dat ook niet ondersteunen, nu M. Gaus aldaar eveneens verklaarde dat de muilband klaarblijkelijk, gelet op de mate waarin die gescheurd was, door de collie van Diesels kop was afgereten, terwijl dat volgens eiser niet het geval was; de muilband zat na afloop van het incident nog om Diesels kop heen. In dat licht hecht de rechtbank daar, waar M. Gaus verklaart dat de muilband, gelet op de wijze waarop deze is gescheurd, evident van buitenaf is kapotgebeten, minder waarde aan die verklaring, althans niet in die mate, dat deze eisers lezing van de feiten kan ondersteunen. De rechtbank gaat bij dit alles overigens voorbij aan de ter zitting gevoerde discussie over het al dan niet voldoen van de muilband aan de vereisten van artikel 2.64 van de APV, aangezien nergens uit blijkt dat verweerder daarvan eerder gewag heeft gemaakt jegens eiser (en dit evenmin is opgenomen in de besluitvorming) en het er veeleer op lijkt (zie ook het proces-verbaal van 12 september 2013, waarin [verbalisant 1] de nylon muilband beschrijft en vervolgens vaststelt dat de hond was voorzien van een muilkorf) dat de muilband steeds is geaccepteerd als middel waarmee aan artikel 2.64 van de APV was voldaan.

4.5.

Of het incident van 2 september 2013 nu als een ernstig of licht bijtincident in de zin

van het Protocol dient te worden gekwalificeerd, doet – anders dan eiser meent – niet ter zake. In het Protocol, dat verweerder (zo heeft diens gemachtigde desgevraagd ter zitting bevestigd) hanteert als leidraad bij dit soort besluiten, is in artikel 2, eerste lid bepaald dat de houder van een hond die een (zeer) ernstig bijtincident heeft begaan, gevraagd wordt afstand te doen van zijn hond. Gelet op de eerdere incidenten op 17 mei 2012 en 29 juni 2012 waarvan naar dezerzijds oordeel vaststaat dat die als ernstig moeten worden gekwalificeerd, en die verweerder mede ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit, is daaraan zonder meer voldaan. Dat eiser ter zitting heeft gesteld dat de personen die bij die incidenten (ernstig) gebeten zijn, zelf daaraan schuldig zijn omdat zij verkeerd op Diesel reageerden en/of anticipeerden, kan daaraan op geen enkele wijze afdoen en vormt naar het oordeel van de rechtbank veeleer een onderbouwing van verweerders stelling, dat het eiser ontbreekt aan verantwoordelijkheidsbesef en inzicht in het eigen aandeel.

4.6.

Verweerder heeft voorts mogen aannemen dat de vrees voor herhaling van een

bijtincident bestond en dat zich een verstoring van de openbare orde voordeed. Uit de zich in het dossier bevindende stukken komt ondubbelzinnig naar voren dat meerdere bewoners zich onveilig hebben gevoeld in de buurt als gevolg van de incidenten die zich hebben voorgedaan.

4.7.

De beroepsgronden zoals weergegeven onder rechtsoverweging 4.1 falen derhalve.

5.

Eiser heeft tot slot nog aangevoerd dat verweerder niet mocht overgaan tot

inbeslagneming zonder Diesel eerst door een deskundige of onafhankelijk dierenarts te laten onderzoeken. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Het voorafgaand aan het aanwenden van de bevoegdheid ex artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet laten verrichten van zo’n onderzoek zou zich immers niet verdragen met het (hierboven in rechtsoverweging 3.2. beschreven) situatiecriterium, waarop eiser overigens nu juist zelf een beroep heeft gedaan. Deze beroepsgrond faalt derhalve evenzeer.

6.

Het bestreden besluit houdt in rechte stand, zodat het beroep ongegrond is. Voor een

proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie, voorzitter, en mr. M. van den Brink en mr. F.M. Tadic, leden, in aanwezigheid van mr. E.C.J. Kohl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.