Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:2887

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
C/01/266007 / HA ZA 13-520
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. O.d. Rapport arts in echtsscheiding. Immateriële schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/266007 / HA ZA 13-520

Vonnis van 14 mei 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Duivendrecht,

eiser,

advocaat mr. drs. A.H.J. de Kort te Sint Michielsgestel,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Oss,

gedaagde,

advocaat mr. S. Laan te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 september 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 maart 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is gehuwd geweest met [mevrouw] (hierna [de vrouw]). Uit dit huwelijk is op 15 juli 2006 [zoon] geboren.

2.2.

Tijdens en na de echtscheidingsprocedure heeft [eiser] getracht om omgang te te behouden met zijn zoon. [de vrouw] was daar evenwel op tegen. Ondanks beschikkingen van rechtbank en gerechtshof die zagen op omgang tussen [eiser] en zijn zoon, heeft [de vrouw] in haar standpunt volhard. Er is gedurende 3,5 jaar geen omgang geweest tussen [eiser] en [zoon].

2.3.

[de vrouw] heeft in het voorjaar van 2010 tijdens de echtscheidingsprocedure [gedaagde], arts, benaderd voor het schrijven van een rapport, welk rapport op 11 mei 2010 is verschenen.

2.4.

[de vrouw] heeft dit rapport zowel aan diverse betrokken (gerechtelijke) instanties gegeven, als aan andere derden.

2.5.

Het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven heeft naar aanleiding van een klacht van [eiser] op 27 februari 2012 uitspraak gedaan met als conclusie onder meer dat [gedaagde] met zijn rapportage in ernstige mate in gebreke is gebleven. Het Tuchtcollege heeft [gedaagde] de maatregel van schorsing van inschrijving in het register voor de duur van één jaar (voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar) opgelegd met de bijzondere voorwaarde dat [gedaagde] gedurende de proeftijd geen rapportages, onderzoeksverslagen of risicotaxaties op het gebied van kindermishandeling uitbrengt.

Inmiddels heeft Het Tuchtcollege naar aanleiding van een klacht in een vergelijkbare zaak bij uitspraak van 11 april 2013 de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register opgelegd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – voor recht te verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van alle als gevolg van het onrechtmatig handelen door hem geleden schade nader op te maken bij staat, alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een voorschot op de schade van € 45.000,--, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft aan [de vrouw] een rapport verstrekt dat is tot stand gekomen op basis van eenzijdig van [de vrouw] verkregen informatie, waarvan de juistheid niet of onvoldoende is gecontroleerd, zonder toestemming en zonder medeweten van [eiser], zonder te hebben gesproken met [eiser] en met zeer negatieve waardeoordelen over [eiser] en met voor [eiser] verstrekkende negatieve conclusies. Het rapport is onjuist en onbetrouwbaar. Het schaadt [eiser] in zijn persoon. Door het rapport heeft [de vrouw] een instrument in handen gekregen waarmee zij haar standpunt en haar handelen om contact tussen [eiser] en [zoon] te verhinderen kon legitimeren. Dat heeft veroorzaakt dat hij gedurende lange tijd geen contact met zijn zoon kon hebben, waardoor hem leed is aangedaan. [eiser] heeft vele kosten moeten maken in verband met de vele procedures die [de vrouw] met het rapport als legitimatie tegen hem heeft gevoerd en nu nog voert.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat zijn rapport onjuist en onbetrouwbaar is. Het is tot stand gekomen op basis van een beproefde onderzoeksmethode. Niet het rapport, maar de opstelling van [de vrouw] heeft ertoe geleid dat er langdurig geen contact was tussen [eiser] en zijn zoon. [gedaagde] betwist de onrechtmatigheid, de schade en het causaal verband.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de hand van het over en weer gestelde, de in het geding gebrachte stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen, stelt de rechtbank vast dat het rapport van [gedaagde] verre van voldoet aan de eisen die aan een dergelijk rapport gesteld mogen worden.

Moment van uitbrengen/ doel van het rapport

4.2.

[gedaagde] voert in zijn conclusie van antwoord aan dat zijn rapporten (over kindermishandeling) enkel zijn bedoeld als een handreiking voor de bevoegde instanties om al dan niet tot nader onderzoek over te gaan en dat pas na afloop van eventuele vervolgonderzoeken een definitieve conclusie getrokken kan worden omtrent het welzijn van het kind. Die conclusie wordt dan niet getrokken door [gedaagde] maar door de bevoegde instanties, zoals bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad). Ter zitting heeft hij daaraan nog toegevoegd dat hij het onderhavige rapport mede heeft geschreven om de Raad te informeren en dat het bestemd was om voor te leggen aan de bevoegde instanties. Hij stelt dat het belang van het kind voor hem altijd voorop staat.

4.3.

De rechtbank constateert dat op het moment van het uitbrengen van het rapport er al een juridische strijd tussen de ouders woedde; dat er door de rechtbank al een omgangstraject was uitgestippeld; dat de Raad al was ingeschakeld en een onderzoek was begonnen. De problematiek was dus al onder de aandacht van rechtbank en Raad, en het AMC en het AMK had al bemoeienis gehad. Er hoefde dus geen ‘handreiking’ gedaan te worden.

Tevens stelt de rechtbank vast dat [gedaagde], nadat de Raad haar rapport had uitgebracht, op dat rapport kritiek heeft geuit en deze ook ten behoeve van [de vrouw] op papier heeft gezet. Ter zitting heeft [gedaagde] nog gezegd dat hij vond dat het AMK de zaak ten onrechte niet had onderzocht.

4.4.

Dat [gedaagde] met zijn rapport slechts een ‘handreiking’ aan de bevoegde instanties heeft willen bieden, kan de rechtbank, gelet op de hiervoor gerelateerde omstandigheden, niet volgen. De rechtbank moet het er voor houden dat [gedaagde] met zijn rapportage en zijn kritiek het onderzoek van de Raad (en dat van AMC en AMK) heeft willen ‘overrulen’.

Van [gedaagde] had evenwel verwacht mogen worden zich onder de gegeven omstandigheden van zijn rapportage te onthouden.

4.5.

[gedaagde] stelt dat het doel van het rapport was het aan de bevoegde instanties ter hand te stellen, waarbij de bescherming van het kind voor hem voorop staat. [gedaagde] heeft aan [de vrouw] geen restricties opgelegd voor het gebruik van het rapport, terwijl dit wel, gelet op het door hem beoogde doel, voor de hand had gelegen en van hem verwacht had mogen worden. [gedaagde] had moeten beseffen dat [de vrouw] het rapport ten eigen bate zou kunnen misbruiken, waardoor het conflict tussen de ouders verder zou kunnen escaleren ten detrimente van het kind. Door geen restricties op te leggen voor het gebruik van het rapport werd [de vrouw] minst genomen niet aangespoord tot terughoudendheid bij de verspreiding van het rapport. Gebleken is dat [de vrouw] het rapport ter hand heeft gesteld van anderen dan de bevoegde instanties, zoals de naschoolse opvang van de zoon, een gepensioneerde medewerkster van de Raad waarmee [de vrouw] toevallig in de privésfeer in contact kwam, (prod. 13 [eiser]) en die meent, ondanks het feit dat zij geen enkele bemoeienis met de zaak heeft, zich hierover met een uitvoerige aan ‘L.S.’ gerichte brief te moeten uiten.

Het had op de weg van [gedaagde] gelegen aan [de vrouw] restricties op te leggen wat betreft de verspreiding van het rapport.

De wijze van totstandkoming van het rapport

4.6.

[gedaagde] stelt dat hij een risicotaxatie heeft gemaakt op basis van de hem beschikbaar gestelde uitgebreide dossierinformatie (ruim 400 pagina’s). Hij stelt dat het dossieronderzoek op basis van deze informatie deugdelijk is uitgevoerd, dat het rapport inzichtelijk en consistent is en steun vindt in de feiten zoals die voortkomen uit het hem ter beschikking gestelde dossier. Ter zitting heeft [gedaagde] daaraan nog toegevoegd dat in het dossier zaken staan vermeld alsof ze waar zijn, maar dat hij dat niet gaat onderzoeken en aan [de vrouw] heeft vermeld dat hij geen feiten gaat checken.

4.7.

Van een onderzoek, zoals het onderhavige, dat moet dienen om de bevoegde instanties te informeren, mag verwacht worden dat het gegrond is op feiten. Dat is hier niet het geval. De rechtbank is van oordeel dat het fundamenteel verkeerd is om een onderzoek te doen en conclusies te trekken op basis van slechts eenzijdig verkregen en niet gecontroleerde informatie. Dat is wat [gedaagde] heeft gedaan. Voor zover het [gedaagde] al vrij stond (op dat moment) in de onderhavige zaak een onderzoek op verzoek van [de vrouw] te doen, had het op zijn weg gelegen om [eiser] minstens in staat te stellen zijn eigen informatie te verstrekken en /of te reageren op de door [de vrouw] verstrekte informatie. [gedaagde] had ten minste met [eiser] moeten praten, zoals hij dat ook heeft gedaan met [de vrouw]. Het is hem als onzorgvuldig aan te rekenen dat hij dat niet heeft gedaan.

De inhoud van het rapport

4.8.

[gedaagde] stelt dat hij slechts een risicoanalyse heeft willen maken, dat hij geen diagnoses heeft gesteld, dat hij de nodige voorbehouden heeft gemaakt en dat het hem ter beschikking staande dossier de conclusies die hij voorzichtheidshalve heeft getrokken rechtvaardigt.

De rechtbank constateert dat [gedaagde] hier en daar in het rapport wel een voorbehoud maakt, maar dat dat is gebeurd op een zodanige manier dat daar weinig betekenis aan kan worden gehecht. Hoewel hij, bijvoorbeeld, zegt dat [eiser] nog nader onderzocht zal moeten worden om de diagnose psychopathie te rechtvaardigen, zegt hij tegelijk dat de dossierinformatie hem weinig ruimte laat voor twijfel. Want, aldus [gedaagde] feit is “….dat vader zich duidelijk toont in zijn beschreven standpunten, die soms 180 graden draaien en waarin hij zich dus weinig consistent toont, zijn oppervlakkige zelfreflecties die voornamelijk door sociale wenselijkheid, door zijn neiging tot manipuleren van de ander en door de hem eigen oppervlakkigheid lijken te zijn ingegeven.” Deze constateringen over [eiser] worden door [gedaagde] zonder voorbehoud gemaakt en steunen slechts op het eenzijdig van [de vrouw] verkregen dossier. Pollman had naar het oordeel van de rechtbank op deze wijze niet tot deze de facto zeer stellige constateringen mogen komen. Ook al niet nu [gedaagde] niet deskundig is op het terrein van psychopathie en andere psychiatrische aandoeningen.

4.9.

In het rapport van de Raad van 8 juli 2010 (prod. 9 dgv.) komt naar voren dat geen enkele betrokken instantie en onafhankelijk professioneel betrokkene een aanwijzing voor kindermishandeling of sexueel misbruik zag: “Vooralsnog komt moeder als enige met zeer zorgelijke verhalen.” Toch stelt [gedaagde], die ook over de informatie van de huisarts, het AMC en AMK, waarop de Raad onder meer doelt, beschikte onomwonden en zonder enig voorbehoud op pagina 8 van het rapport: “Er is sprake van fysiek geweld door vader, omdat hij slaat.” en “In de dwang en drang en het bruuske omgaan met zijn kind maakt vader zijn kind angstig…..(……). Bovendien is er sprake van dreigende ingehouden agressie in de omgang met zijn kind.” De recidivekans voor deze vormen van mishandeling wordt door [gedaagde] “HOOG” geacht, terwijl [gedaagde] had moeten beseffen dat helemaal niet vast stond dat er sprake was van mishandeling. Van het voorbehoud dat [gedaagde] maakt bij de verdenking van sexueel misbruik gaat juist een suggestie van sexueel misbruik uit. Dat het slechts zou gaan om een onder voorbehoud geschetste “mogelijke werkelijkheid”, zoals [gedaagde] betoogd, blijkt niet uit het rapport.

4.10.

Al het voorgaande leidt tot de volgende conclusie. [gedaagde] heeft een rapport geschreven en zonder restrictie afgegeven waarin hij zeer negatieve persoonlijkheidskenmerken toedicht aan een persoon die niet zelf is gehoord of onderzocht, op basis van eenzijdig verkregen informatie (en verkregen van een partij die er belang bij heeft de ander ‘zwart’ te maken), die niet gecontroleerd is, met op basis van dit alles ongefundeerde beschuldigingen van kindermishandeling met conclusies over hoge recidivekansen, terwijl in het geheel niet vast staat dat er is mishandeld, bestemd voor een partij in een echtscheidingsconflict en te gebruiken in juridische procedures op een moment dat de zaak al onder de aandacht was van de rechtbank en Raad en de laatste al een onderzoek had opgestart. Verder heeft [gedaagde] nadat het rapport van de Raad was uitgebracht in zijn eigen rapport volhard, en op het Raad’s rapport kritiek geuit en die kritiek schriftelijk aan [de vrouw] in handen gegeven. De rechtbank beoordeelt de handelwijze van [gedaagde] als zeer onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens [eiser].

Causaal verband/schade

4.11.

[eiser] stelt dat hij door het rapport in zijn persoon is aangetast. [gedaagde] heeft zijn privacy geschonden, het rapport is smadelijk en beledigend voor [eiser]. Hij wordt er door gebrandmerkt. [eiser] stelt verder dat [gedaagde] wist dat [de vrouw] het rapport in juridische procedures zou gebruiken met het kennelijke doel de omgang tussen hem en zijn zoon te frustreren. Het rapport heeft tot vele (onnodige) procedures geleid. Het wordt verder te pas en te onpas door [de vrouw] gebruikt. Het rapport heeft ertoe geleid dat [eiser] meer dan drie jaar geen contact met zijn zoon heeft gehad, waardoor tevens sprake is van ouderverstoting. Het rapport heeft het zorgvuldig door de rechtbank uitgestippelde traject op ernstige wijze doorkruist. [gedaagde] is zich met strijdende partijen gaan bemoeien waardoor [gedaagde] het spoedige contactherstel tussen [eiser] en zijn zoontje, zoals door de rechtbank was opgelegd, heeft gefrustreerd. Dit alles heeft volgens [eiser] tot immateriële schade, alsmede tot materiele schade geleid, onder meer samenhangend met de vele procedures die zijn en worden gevoerd.

4.12.

[gedaagde] stelt dat niet zijn rapport maar de houding van [de vrouw] heeft veroorzaakt dat er langdurig geen contact is geweest tussen [eiser] en zijn zoon en betwist het causale verband.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van conditio sine qua non verband tussen rapport en schade. Dat geldt zonder meer voor de aantasting van de persoon van [eiser] (de privacy schending en het beledigende karakter).

De rechtbank is van oordeel dat dat ook heeft te gelden voor het frustreren van de omgang tussen [eiser] en zijn zoon, gezien het door [gedaagde] voorziene gebruik/misbruik van het rapport door [de vrouw]. Weliswaar kan [gedaagde] toegegeven worden dat daarvoor de houding van [de vrouw] op de eerste plaats bepalend is geweest, maar de rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [de vrouw] in die houding heeft kunnen verharden en volharden doordat zij het rapport van [gedaagde] als instrument en als legitimatie voor haar houding in handen kreeg. De rechtbank constateert uit de overgelegde stukken dat [de vrouw] door de jaren het rapport telkens opnieuw onder de aandacht van de instanties en anderen brengt om te trachten haar gelijk te halen. De rechtbank acht aannemelijk dat zij in haar houding tevens gesterkt is door het feit dat [gedaagde] na het uitbrengen van het rapport van de Raad zijn rapport niet heeft teruggetrokken, althans zelf geen stap terug heeft gedaan, maar zelfs zijn kritiek op dat rapport schriftelijk aan [de vrouw] heeft verstrekt.

4.14.

Tot welke (im)materiele schade dat heeft geleid en welke schadeposten (mede?) aan [gedaagde] moeten worden toegerekend zal in een schadestaatprocedure moeten worden beoordeeld, zoals door [eiser] verzocht.

4.15.

[eiser] heeft tevens gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade. [eiser] heeft te weinig naar voren gebracht om reeds een voorschot op de materiele schade toe te kunnen wijzen. Weliswaar noemt [eiser] ter zitting een aantal posten, maar deze zijn niet onderbouwd.

4.16.

Dat ligt anders wat betreft de immateriële schade. Vast staat dat [eiser] in zijn privacy is aangetast. De rechtbank volgt [eiser] zonder meer in zijn stelling dat de inhoud van het rapport voor hem bijzonder grievend en beledigend is en een ernstige inbreuk op zijn persoonlijk leven vormt. Het rapport is door toedoen van [gedaagde] bekend geraakt bij diverse instanties alsook bij de naschoolse opvang en een willekeurige derde, waardoor [eiser] in zijn omgeving getekend, gebrandmerkt is. De rechtbank stelt tevens vast dat het rapport er (minstens) toe heeft bijgedragen dat [eiser] langdurig geen contact heeft kunnen hebben met zijn zoontje. Dat dit leidt tot gevoelens van verdriet en gemis is invoelbaar.

De rechtbank zal op grond van het vorenstaande een voorschot op de immateriële schade vaststellen van € 10.000,.

4.17.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

-dagvaarding € 94,79

-griffierecht € 842,

-salaris advocaat € 1.788,(2x punt liquidatietarief € 894,)

Totaal € 2.724,79

4.18.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een voorschot op de schadevergoeding van € 10.000,-- (tienduizend euro),

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding aan [eiser] van de overige schade, op te maken bij staat,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.724,79, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na heden,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na daartoe te zijn aangemaand aan de veroordeling in dit vonnis voldoet, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af

Dit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.