Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2898

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-06-2014
Datum publicatie
02-06-2014
Zaaknummer
01/025365-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging terbeschikkingstelling met één jaar en aanhouding beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. Index delict:verkrachting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/025365-03

Uitspraakdatum: 02 juni 2014

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1978],

verblijvende [kliniek 1]

Het onderzoek van de zaak.

Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 mei 2004 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling (verder: TBS) is voor het laatst, bij beslissing van deze rechtbank van 10 juni 2013 met één jaar verlengd.

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 11 april 2014 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar.

Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 mei 2014.

Hierbij zijn de officier van justitie, deskundige en de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

  • -

    het advies van D.A.H. Adriaanse, hoofdbehandelaar/GZ-psycholoog/psychotherapeut, I. Maksimovic, afdelingspsychiater en I. van Outheusden, psychiater, directeur behandelzaken [kliniek 1], hoofd der inrichting, van de inrichting waar betrokkene verblijft, d.d. 6 maart 2014;

  • -

    de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen;

  • -

    het persoonsdossier van terbeschikkinggestelde.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste. De hiervoor genoemde misdrijven betreffen misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Blijkens de adviesrapportage van [kliniek 1] is er in het afgelopen jaar eigenlijk niets veranderd in de situatie van [terbeschikkinggestelde] en is het verlengingsadvies nagenoeg identiek aan het vorige verlengingsadvies. Door het ontbreken van een verblijfstatus heeft [kliniek 1] geen verlofmachtiging kunnen aanvragen en zijn er geen op resocialisatie gerichte stappen in de maatschappij buiten de kliniek mogelijk geweest. Als gevolg van het ontbreken van medewerking door de autoriteiten van Sierra Leone zijn ook geen ontwikkelingen ingezet die tot repatriëring van [terbeschikkinggestelde] naar zijn geboorteland kunnen leiden.

De kliniek adviseert de TBS te verlengen met één jaar waarbij zij er vanuit is gegaan dat het voor haar als uitvoerende kliniek niet mogelijk is om zich van een advies te onthouden. De in de rapportage beschreven situatie waarin [terbeschikkinggestelde] zich bevindt, geeft bij de kliniek aanleiding tot gemengde gevoelens onder de behandelaren en begeleidende medewerkers. Voor de behandelaars is de juridische situatie rond de verblijfstatus van [terbeschikkinggestelde] feitelijk te complex om in betrokken te zijn en de focus van de kliniek ligt dan ook op het toekomstig behoud van het bereikte psychiatrische evenwicht dat afhankelijk is van de wijze waarop [terbeschikkinggestelde] zijn toekomst kan en mag invullen. Zij benadrukken het belang van het blijven voortzetten van behandeling met antipsychotische medicatie in verband met vermindering van het recidivegevaar. In gestabiliseerde toestand weet [terbeschikkinggestelde] goed de controle over zichzelf te behouden, dat wil zeggen dat er geen sprake is van impulsdoorbraken of vijandig gedrag. Op de afdeling ziet de kliniek een steeds meer sociaal vaardige en assertieve man, die psychiatrisch maximaal is gestabiliseerd sinds 2007 dankzij de voorgeschreven antipsychotische medicatie. Behandel-inhoudelijk is met dit stabiele resultaat een eindstadium van de mogelijkheden van een klinisch psychiatrische behandeling bereikt. Een volgende stap zou gewoonlijk de overgang naar de semi-ambulante of ambulante resocialisatie zijn. Dit wordt echter geblokkeerd door het feit dat [terbeschikkinggestelde] tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Volgens de kliniek verkeert [terbeschikkinggestelde] in een uitzichtloze situatie. Dit roept spanning en onduidelijkheid bij hem op. Mogelijk verslechtert de psychiatrische toestand van [terbeschikkinggestelde] in de kliniek vanwege het uitblijven van een ontslagperspectief.

In de hypothetische situatie dat [terbeschikkinggestelde] vrij in de maatschappij zou zijn zonder intensieve begeleiding en medicatie wordt het risico op recidive echter hoog ingeschat.

De deskundige D.A.H. Adriaanse, optredend namens de kliniek, heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij voornoemd advies. Hij heeft aangegeven dat de kliniek dit advies alleen maar geeft omdat zij zich niet van advies wil onthouden maar dat ze niet denken dat ze nog stappen vooruit kunnen maken met [terbeschikkinggestelde]. [terbeschikkinggestelde] is een “nette kostganger” in de kliniek. Zijn optimistische houding van de afgelopen jaren is bewonderenswaardig. Nu wordt echter merkbaar dat [terbeschikkinggestelde] door de uitzichtloze situatie de hoop heeft verloren. Inspanningen van de kliniek om [terbeschikkinggestelde] te kunnen repatriëren naar Sierra Leone leveren niets op. Daarnaast is er geen mogelijkheid om een resocialisatie in gang te zetten nu geen verlof aan hem wordt toegekend. Het is een uitzichtloze situatie. Desgevraagd heeft de deskundige tenslotte aangegeven dat niet valt te voorspellen hoe [terbeschikkinggestelde] zal reageren op het eventueel wegvallen van zijn medicatie en wat dit betekent voor zijn daadwerkelijke recidivegevaar. Sommige patiënten reageren nauwelijks als met de medicatie wordt gestopt. Er zijn juist verlofstappen nodig om te zien hoe [terbeschikkinggestelde] in verschillende situaties reageert.

De deskundige heeft aangegeven dat de Reclassering wellicht gevraagd kan worden om de mogelijkheden voor een resocialisatie traject te onderzoeken. Als er voorwaardelijk beëindigd wordt dan zou het verblijf in een FPK of FPA een mogelijkheid zijn.

[terbeschikkinggestelde] heeft aangegeven dat de situatie uitzichtloos is en dat hij niet wil dat de TBS nogmaals wordt verlengd. Hij wordt momenteel niet behandeld en heeft geen vertrouwen meer in het Nederlandse rechtssysteem. Hij wil terug naar zijn eigen land. Er zijn echter geen mogelijkheden voor hem om terug te keren naar Sierra Leone zolang hij in de kliniek verblijft. Hij hoopt op een terbeschikkingstelling met voorwaarden zodat hij een jaar naar [kliniek 2] in Eindhoven kan om zijn terugkeer te regelen.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering. Er is volgens de officier van justitie wel voldaan aan de verlengingscriteria nu er nog steeds een hoog recidivegevaar is. [terbeschikkinggestelde] is toe aan resocialisatie maar resocialiseren is in Nederland niet mogelijk vanwege het ontbreken van een verblijfstatus. Er zijn op dit moment ook geen mogelijkheden om [terbeschikkinggestelde] terug te laten keren naar Sierra Leone. Daarbij wordt een eventuele terugkeer bemoeilijkt door het kader van de TBS met dwangverpleging dat thans op [terbeschikkinggestelde] van toepassing is. Bij een presentatie op het consulaat komt hij nu met een gedetineerdenbusje en bewakers. Mogelijk dat de consulaire autoriteiten toeschietelijker zullen zijn als hij gewoon zelf zou komen, maar dat kan nu - zonder verlofmogelijkheden - niet.

De staatssecretaris gaat over het verlenen van verlof. De huidige verlofregeling staat op gespannen voet met het EVRM. Er is al geruime tijd sprake van een patstelling en het is volgens de officier van justitie maar zeer de vraag of daar op korte termijn verandering in kan komen.

Omdat er tot op heden geen passende zorg kan worden geregeld in Sierra Leone behoort artikel 38 la van het Wetboek van Strafrecht ook niet tot de mogelijkheden. Directe beëindiging van de TBS zou in strijd zijn met artikel 509t van het Wetboek van Strafvordering en volgens de officier van justitie behoort een voorwaardelijke beëindiging ook niet tot de mogelijkheden aangezien verlof niet mogelijk is.

Het is volgens de officier van justitie aan de wetgever om verandering te brengen in deze situatie.

De raadsman van [terbeschikkinggestelde] heeft aangevoerd dat [terbeschikkinggestelde] in een uitzichtloze situatie verkeert en dat sprake is van een patstelling. Het ontbreekt [terbeschikkinggestelde] aan een verblijfstatus en er is geen zicht op verandering van deze situatie. Repatriëring naar Sierra Leone is als gevolg van het ontbreken van medewerking door de autoriteiten niet mogelijk. Het uitblijven van een inreisdocument is niet aan [terbeschikkinggestelde] te wijten. De kliniek kan geen zorg op afstand verlenen.

De raadsman wijst erop dat de getuigen-deskundigen al vanaf 2009 aangeven dat er sprake is van een uitzichtloze situatie voor [terbeschikkinggestelde]. De patstelling die is ontstaan levert bij [terbeschikkinggestelde] veel spanning en sombere gevoelens op en hij doet alle moeite om zijn frustraties binnen te houden. De raadsman verzoekt de rechtbank daarom om de TBS voorwaardelijk te beëindigen. Er is sprake van een disproportionele situatie die wringt met artikel 5 EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat [terbeschikkinggestelde] zich in de afgelopen jaren positief heeft ontwikkeld. Uit de informatie zoals die door de kliniek is verstrekt, blijkt dat [terbeschikkinggestelde] al sinds 2007 is gestabiliseerd en dat binnen de context van uitsluitend verblijf in de kliniek het risico op gewelddadig gedrag laag wordt ingeschat. Vrij in de maatschappij, zonder intensieve begeleiding, wordt dit risico echter hoog ingeschat. Daarnaast is er geen passende voorziening in het land van herkomst. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de terbeschikkingstelling van [terbeschikkinggestelde] nu nog niet kan worden beëindigd.

In dit verband wordt voorts nog het volgende overwogen.De terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege heeft primair tot doel de beveiliging van de maatschappij en subsidiair, zo mogelijk, de behandeling van de terbeschikkinggestelde, gericht op wegneming of toereikende vermindering en beheersing van het recidivegevaar, opdat de terbeschikkinggestelde zo mogelijk kan terugkeren in de maatschappij. Deze terugkeer in de maatschappij geschiedt in beginsel via zich geleidelijk uitbreidende verloven. Daarbij wordt met terugkeer in de maatschappij niet uitsluitend de Nederlandse maatschappij bedoeld, maar de maatschappij in het algemeen. (Vgl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4877)

De TBS met dwangverpleging is aangevangen op 19 mei 2004. [terbeschikkinggestelde] is op 20 februari 2006 geplaatst in de TBS-kliniek [kliniek 1]. Deskundige Adriaanse heeft ter zitting verklaard dat [terbeschikkinggestelde] sindsdien de kliniek alleen heeft kunnen verlaten voor het bijwonen van de verlengingszittingen van de rechtbank.

Uit het dossier blijkt dat de behandeling van [terbeschikkinggestelde] zodanig is gevorderd dat het in beginsel aangewezen en verantwoord zou zijn dat een begin wordt gemaakt met een geleidelijke resocialisatie. Dit wordt echter al een aantal jaren geblokkeerd door het feit dat [terbeschikkinggestelde] tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Daarnaast valt niet te verwachten dat er op korte termijn verandering zal komen in de situatie waarin [terbeschikkinggestelde] zich bevindt. In de afgelopen jaren zijn diverse pogingen ondernomen om [terbeschikkinggestelde] terug te laten keren naar Sierra Leone of om te bewerkstelligen dat hij in Nederland kan blijven. Tot op heden heeft dit niet tot enig resultaat geleid. Inmiddels is duidelijk dat de mogelijkheden om een voortgezet verblijf te verkrijgen in Nederland zijn uitgeput en op korte termijn valt ook niet te verwachten dat de Minister van Justitie een gewijzigd standpunt in zal nemen met betrekking tot deze problematiek. Naar het oordeel van de rechtbank is hierdoor een uitzichtloze situatie ontstaan voor [terbeschikkinggestelde] doordat hij geen resocialisatie mogelijkheden heeft in Nederland.

In de zaak Rangelov tegen Duitsland heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot een in Duitsland tot Sicherumgsbewahrumg veroordeelde persoon bepaald (EHRM 22 maart 2012, no. 5123/07), dat het anders behandelen van een vreemdeling dan een eigen onderdaan omwille van zijn vreemdelingenrechtelijke status in strijd is met artikel 14 van het EVRM (het discriminatieverbod) in samenhang met artikel 5 van het EVRM (het recht op persoonlijke vrijheid). Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in bovengenoemde uitspraak van 4 juli 2013 het volgende overwogen naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak Rangelov.

“Het hof sluit niet uit dat deze uitspraak voor de Nederlandse situatie onder omstandigheden kan impliceren dat teneinde aan de terbeschikkinggestelde zonder verblijfstatus een zoveel mogelijk gelijkwaardige behandeling en resocialisatie te bieden als een terbeschikkinggestelde met verblijfstatus, de op het vreemdelingenrecht gestoelde, beleidsmatige beletselen die daaraan volgens de Minister van Veiligheid en Justitie in de weg staan, in hun toepassing dienen te worden beperkt.”

Nu [terbeschikkinggestelde] geen geldige verblijfstatus heeft in Nederland, repatriëring naar Sierra Leone (in ieder geval binnen afzienbare tijd en zolang sprake is van het kader TBS met dwangverpleging) niet mogelijk is en elke vorm van verlof voor [terbeschikkinggestelde] is uitgesloten, is de rechtbank van oordeel dat de uitzichtloze situatie waarin [terbeschikkinggestelde] zich bevindt een schending oplevert van artikel 14 in samenhang met artikel 5 EVRM. Anders dan terbeschikkinggestelden met een verblijfstatus heeft [terbeschikkinggestelde] geen enkele mogelijkheid om te resocialiseren en is er dus ook geen enkel zicht op een einde van de TBS. Daar komt bij dat, naar de kliniek aangeeft, het risico dat de psychiatrische toestand van [terbeschikkinggestelde] door dit alles zal verslechteren, reëel is. Het verschil in behandeling van [terbeschikkinggestelde] in vergelijking met een terbeschikkinggestelde met verblijfstatus is niet gerechtvaardigd, aangezien hem geen enkel concreet alternatief of perspectief, aangepast aan zijn situatie als TBS-gestelde zonder verblijfsstatus, wordt geboden.

Gelet op het voorgaande en teneinde de terbeschikkinggestelde perspectief te bieden om op termijn tot een beëindiging van de terbeschikkingstelling te kunnen komen, is de rechtbank van oordeel dat thans dient te worden onderzocht of de verpleging van overheidswege voorwaardelijk zou kunnen worden beëindigd. Daarom dient de Reclassering Nederland een maatregelrapport op te stellen, waarin de (on)mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege worden onderzocht.

Of het verantwoord is de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen hangt in sterke mate af van de vraag, of de reclassering in staat is om tot een realistisch resocialisatieplan te komen. Gezien de bijzondere positie waarin [terbeschikkinggestelde] zich bevindt, dient de reclassering de haalbaarheid van diverse scenario’s te onderzoeken. Uitgangspunt dient daarbij te zijn dat [terbeschikkinggestelde] een zoveel mogelijk gelijkwaardige resocialisatie wordt geboden als aan een terbeschikkinggestelde met een verblijfstatus. Niet alleen de gebruikelijke verlofmogelijkheden moeten worden onderzocht, maar wellicht ook de minder gebruikelijke trajecten. Gedacht zou kunnen worden aan een schorsing van het inreisverbod van [terbeschikkinggestelde] teneinde resocialisatie mogelijk te maken. De rechtbank acht het van belang dat de reclassering, bij het onderzoeken van de mogelijkheden voor [terbeschikkinggestelde], in overleg treedt met dhr. P. de Jong van [kliniek 3] (genoemd op blz. 6 van het adviesrapport van [kliniek 1]) en met een deskundige bij de Dienst Terugkeer en Vertrek van de IND. Ten aanzien van laatstgenoemde deskundige valt te denken aan dhr. Ponsen (eveneens genoemd op blz. 6 van het adviesrapport van [kliniek 1]) of aan een van de stafjuristen van deze dienst die zijn gehoord door het Hof Arnhem-Leeuwarden ter zitting van 23 mei 2013 (zie ECLI:NL:GHARL:2013:4877).



Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank op grond van artikel 509t lid 5 van het Wetboek van Strafvordering de beslissing op een mogelijke voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege voor onbepaalde tijd, maar maximaal drie maanden, aanhouden in afwachting van het rapport van Reclassering Nederland. De rechtbank acht het zinvol om, naast dhr. Adriaanse en de rapporteur van de reclassering, tijdens de volgende behandeling ter zitting (samenstelling van de MK zoveel mogelijk gelijk aan die van de zitting van 19 mei 2014) dhr. P. de Jong van [kliniek 3] en de door de reclassering geraadpleegde medewerker van de Dienst Terugkeer en Vertrek op te roepen als deskundigen.

Daarnaast is de rechtbank, gelet op artikel 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist, zodat de terbeschikkingstelling zal worden verlengd met één jaar.

DE BESLISSING

De rechtbank:

- verlengt de termijn gedurende welke [terbeschikkinggestelde] ter beschikking is gesteld met één jaar;

- houdt de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege aan en schorst daartoe het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, tot ten hoogste drie maanden, teneinde de reclassering een rapport te laten opmaken omtrent de vraag of, en zo ja, de wijze waarop en de voorwaarden waaronder, de verpleging van overheidswege van de terbeschikkinggestelde kan worden beëindigd;

- beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde, de deskundige D.A.H. Adriaanse, de deskundige P. de Jong van [kliniek 3], de door de reclassering geraadpleegde deskundige van de dienst Terugkeer en Vertrek van de IND en de rapporteur van de reclassering tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting, met kennisgeving van dat tijdstip aan de raadsman van de terbeschikkinggestelde, mr. L.S.T.H. Ruijters, advocaat te Eindhoven;

- stelt de stukken met dat doel in handen van de officier van justitie.

Deze beslissing is gegeven door

mr. W.J.M. Fleskens, voorzitter,

mr. P.J.H. van Dellen en mr. H.M. Hettinga, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 02 juni 2014.