Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3095

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
01/995075-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onjuiste huisvesting legkippen. Nadere invulling begrip "legrijpe kip" in de zin van het Legkippenbesluit.

Boete aan rechtspersoon opgelegd van euro 20.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2014/22342 met annotatie van P.S. Lambertina
NJFS 2014/204
Milieurecht Totaal 2015/5980
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/995075-12

Datum uitspraak: 03 juni 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 mei 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 januari 2014. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2012 tot en met 26 juli 2012 en/of in of omstreeks de periode 31 juli 2012 tot en met 2 april 2013 te Odiliapeel, gemeente Uden, althans in Nederland, een hoeveelheid legkippen heeft gehuisvest en/of verzorgd terwijl dit niet overeenkomstig de artikelen 4 en/of 7 en/of 8, eerste en/of tweede lid, en/of 9 en/of 10 van het Legkippenbesluit 2003 geschiedde, aangezien de dieren werden gehouden in (een) niet-aangepaste kooi(en) (traditionele legbatterij(en)).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging.

Door de vertegenwoordiger van verdachte is ter terechtzitting van 20 mei 2014 erkend dat er in de periode van 1 juli 2012 tot en met 26 juli 2012 en in de periode van 31 juli 2012 tot en met 2 april 2013 op haar bedrijf gelegen aan de [adres 2] kippen in kooien werden gehouden. Het houden van legkippen in kooien was vanaf 1 juli 2012 slechts toegestaan indien de kippen in afdoende aangepaste kooien werden gehouden.

Door de vertegenwoordiger van verdachte is aangevoerd dat de kooien op het bedrijf van verdachte voldeden aan de eisen die per 1 juli 2012 aan de aangepaste kooien werden gesteld en dat verdachte daarom in die kooien legkippen mocht houden. Ook heeft de vertegenwoordiger van verdachte aangevoerd dat een aantal kippen dat in kooien werd gehouden, in de rui was en dat die kippen dan niet als legkippen kunnen worden aangemerkt.

De officier van justitie is van oordeel dat het verdachte niet was toegestaan vanaf 1 juli 2012 legkippen in kooien te houden omdat de verdachte niet heeft voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2, vierde lid van het besluit. De officier van justitie is van oordeel dat ook kippen in de rui als legkippen moeten worden aangemerkt indien deze kippen voorafgaande aan de rui al eieren legden.

Het oordeel van de rechtbank.

In artikel 1 van het Legkippenbesluit 2003 [hierna: het Besluit] is bepaald dat onder een legkip wordt verstaan “een legrijpe kip van de soort Gallus gallus die wordt gehouden voor de productie van andere eieren dan broedeieren”. Uit het Besluit, noch uit enige andere bepaling, vloeit voort dat legrijpe kippen in de rui niet als legkippen moeten worden aangemerkt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat legrijpe kippen in de rui als legkippen moeten worden aangemerkt in de zin van het Besluit. Een andere, beperktere uitleg zou er toe leiden dat legkippen gedurende een deel van het jaar minder diervriendelijk gehouden zouden kunnen worden. Dit acht de rechtbank strijdig met de strekking van het Besluit.

Op 1 januari 2012 is het Legkippenbesluit 2003 in werking getreden. Uitgangspunt van dit besluit is dat legkippen niet in kooien, maar in alternatieve huisvestingssystemen worden gehuisvest [art. 2 tweede lid]. Op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen, genoemd in artikel 2, derde, vierde en vijfde lid, van het Besluit.

Artikel 2 van het Besluit luidt als volgt:

1.

Dit besluit is niet van toepassing op houders van legkippen die minder dan 350 legkippen houden.

2.

Legkippen worden ten minste gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 4, 7, 8, eerste en tweede lid, 9 en 10.

3.

In afwijking van het tweede lid is het toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 4a te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 4a en 7 tot en met 10.

4.

In afwijking van het tweede lid is het tot en met 31 december 2020 toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 5 te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 5 en 7 tot en met 10, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat:

a. het voor 18 april 2008 is gebouwd, of

b. ten behoeve van dit huisvestingssysteem voor 18 april 2008:

1°. een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is

verleend, of

2°. een aanvraag voor een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, is gedaan en:

– een aanvraag voor een milieuvergunning is gedaan, of

– een melding als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan,

en dat het huisvestingssysteem voor 18 april 2010 is gebouwd en in gebruik is genomen.

5.

In afwijking van het tweede lid is het tot en met 31 december 2011 toegestaan legkippen te houden in een kooi als bedoeld in artikel 6 indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 6, 7, 8, eerste, tweede en vijfde lid, 9 en 10, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat het voor 1 januari 2003 is gebouwd en in gebruik is genomen.

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de kooien waarin zij de legkippen hield voldeden aan de eisen die aan de te verrijken kooien, bedoeld in artikel 2 vierde lid jo artikel 5 van het Besluit, worden gesteld.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. Onder een te verrijken kooi moet worden verstaan een kooi die reeds bij de bouw en bij in gebruik name vóór 1 januari 2003 de afmetingen had van een verrijkte kooi en die geen aanpassingen aan de kooi zelf behoeft om aan de normen voor verrijkte kooien te kunnen voldoen. Namens verdachte is ter terechtzitting van 20 mei 2014 verklaard dat er vanaf 2009 aanpassingen aan het huisvestigingssysteem zijn gerealiseerd. Een van die aanpassingen bestond uit het maken van een opening tussen de oorspronkelijk kooien om op die wijze tot de vereiste vrij beschikbare grondoppervlakte te kunnen komen.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de kooien weliswaar vóór 1 januari 2003 zijn gebouwd en door verdachte in gebruik zijn genomen, maar dat de afmetingen van die afzonderlijke kooien op 1 januari 2003 niet voldeden aan de vereisten die voor verrijkte kooien golden. Aan deze norm heeft verdachte pas kunnen voldoen nadat hij vanaf 2009 diverse afzonderlijke kooien met elkaar had verbonden.

Evenmin is uit het onderzoek ter terechtzitting van 20 mei 2014, of uit andere feiten of omstandigheden, gebleken dat aan verdachte voor 18 april 2008 ten behoeve van het door hem gebruikte huisvestingssysteem, de vereiste milieuvergunning is verleend of dat verdachte daarvoor voor 18 april 2008 een bouwvergunning heeft aangevraagd, een en ander als bedoeld in artikel 2, vierde lid aanhef onder b, van het Besluit. De rechtbank merkt daarbij nog op dat het op de weg van verdachte ligt aan te tonen dat deze uitzonderingsbepaling op haar van toepassing is.. Dat heeft verdachte nagelaten.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat door verdachte legkippen werden gehouden in niet aangepaste kooien als bedoeld in artikel 6 van het Besluit. Gelet op het bepaalde in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit, was het vanaf 1 januari 2012 echter niet langer toegestaan legkippen op dergelijke wijze te huisvesten.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 juli 2012 tot en met 26 juli 2012 en in de periode van 31 juli 2012 tot en met 2 april 2013 legkippen heeft gehuisvest in strijd met het bepaalde in het Besluit.

Dat verdachte in die periode legkippen in strijd met het Besluit heeft verzorgd, acht de rechtbank evenals de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

in de periode 1 juli 2012 tot en met 26 juli 2012 en in de periode 31 juli 2012 tot en met 2 april 2013 te Odiliapeel, gemeente Uden, een hoeveelheid legkippen heeft gehuisvest terwijl dit niet overeenkomstig artikel 4 van het Legkippenbesluit 2003 geschiedde, aangezien de dieren werden gehouden in niet-aangepaste kooien (traditionele legbatterijen).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

 een geldboete van € 20.000,--.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de omstandigheden van verdachte waaronder de draagkracht.

In het nadeel van verdachte weegt mee dat verdachte door kippen te houden op een wijze die in strijd is met de wet, zich een concurrentievoordeel heeft verworven ten opzichte van zijn branchegenoten die zich wel aan de voorgeschreven regels hebben gehouden en de lange periode waarin verdachte dit feit heeft gepleegd. Door de dieren te houden in niet voldoende aangepaste huisvesting is tevens tekort gedaan aan het dierenwelzijn van de betreffende kippen.

In het voordeel van verdachte weegt mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een geldboete van € 20.000,-- passend en geboden is.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht,

1, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten,

1, 45 en 131 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en

1, 2, 4 en 16 van het Legkippenbesluit 2003.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45 eerste lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon

[artikelen 2 en 4 van het Legkippenbesluit 2003].

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

 Een geldboete van € 20.000,-- [twintigduizend euro].

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 3 juni 2014.