Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:3092

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
SHE 13/5864
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevraagde woonvoorziening gerealiseerd voor de aanvraag in het kader van de Wmo. Geen beperkingen op moment van aanvraag, dus geen compensatieplicht voor verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank strekt de compensatieplicht, zoals omschreven in artikel 4, eerste lid, van de Wmo, er niet toe dat verweerder gehouden is om de noodzaak tot compensatie te onderzoeken, ook indien de gevraagde voorziening reeds voor de aanvraag gerealiseerd is.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/5864

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: J.P.M. de Kroon),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. J.L.J. Martens).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een woonvoorziening ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 17 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2014. Eiseres en verweerder zijn verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende, niet betwiste, feiten en omstandigheden. Eiseres is sinds juni 2012 volledig rolstoelafhankelijk. Naar aanleiding daarvan heeft de echtgenoot van eiseres begin februari 2013 de natte cel in de badkamer van de woning van eiseres laten aanpassen. Op 10 maart 2013 heeft eiseres een aanvraag gedaan om een woonvoorziening in de vorm van een aanpassing van de badkamer in het kader van de Wmo.

2.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat ten tijde van de aanvraag de door eiseres gevraagde voorziening al was gerealiseerd, waardoor er niet langer sprake was van op te heffen beperkingen en er voor verweerder geen compensatieplicht bestaat.

3.

Eiseres kan zich niet verenigen met het besluit op bezwaar. Zij stelt zich, samengevat, weergegeven, op het standpunt dat er een duidelijk causaal verband bestaat tussen haar fysieke beperkingen en de gerealiseerde aanpassing aan de badkamer. Verweerder dient alsnog een tegemoetkoming in de zin van de Wmo te verstrekken voor de met die aanpassing gepaard gaande kosten, aldus eiseres.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.

Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid , onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem onder meer in staat stellen om een huishouden te voeren.

6.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres sinds de aanpassing van haar badkamer in februari 2013 in zoverre geen beperkingen meer ondervindt in het gebruik van haar woning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht de aanvraag van eiseres om de gevraagde woonvoorziening afgewezen, nu eiseres ten tijde van haar aanvraag op 10 maart 2013 geen beperkingen (meer) ondervond in haar zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Naar het oordeel van de rechtbank strekt de compensatieplicht, zoals omschreven in artikel 4, eerste lid, van de Wmo, er niet toe dat verweerder gehouden is om de noodzaak tot compensatie te onderzoeken, ook indien de gevraagde voorziening reeds voor de aanvraag gerealiseerd is. De verwijzing van eiseres naar een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 juni 2009 (ECLI:RBARN:2009:BJ1550), in hoger beroep deels bevestigd bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV5418), kan haar niet baten nu in die zaak, anders dan in de onderhavige zaak, ten tijde van de aanvraag de gevraagde voorziening nog niet gerealiseerd was en de beperkingen op dat moment dus nog aanwezig waren. Dat eiseres niet eerder op de hoogte was van de mogelijkheid om de aanpassingen aan de badkamer in haar woning via de Wmo vergoed te krijgen, kan haar evenmin baten. Immers, zoals de CRvB reeds heeft bepaald in de uitspraak van 18 mei 1993 (ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2748), komt onbekendheid van een belanghebbende met de terzake geldende regelingen voor diens eigen rekening en risico. De beroepsgrond faalt.

7.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.N. Kruijer, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Kriekaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.